Terug naar de Amazone: de stad groeit, de spanning stijgt en de ecotoerist bezoekt in het oerwoud sportschool en sauna

In 1990 reisde ik voor het eerst naar Brazilië. Ik overleefde in de Amazonejungle een aanval van bijen, had in het waterland van Ilha de Marajó een koortsdelirium, werd met een eenmotorig vliegtuigje in de bush opgepikt en naar een ziekenhuis gevlogen en danste in Salvador, Bahia met de drummers van Olodum. Brazilië bleek behoorlijk rock & roll. Vier jaar later verruilde ik de redactiestoel bij muziekblad OOR voor een hangmat in de Amazone in het noorden van Brazilië.

Een hangmat in de Amazone (7)

Manaus, Amazonas, oktober 1996

Het is vierenveertig graden Celsius. Langs de muren druipt het door knarsende airco’s uitgebraakte condensvocht. Wie verfrissing zoekt, kan terecht in een van de barretjes waar de Braziliaan zijn bier of caipirinha (cachaça met suiker en limoen) drinkt.
Hoog in de lucht en op gebouwen en loodsen houden honderden gieren de visafslag in de gaten. Ze mummelen als zwarte doodbidders met kale koppen voor een maaltje. In de haven duiken jongens in het water. Ze laten zich aan touwen door de in- en uitvarende rivierboten meesleuren. Anderen hangen op de kades rond met vriendinnen en snuiven lijm uit plastic zakjes.
In de favelas jagen katten op ratten en kakkerlakken. “Het leven hier is hard”, zegt Gracia Lima. Het zelfgebouwde huis van afvalhout en golfplaat dat ze met vijf kinderen bewoont, telt slechts een kamer. Aan de muren hangen foto’s van voetbal- en filmsterren, plus kleurige afbeeldingen van Christus en Maria. Een man heeft Gracia niet. Veel gezinnen moeten het hier zonder vader stellen. Zij die er wel een hebben, zijn hem vaak kwijt, omdat hij in de houtkap of mijnbouw werkt, ver van Manaus. De vrouwen leven van wat groenten en als dat niet genoeg oplevert, verkopen ze zichzelf. Dan is er nog de angst voor de regeringsbulldozers die hun hutten, vaak illegaal gebouwd, ieder moment kunnen platwalsen.
De tentoonstelling in het indianenmuseum Museu do Índio aan de Avenida Duque de Caxias laat het leven zien van de Yanomami uit het grensgebied van Brazilië en Venezuela, het bergachtige Roraima. De tot voor kort geïsoleerd levende nomaden jagen nog altijd met pijl en boog, dezelfde wapens waarmee ze ook hun onderlinge twisten uitvechten. Roraima is het gebied waar de vroegere avonturiers het mythische El Dorado zochten. Mineraalvondsten leiden er nu toe dat goudzoekers, of garimpeiros zoals ze worden genoemd, regelmatig het land van de Yanomami binnendringen. Vervuiling, ziekten en vuurwapens brengen ze met zich mee.

