Een-na-laatste worden in de Nederlandse competitie, maar vervolgens wel Europa ingaan. Het Fair Play-klassement van de UEFA maakt het onmogelijke mogelijk voor Go Ahead Eagles, dat een ticket cadeau krijgt voor de eerste voorronde van de Europa League. Maar hoe serieus moeten we het systeem van dit klassement nemen? Sterker nog, is ‘fair play’ op het voetbalveld eigenlijk wel meetbaar?

STEUN RO

Go Ahead Eagles eindigde na een zeer tegenvallend seizoen op de zeventiende plek op de ranglijst van de Eredivisie, alleen hekkensluiter FC Dordrecht liet het achter zich. De arenden uit Deventer lieten het op de belangrijke momenten afweten, vooral in de slotfase van de competitie. Van de laatste dertien duels wist de ploeg er welgeteld een te winnen. In die wedstrijden moest het bovendien twintig tegentreffers te incasseren.  

De doelstelling voor een club als Go Ahead, met een lage begroting en opvallend goede prestaties van concurrenten, is vrijwel altijd handhaven. Een nieuw seizoen op het hoogste niveau veiligstellen zodat de inkomsten voldoende blijven en de trouwe supporters trots kunnen zijn op hun helden aan de IJssel. Dat is niet gelukt. De Eagles zijn, na de dubbele ontmoeting met een sterker De Graafschap (1-0 en 0-1), gekelderd naar de Jupiler League.

Het nieuws dat Go Ahead ondanks dreigend degradatiegevaar Europa ingaat kwam dan ook als een totale verrassing. Doordat het tweede werd in het Fair Play-klassement van de UEFA en koploper FC Twente wegens financiële problemen moest afzeggen, ging het ticket voor de eerste voorronde naar Deventer. En daar stond zowel de club als de trouwe aanhang natuurlijk te springen om zo’n unieke mogelijkheid. Een droom voor de Eagles, die doorstroming naar de groepsfase van de Europa League nu geheel ‘in eigen hand’ hebben. Ook al krijg je het als nummer 17 van de Nederlandse competitie tegen elke buitenlandse ploeg loodzwaar; er is een kans.

Maar de vraag is hoe serieus we dit zogenaamde Fair Play-klassement eigenlijk moeten nemen. De UEFA beoordeelt Europese profclubs via verschillende aandachtspunten:
– aantal gele en rode kaarten
– respect voor de tegenstander (zoals de bal terugspelen naar de tegenstander bij een scheidsrechtersbal of een inworp)
– respect voor de scheidsrechter
– het gedrag van de technische staf (van trainer tot fysio)
– het gedrag van de supporters
– positief spel (wat dat ook mag betekenen)
*per punt wordt een score van 1 tot 5 of 1 tot 10 toegekend

Een voor een zijn deze punten vaag en sommige zelfs nietszeggend. Ben je geen ‘eerlijke speler’ als je in een wedstrijd geel krijgt? Dat is het eerste wat ik me als (amateur)voetballer meteen afvraag. Rood is vaak teken van een grens die overschreden is, over het algemeen zegt zo’n kaart wel degelijk iets over het spel van een bepaalde ploeg. Maar soms ben je als voetballer een keer te laat, ook al heb je geen intentie om de tegenstander te raken. Dan is een gele prent terecht, maar maakt dat mij dan automatisch een minder eerlijke voetballer? Als sporter wil je altijd winnen. Dat heeft niets te maken met haat of respectloos gedrag tegenover de tegenpartij. Handje schudden en excuses maken; wat is er mis met een gele kaart?

Daarnaast beoordeelt iedere scheidsrechter wedstrijdsituaties op zijn of haar eigen manier. De een straalt het liefst autoriteit uit en geeft snel een kaart, de ander laat zoveel mogelijk doorspelen. ‘Respect voor de tegenstander en de scheidsrechter’ kun je in mijn ogen onmogelijk meten. Het accepteren van een overtreding of een ander besluit van de arbitrage ziet er in eerste instantie netjes uit, maar wie zegt dat een speler even later niet een vies elleboogje in de rug geeft of nog even een paar woorden wisselt met de tegenstander over diens moeder? En is het fair dat een club als Feyenoord, met een kleine groep raddraaiers en een nog veel grotere groep fantastische supporters, volstrekt kansloos is om in dit klassement hoog te eindigen door een paar reizende hooligans met een stadionverbod? Om over het punt ‘positief spel’ – dat mij echt helemaal níets zegt – maar te zwijgen.  

Fair Play klinkt correct en begrijpelijk. Het idee ís ook goed: respect hebben voor de tegenstander, en daarmee ook een bepaald beeld creëren voor de pupillen die als kleine fans vrijwel alle trekjes en gebaartjes overnemen van hun grote helden. Maar punten geven voor situaties die half meetbaar zijn en op het desbetreffende veld totaal anders lijken dan voor het blote oog, valt als voetballer niet helemaal serieus te nemen. De UEFA zou clubs bijvoorbeeld ook kunnen beoordelen op bijzondere activiteiten, bijdrage aan goede doelen of speciale (jeugd)opleidingen.

Het Fair Play-klassement ziet er momenteel echter anders uit. Zolang je als speler tijdens de wedstrijd geen kaart pakt en een paar keer flink glimlacht naar de scheidsrechter, mag je jezelf kronen tot ‘fair play-koning’ van het voetbal. En dat je dan net een gele kaart pakt, tja, dan had je je maar moeten inhouden. Daar ben je immers sporter voor.