Ton Koopman: “De barok is gewoon altijd mijn muziek geweest”

Vijf jaar geleden interviewde ik barokspecialist Ton Koopman, die toen zijn vijftigjarig jubileum vierde. Inmiddels heeft hij weer een lustrum volgemaakt. En nog steeds toert de maestro (nu 72) onvermoeibaar de planeet rond.

Ton Koopman en zijn vrouw Tini Mathot hebben zich enigszins verslapen. Half negen is het, wanneer ik hen in hun Madrileense hotelkamer wakker bel voor het interview. Dat blijkt overigens geen enkel probleem. Besmuikt geeuwend, met een lege maag en een overvolle agenda, reageert maestro Koopman meteen goedgemutst en uitermate spraakzaam. Ook al staat binnen het uur weer een repetitie gepland.

Johannes Passion

Amper terug van een tournee door Amerika met zijn Amsterdam Baroque Orchestra & Choir, moest hij namelijk alweer naar Madrid, om met het Orquesta y Coro Nacionales de Johannes Passion van Bach uit te voeren. Een werk dat Koopman al ruim honderdmaal dirigeerde, maar waarover hij zich blijft verwonderen. “Hoe Bach met die teksten omgaat, geweldig..! Zelfs een vrijdenker als Martin van Amerongen zei ooit, onder aanhaling van een Duitse filosoof, Hegel meen ik: ‘Zodra ik Bach’s kerkmuziek hoor, word ik tijdelijk christelijk.’ Nou, dat zegt toch wel iets, als muziek dat met iemand kan doen.”
Zelf heeft Koopman wel affiniteit met het gedachtegoed achter het Lijdensverhaal. “Ik ben niet iemand die elke zondag in de kerk zit, maar wel iemand die zich christelijk voelt.”

Zijn jeugdherinneringen aan Zwolle zijn even talrijk als dierbaar. In de loop van zijn nu vijfenvijftigjarige carrière heeft organist, klavecinist en dirigent Ton Koopman steeds met trots zijn stad van herkomst vermeld. Hier betrad hij als kind voor het eerst het gebied waarop hij wereldfaam zou verwerven: de barokmuziek.
Weinig mensen beseffen dat Ton Koopman, na Bernard Haitink, de beroemdste Nederlandse musicus in het buitenland is. Aldus filmmaker Paul Hegeman, wiens documentaire “Ik wil graag honderd worden – Een jaar uit het leven van Ton Koopman” op 18 maart 2012 in première ging. “Elke minuut van de dag benut hij optimaal,” constateerde Hegeman.

Klasje

Die houding lijkt de meester zich in zijn Zwolse jeugd al te hebben verworven. Ja, Ton Koopman doorliep ‘het’ gymnasium, zoals herhaaldelijk op internet vermeld staat. En nee, daarmee wordt nu eens niet het classy Gymnasium Celeanum, maar het Thomas a Kempis Lyceum bedoeld.
“Een grote school met een heel klein gymnasiumklasje: we waren met z’n vijven,” mijmert hij. “Tijdens de les kwam je dus vaak aan beurt. De klassieke talen namen zowat de helft van alle lestijd in beslag. Gelukkig hadden we leraren die prachtig over de oudheid en de Griekse filosofie konden vertellen, en wel zo dat het ons als pubers echt interesseerde.”

Met de muziekdocent, meneer Bot, speelde de jonge Ton veel quatre-mains. Dat diezelfde leraar zich ook met popmuziek bezighield, begreep hij niet. Het was begin jaren zestig, de tijd waarin sterren als de Rolling Stones, de Beach Boys en Bob Dylan aan het firmament schitterden. “Ik had er niks mee. Maar toch hadden we het heel gezellig samen, hoor.”

Kroketten

Met name memoreert hij klasgenoot Jos Houtsma (de latere neerlandicus en auteur, MC). “Jos deed, net als ik, allerlei kunstzinnige dingen buiten de school om. In de klas had hij zijn proefwerken Latijn altijd zó af en ging dan voor zichzelf Dante uit het Italiaans zitten vertalen. Als de leraar daarachter kwam, kreeg ie een nul voor zijn proefwerk.”
Achteraf ziet Koopman deze eigenzinnige jeugdvriend als een inspirator, zeker waar het literaire en historische kennis betrof. Samen struinden ze de stad af om hun eeuwige leeshonger te stillen. Bijvoorbeeld tegenover de Bethlehemkerk: “Daar had je een klein winkeltje waar ze oude boeken verkochten.  Met ernaast een krokettenautomatiek. En dan zaten we – waarschijnlijk met vette vingers van de kroketten – hele middagen in dat winkeltje op de vloer, om torenhoge stapels boeken van boven naar beneden door te werken. Daar heb ik bijvoorbeeld mijn eerste Molière gekocht… Ja, dat was een leuke tijd.”

Met handen en voeten

Volop aandacht voor cultuurhistorie dus. Toch was de onblusbare hartstocht voor oude muziek al eerder gewekt. “Als jongetje zong ik de altpartij in het koor van de Sint Michaëlskerk, die toen nog in de Roggestraat stond. Daar zag ik tot mijn verbazing hoe de organist, meneer Sikkens, warempel met handen én voeten kon spelen..! En zo kwam ik in contact met de renaissance en barok, stijlen die binnen de kerk altijd in zwang zijn gebleven. Ik merkte meteen dat die harmonische wereld heel dicht bij de mijne lag.”
Hij herinnert zich hoe hij telkens aan zijn vader vroeg of die alsjeblieft met hem naar het museum op de Melkmarkt wilde gaan..? “Want daar mocht je als kind niet alleen naartoe. En ik wou graag in die stijlkamers rondkijken, naar al die oude meubels en schilderijen. Ik hou van alles wat oud is, nog steeds. Ook van dingen die ouder zijn dan de barokmuziek. De prachtige vazen uit de Griekse oudheid, de schilderkunst uit de dertiende, veertiende eeuw, noem maar op.”