In Manaus ontmoet ik Alejandro. Hij komt uit Chili en is jaren geleden zijn geboorteland ontvlucht en naar het Amazonegebied gekomen. Sindsdien verdient hij zijn geld met het verrichten van hand- en spandiensten voor onder anderen wetenschappers en journalisten. Een gemakkelijke man die aan wat rijst en vis, zoals hijzelf zegt, voldoende heeft om te overleven. “Manaus groeit als de pest”, zegt hij. “De politici willen dat Manaus een van de grootste metropolen van het noordelijk deel van Zuid-Amerika wordt. Maar wat moet de wereld met een São Paulo in de Amazone? Meer mensen betekent dat er meer hout nodig is, meer vlees, meer vis, meer brandstoffen, meer transport. Er zal meer vervuiling komen, meer luchtverontreiniging. De groei van Manaus is gevaarlijker dan de farmers met hun kudden.”
Anderhalve dag nadat ik hem heb leren kennen, rijd ik met Alejandro in een busje noordwaarts. De weg naar Boa Vista, hoofdstad van Roraima, loopt dwars door het reservaat van de Waimiri-Atroari, en omdat het tegen de avond is en er problemen zijn tussen de inheemse gemeenschappen en een mijnbouwmaatschappij, zijn we gespannen. Er zijn auto’s met stenen bekogeld. Het is sowieso maar enkele jaren geleden dat reisgidsen adviseerden om het gebied ’s nachts te mijden of in colonne te rijden. Links en rechts van de weg is water, levenloos. Boomstronken steken zwart verrot omhoog, als staken die van binnenuit door de aardkorst zijn geslagen. Het troosteloze landschap waarin zelfs geen vogel zich laat zien, dankt zijn doodsheid aan de Balbina-dam, op 146 kilometer van Manaus gebouwd in de Uatamá-rivier.
Ten behoeve van de dam werd een stuwmeer gecreëerd dat een enorm groot gebied onder water heeft gezet. Juist dat gebied was bedekt met regenwoud, dat in tegenstelling tot de lager gelegen vloedbossen niet geschikt was om onder water te staan. Door het rottingsproces kwamen er broeikasgassen vrij en trad er verzuring op. Het gevolg was een enorme ecologische ramp waarvan met name de Waimiri-Atroari, die in het gebied woonden, het slachtoffer werden.
Na uren rijden over een hobbelige en stoffige zandweg, met aan weerszijden bos dat dreigend afsteekt tegen de donkere lucht, passeren we de grens. We zijn in het land van de garimpeiros, de wilde mannen van de mijnen. We eten wat bij een busstation waar we door een chagrijnige serveerster worden geholpen en gaan dan op zoek naar een veilige plek om de nacht door te brengen. Na ongeveer een uur ontdekken we iets van de weg af naast een klein houten huis een kraal die geschikt lijkt voor onze hangmatten. “Hou de motor draaiend”, zegt Alejandro als hij uitstapt om poolshoogte te nemen, “zodat we meteen weg kunnen als ze met een geweer naar buiten komen.” Hij klopt, en als er geen reactie komt nog een keer. Er klinkt gestommel. De deur gaat voorzichtig op een kier. De motor kan af. Tien minuten later slaap ik.
Bij Caracaraí, de laatste halteplaats voor Boa Vista, rijden we de volgende ochtend de veerpont op. Onder een houten afdak op de rivieroever snijden twee mannen een koe in stukken. Met bijl en mes wordt op het kadaver ingehakt. Het zand onder de blote voeten van de mannen kleurt langzaam rood. Naarmate we dichter bij Boa Vista komen, verandert het landschap. Regenwoud maakt plaats voor grasland en in de verte doemt het Roraimagebergte op. Nog niet zo heel lang geleden groeide het regenwoud hier tot aan de weg. Toen kwamen kettingzaag en aansteker en het bos verdween. Toch is er geen woestijn voor in de plaats gekomen. Sterker nog, het landschap zoals het er nu in de warmte van de zon bijligt, straalt een bijna paradijselijke sfeer uit. Met een bloeiende vegetatie en daartussen runderen, paarden en geiten die vreedzaam grazen of verkoeling zoeken in de vele plassen en poelen. In Boa Vista vinden we onderdak bij Igreja São Bento Barrio da Liberdade, een kerkje iets buiten het centrum. Dona Maria Lindalva wijst ons een klaslokaal waar we de hangmatten kwijt kunnen.