Gustav Leonhardt

Werd hij als 11-jarig jochie organist bij ‘de Fraters’ aan de Van Roijensingel, waarvoor hij elke maand een boek kreeg, als 14-jarige verdiende hij veertig gulden per maand als organist in Almelo. Ook dat geld ging goeddeels op aan lectuur: “In de katholieke bibliotheek op de Melkmarkt – tja, als katholiek mocht je nou eenmaal niet naar de openbare bibliotheek – kocht ik voor een paar dubbeltjes vaak ‘afgeschreven’ boeken.”

Maar het was de Zwolse discotheek annex muziekbibliotheek, toen nog in de Sassenstraat gevestigd, waar men hem op het spoor zette richting het Sweelinck Conservatorium, tegenwoordig Conservatorium van Amsterdam. “Als ik lp’s kwam lenen, bleef ik meestal nog een poos kletsen met die mensen daar. Van hen kreeg ik ook te horen: ‘Joh, als jij zo graag barokmuziek wilt doen, moet je bij Gustav Leonhardt gaan studeren!’ En dat heb ik gedaan.”

‘Linkse hobby’

De rest is geschiedenis: alle internationale onderscheidingen, zijn Amsterdam Baroque Orchestra & Choir, de wereldwijde concertreizen, zijn huwelijk met klaveciniste Tini Mathot en hun innige samenwerking.
Op het moment dat  ik hem spreek, zijn de cultuurbezuinigingen van Halbe Zijlstra nog steeds pijnpunt dat dicht aan de oppervlakte ligt. En Koopman wil daar best iets over kwijt: “Ik vind het absoluut verdrietig dat politieke partijen, die zich vroeger achter de klassieke muziek schaarden, diezelfde muziek nu een ‘linkse hobby’ noemen. Terwijl veel liefhebbers van klassieke muziek zichzelf niet eens als links ervaren. Bedroevend ook, dat kleinere musea het zo moeilijk krijgen. Dan kun je als regering toch niet meer uitleggen waarom je wel voor miljárden aan verschrikkelijke vliegtuigen koopt? Schandalig dat dit gebeurt in zo’n rijk land!”

In zijn jubileumjaar 2012 toerden  Ton Koopman en zijn Amsterdam Baroque Orchestra rond met het programma ‘Buxtehude de Vernieuwer’. Een eerherstel van de zeventiende eeuwse Deens/Duitse componist Dieterich Buxtehude, van wie de jonge Bach een vurig bewonderaar was, maar die later meewarig als een ‘kleine meester’ terzijde werd geschoven.
“Eind negentiende eeuw werd in Duitsland – dat qua muziekwetenschappen toonaangevend was in die tijd – besloten dat er grote en kleine meesters waren,” legt Koopman uit. “Dat had men blijkbaar nodig: een paar grote reuzen en die dan afzetten tegen de kleintjes. Toen zijn mensen als Bach en Schütz bij de ‘Grossmeister’ ingedeeld en Buxtehude bij de ‘Kleinmeister’. Met als gevolg dat zijn muziek minder werd uitgevoerd. Maar gelukkig zie je mensen later toch nieuwsgierig worden naar die Kleinmeister, zodat ze vanzelf weer in the picture komen. Ikzelf heb altijd veel van Buxtehude gehouden. Mijn droom was om, na alle Bachcantates, ook zíjn oeuvre compleet op te nemen.”

Dat immense, in 2005 gestarte project van Buxtehudes ‘Opera Omnia’ (Alle Werken), oogstte lovende recensies: “Aanstekelijk plezier in musiceren is een kenmerk van alles wat Ton Koopman en zijn medemusici (…) doen,” zo schreef muziekmagazine Luister.

Koopman: “Tja, de barok is gewoon altijd mijn muziek geweest. Natuurlijk heb ik op het conservatorium wel alle stijlen gespeeld. Maar de muziek van de negentiende eeuw zegt mij weinig; vooral Mahler en Bruckner zijn nooit echt mijn componisten geworden. Pas nu begin ik Beethoven een beetje te ontdekken… En de moderne muziek doet me niks.” Grinnikend: “Vroeger zou je dat niet eens mogen denken, maar ’t kan me nou niet meer schelen. Ik zeg het gewoon hardop.”

Biografische info:

Ton Koopman (Zwolle, 1944) studeerde orgel, klavecimbel en muziekwetenschap in Amsterdam. In 1979 richtte hij het Amsterdam Baroque Orchestra (ABO) op, in 1992 kwam daar het Amsterdam Baroque Choir bij. Vele internationale onderscheidingen vielen Koopman ten deel. Verder wordt hij geroemd om ‘mammoet-projecten’: de opnamen van alle Bach-cantates (1994-2004) en Buxtehude’s complete oeuvre (2005-2011).
Sinds 2006 is hij hoogleraar aan de Universiteit van Leiden, waar hij colleges geeft over interpretatie van oude muziek.
Ton Koopman is pleitbezorger van de ‘authentieke uitvoeringspraktijk’ die de oorspronkelijke versie zo dicht mogelijk wil benaderen, zowel door de geschiedkundig onderzoek als door gebruik van oude instrumenten of nauwgezette kopieën daarvan.
Meer info: www.tonkoopman.nl

(Dit artikel verscheen in maart 2012 in de Stentor)

Mijn gekozen waardering € -