De krant die ik koop heeft op de voorpagina een artikel over het plaatselijke ziekenhuis waar een infectie-epidemie steeds meer doden eist, allemaal kinderen. Inmiddels is het zesendertigste slachtoffer gevallen. De foto bij het verhaal laat een huilende Yanomami vrouw zien met haar man, in haar armen hun dode baby. Achter haar, in het wit en met een groot kruis om de hals, staat een blanke religieuze die de inheemse vertwijfeld bij de schouders houdt. Een poging te troosten.
Niet ver van het goudzoekerstandbeeld dat het grote plein in het centrum domineert, tref ik Crisnel Francisco Ramalho, voorzitter van de vakbond Sindigar (Sindicato dos Garimpeiros do Estado de Roraima). Negentig van elke honderd mensen die om hun geluk te beproeven naar Roraima trekken, komen uit het noordoosten. Volgens Crisnel zijn er grote politieke belangen mee gemoeid om die mensen op geen enkele manier te helpen, met onderdak, voedsel en medische zorg. En, zegt hij, in plaats dat de politici hun best doen de relatie tussen de inheemse bevolking en goudzoekers te verbeteren, zetten ze hen alleen maar tegen elkaar op.
“Als de indianen leren hoe ze goud moeten winnen, zijn ze niet meer afhankelijk van regeringsinstanties die hen als slaven laten werken”, zegt hij. “Politici zien de indianen echter liever als dieren, zodat zij het land, de goudvoorraden, kunnen exploiteren zonder dat de indianen dat kunnen verhinderen.”
Uit een la van zijn bureau haalt hij documenten tevoorschijn die volgens hem uit politie-archieven komen. Erin zijn foto’s te zien zien van dode mensen, de meesten zwaar verminkt. “Kogels van de federale politie. Wij worden vaak als outlaws gezien, maar dit is onze echte werkelijkheid: dode lichamen en gebroken families.”
Later rijden we naar de bergen, naar Tapequem. Het is de enige mijn in het gebied die nog legaal open is. Verder zijn er nog twee of drie illegale mijnplaatsen in Yanomami gebied, althans volgens Crisnel. Inheemse bronnen noemen een groter aantal.
Omdat het laatste deel van de tocht alleen met vierwielaandrijving kan worden gedaan, laten we de bus achter bij een boerderij en stappen we in de laadbak van een Toyota. Deze komt slechts moeizaam vooruit op het bergpad vol gaten en kuilen en dat dwars door riviertjes voert. Als het begint te regenen glijdt de auto gevaarlijk naar de kant van de weg. Een vat benzine raakt los en schuift langs ons de diepte in.
Tapequem is niet veel meer dan een straat. Veel activiteit is er niet. De goudzoekers, voorzover niet bij het vee, zitten een groot deel van de dag in de bar waar ze drinken en domino spelen. Het nieuws op de televisie meldt een grote demonstratie in Serra Pelada, de mijn die bekend werd door de foto’s van de Braziliaan Sebastião Salgado: wriemelende mierenhopen van door de geschiedenis vervloekte mensen, hun lichamen besmeurd met modder en vuil. Maar het Serra Pelada van die foto’s is verleden tijd. Een grote firma heeft een licentie verworven die de kleine goudzoekers, net nu er een rijke ader is aangeboord, buiten spel zet. Het lijkt de bizarre omkering van de priestervloek over het duizenden kilometers verder gelegen Airão*. Hier worden de mensen vervangen door insecten en slangen als teken van vooruitgang.
De volgende morgen laat Crisnel weten dat ze naar amethist gaan zoeken, maar dat wij niet mee kunnen. Ze willen eerst een idee van de omvang van de mijn en daarna moet deze in Boa Vista worden geregistreerd. Alejandro vermoedt dat Crisnel niet wil dat wij zien dat ze door landbouw- en veeteeltgebied trekken. Als iemand mineralen vindt, dan verplicht de wet de landeigenaar tot onderhandelen en moet hij exploitatie van de mijn toestaan. Pas als ze er zeker van zijn dat er iets te vinden is en ze in Boa Vista zijn geweest, zullen Crisnel en zijn mannen met de eigenaar gaan praten.
Er liggen drie geladen geweren onder de bank waarop Alejandro en ik omlaag schokken. Bij het uitladen op de plek vanwaar de mannen te voet verder gaan, doet Crisnel of de wapens er niet zijn. Hij wil niet dat leden van zijn mijnwerkersbond met geweren worden gefotografeerd. Maar als de groep na een bocht uit het zicht verdwijnt, gaat de Toyota er achter aan, om vijf minuten later weer terug te keren. Een geweer in de jungle is toch handig.

Terug in Boa Vista vertelt de zoon van Dona Maria dat er in de nacht dat wij weg waren mensen op het terrein kwamen. “Dieven met grote messen.” Na doorvragen blijkt het om jongelui te gaan die een plek zochten om lijm te snuiven. Via de kerkbeheerder komen we in contact met de inheemse organisatie CIR (Conselho Indígena de Roraima). Deze is in 1988 opgericht om te strijden voor de erkenning en uitvoering van de rechten van de inheemse volken. De volgende dag gaan we op stap met CIR-medewerker Christao en Aldo, leider van een van de Macuxi-dorpen in het gebied. Onze bestemming is Raposa Serra do Sol, een berggebied dichtbij de grens met Venezuela. Terwijl het rode zand van de weg door de kieren van de bus naar binnen wolkt, vertelt Aldo dat hij aan honderdzeventig mensen leiding geeft en dat ze onder andere maniok, graan, mais, rijst, pompoenen, watermeloenen, mango’s en sinaasappelen verbouwen. Verder bezit zijn gemeenschap een kudde van tweehonderdvijftig runderen. Het meeste dat het land oplevert, is volgens Aldo voor eigen gebruik. “Maar soms wordt er ook wel eens wat in Boa Vista verkocht.”
De Macuxi strijden voor teruggave van hun land dat de regering hen heeft afgenomen, maar het proces ondervindt nogal wat vertraging door de voortdurende invallen van boeren en goudzoekers, die de inheemse bevolking soms ook met de dood bedreigen. Aldo vertelt hoe zijn dorp in 1995 door de militaire politie werd overvallen. Ze brandden alles plat, sloegen hem in de boeien en voerden hem weg in een helikopter, waarna hij na de nodige intimidaties werd losgelaten.
Andere leiders overkwam hetzelfde en hij denkt nu dat er achter de actie boeren zaten, die hun territorium wilden uitbreiden. Na het conflict reisden hij en vier anderen van de CIR naar Brasilia, waar de regering zetelt, om te praten met de minister van justitie. Voordat zij in Brasilia aankwamen, was daar evenwel al de gouverneur van de staat, die betoogde dat alles wat de inheemse delegatie zei een leugen was en dat er niemand in elkaar was geslagen en zelfs dat de militaire politie nooit op hun grondgebied was geweest. Veel verder kwamen ze daar dus niet.

Langs de bergwanden van Raposa Serra do Sol kruipen langzaam langgerekte oranjerode linten van vuur. Het zijn niet alleen blanke boeren en caboclos die het vuur gebruiken als middel voor ontbossing en om het land vruchtbaar te maken, zoals zo vaak wordt beweerd. Ook inheemse volken maken van deze methode gebruik. Severino, leider van de gemeenschap waar we de nacht hebben doorgebracht, brengt ons naar een nabijgelegen fazenda. Daar worden vandaag de jonge paarden en runderen gebrandmerkt. Na afloop is er dan een vergadering van de leiders.
Ik praat met José Adalberto Silva, een blozende man met een cowboyhoed op en een van de leiders van de Macuxi. Hij is de vice-voorzitter van de CIR en iemand die veel reist om de zaak van zijn volk te verdedigen. Hij is net terug uit Washington. Daar heeft hij de Amerikaanse minister van milieu en mensen van de Wereldbank gesproken en gepleit voor een betere controle van de gelden die aan Brazilië worden geleend. “De situatie moet niet alleen met de regering en lokale politici worden besproken”, betoogt hij, “maar ook met de gemeenschap in het algemeen. Het is de enige manier om na te gaan waar het geld naar toe gaat, of er aandacht wordt geschonken aan het milieu en of al de dingen die op papier staan ook werkelijk worden ontwikkeld. Het zou goed zijn, als internationale organisaties behalve geld ook mensen naar Brazilië sturen, mensen die met eigen ogen kunnen zien wat er allemaal wel en niet gebeurt. Zo heb ik hier mensen van de Wereldbank uitgenodigd. Die hebben daarop positief gereageerd. Ook al omdat zij zelf negatieve ervaringen hadden met projecten op het gebied van gezondheid, onderwijs en milieu die recentelijk in Brazilië waren opgezet. Vaak was later op geen enkele manier te achterhalen of de plannen waren uitgevoerd of dat het geld voor andere doeleinden was gebruikt.”

Een van zijn grootste zorgen, zegt José Adalberto Silva een paar dagen later in Boa Vista in het kantoor van CIR, is het toenemende ecotoerisme en de destructieve gevolgen daarvan voor het milieu en de lokale cultuur. “Ondernemers halen van overal in de wereld toeristen om te genieten van de rijkdom van het Amazonegebied en om te zien hoe de mensen van de Amazone leven. Alleen hebben deze laatsten zelf geen stem in de manier waarop het ecotoerisme wordt ontwikkeld. Zij zouden ook moet profiteren van de grote winsten die worden gemaakt in de toeristenindustrie. Nu worden ze alleen maar uitgebuit.”
“Toen de toeristen kwamen”, haalde de Nederlandse prins Claus bij gelegenheid een onbekende dichter aan, “legden onze mannen hun visnetten opzij en werden kamerbedienden, en onze vrouwen werden hoeren.” En verder: “Toen de toeristen kwamen, verhandelden we onze eigen cultuur voor zonnebrillen en popmuziek, en veranderden we onze heilige ceremonieën in peepshows van tien cent.” Hij vond het gedicht op het Zwitserse Instituut voor Alternatieve ontwikkeling, een soort ontwikkelingshulp. Toerisme is gevaarlijk en brengt culturele verarming, zei de prins in hetzelfde interview. Het woord ‘toerist’ heeft ook in delen van Brazilië een nare bijsmaak.
José noemt Francisco Ritta Bernardino, een jurist uit Manaus met een bedenkelijke reputatie, die eigenaar is van het Ariaú Jungle Tower Hotel. Deze exclusieve lodge in het stroomgebied van de Rio Negro werd door het Nederlandse reistijdschrift Meridian aangeprezen als een “modelvoorbeeld van ecotoerisme”. En dat is het! Als de vleesgeworden werkelijkheid van operafanaat Fitzcarraldo. Hier is het geen salonboot die het weerbarstige oerwoud tart, maar hardhouten onroerend goed. De Ariaú Tower is het product van een projectontwikkelaar voor wiens megalomane ambities alles moet wijken. Rond de zes torens en het helikopterplatform wordt steeds meer gekapt, om de toerist faciliteiten aan te kunnen bieden als een fitnessclub en sauna. Vlakbij is een malocca gebouwd, een attractie bevolkt door inheemse families weggeplukt uit de sloppenwijken van Manaus. “Slavenpraktijken”, noemt José deze uitwas van het ecotoerisme.

Als het aan de Macuxi-leider ligt, komt er zo snel mogelijk een unie waarin inheemse volken en caboclos, rubbertappers en vissers samenwerken, om greep te krijgen op het ecotoerisme en er profijt van te hebben zonder dat hun cultuur wordt opgeofferd. Tegelijkertijd is hij voorzichtig. “Mensen zullen moeten leren met geld om te gaan”, zegt hij, “met het maken van winsten. En pas als dat werkt, als mensen zich niet door beloften van rijkdom laten verblinden zoals elders is gebeurd, pas dan wordt er gepraat met ondernemers, met de regering.”
Op de weg terug van de CIR, met bij ons padre Alvino, een Macuxi, rijdt een gebutste en gedeukte Volkswagen met grote snelheid op ons af. Hij boort zich in onze bus. Duidelijk is dat wij het wrak, dat van rechts kwam, geen voorrang hebben gegeven. Maar had de Volkswagen remmen gehad, dan was de botsing wellicht voorkomen. “Filho da puta”, schreeuwt Alejandro. “Vergeef me, padre”, wendt hij zich direct tot Alvino.
Als de politie arriveert, wordt de Volkswagenbestuurder hartelijk begroet. De schadelijst die de man opstelt, is zo groot dat van het bedrag wel twee van het soort karkassen waarin hij rijdt gekocht kunnen worden. Er wordt onderhandeld, tot er een schikking is, waarna de man zwaaiend naar de politie wegrijdt. Zonder remmen.

Nawoord
Ruim een jaar later ben ik weer in het berggebied van Raposa Serra do Sol. In Bismark, een kleine inheemse gemeenschap, vindt de jaarlijkse assembléia geral (algemene vergadering) van tuxauas (opperhoofden) van de deelstaat Roraima plaats. Met honderden zijn ze samengekomen om te discussiëren over zaken als grondrechten, onderwijs, culturele identiteit en ecotoerisme. Dat laatste is overigens met algemene stemmen verworpen. De meeste aanwezigen zijn Macuxi, maar er is ook een afvaardiging Yanomami, opvallend door hun lichaamsbeschilderingen en versieringen van veren. Het is de eerste keer dat Yanomami deelnemen aan de vergadering. De groep heeft een gettoblaster bij zich, waarmee ze de toespraken opnemen. Zo kunnen ze over een paar weken, als ze weer thuis zijn, in hun dorpen ver weg in het regenwoud, aan hun mensen laten horen wat er besproken is.

Wordt vervolgd…

*Lees meer over de vloek van Airão in ‘Een hangmat in de Amazone (3)’

Dit was deel 7 van de serie ‘Een hangmat in de Amazone’. Eerdere delen zijn: (1) Van rock & roll naar een hangmat in de Amazonejungle, (2) Een hangmat in de Amazone, (3) Caboclos: de natuurlijke wetenschappers van het Amazonewoud, (4) Voetballen met een rat, (5) De muskietenrivier en (6) Verdwaald in het Amazonewoud.

Mijn gekozen waardering € -

Ex-muziekjournalist. Ruilde in de jaren 90 redactiestoel muziekblad OOR in voor een hangmat in de Amazone, Dancin' Fool.