In 1990 reisde ik voor het eerst naar Brazilië. Ik overleefde in de Amazonejungle een aanval van bijen, had in het waterland van Ilha de Marajó een koortsdelirium, werd met een eenmotorig vliegtuigje in de bush opgepikt en naar een ziekenhuis gevlogen en danste in Salvador, Bahia met de drummers van Olodum. Brazilië bleek behoorlijk rock & roll. Vier jaar later verruilde ik de redactiestoel bij OOR voor een hangmat in de Amazone in het noorden van Brazilië.

STEUN RO

Een hangmat in de Amazone (6)

We zijn in twee weken met de Veleiro del Amazonia vanuit Manaus de Rio Solimões stroomopwaarts gevaren. We willen naar het grensgebied met Peru en Colombia, om Pedro Inácio Pinheiro te bezoeken, de cacique geral (‘algemene kapitein’) van de Tikuna, met ruim 35.000 leden het grootste inheemse volk van Brazilië.

De Tikuna wonen verspreid over de bovenloop van de Rio Solimões in het noordwestelijke Amazonegebied. In Brazilië strekt hun grondgebied zich uit van de grens met Peru en Colombia, 400 kilometer stroomafwaarts over de Alto Solimões tot aan de rivier de Auatí-Paraná. Er bestaan een paar gemeenschappen in Peru en Colombia waar naar schatting enkele duizenden Tikuna wonen. De overgrote meerderheid woont echter in Brazilië.
Sinds de tweede helft van de zeventiende eeuw onderhielden de Tikuna regelmatig contact met de blanken. Spaanse en Portugese missionarissen brachten de Tikuna en hun buurvolkeren samen in missieposten en velen werden tot het christendom bekeerd. Later werden de missieposten overgedragen aan de burgerlijke autoriteiten en tot kolonistenstadjes omgevormd. De kolonisten gebruikten de inheemsen als goedkope werkkrachten. De rubberboom in de tweede helft van de negentiende eeuw luidde voor de Tikuna een zwarte periode in van slavernij en uitbuiting door de plaatselijke rubberbaronnen.

Ook al kwam het rubbertijdperk in het begin van de twintigste eeuw tot een eind, voor de Tikuna veranderde er weinig. Zij bleven in de greep van de lokale blanke boeren. Een situatie die in de jaren zeventig nog verergerde met de komst van de messianistische geloofsprediker José Francisco da Cruz. Pas na diens dood in 1984 konden de Tikuna zich bevrijden van de religieuze onderwerping vanuit het christendom en opnieuw voluit hun eigen traditionele leefwijzen en religieuze praktijken beleven.
In deze etnische heropleving heeft Pedro Inácio Pinheiro een belangrijke en centrale rol gespeeld. De herontdekking van de oude tradities heeft de Tikuna tegelijkertijd de moed gegeven om te strijden voor het behoud van hun cultuur. Hun nieuwe etnische bewustzijn wordt dan ook gekoppeld aan een politieke strijd, gericht op zelfbeschikkingsrecht en de officiële afbakening van een eigen grondgebied. Daartoe richtte men de ‘Algemene Raad van het Tikuna-volk’ op om de gemeenschappelijke belangen van de zeer verspreid levende leden te verdedigen. Verder organiseren zij hun eigen onderwijs en hebben zij een onderzoek- en documentatiecentrum annex museum opgericht, het Centro Magüta* in Benjamin Constant, een klein stadje aan de grens met Colombia.

In het Tikuna dorp Vendaval aangekomen, langs de Igarapé Preto (een zijrivier van de Alto Solimões), treffen we Pedro Inácio Pinheiro – of Ngematücü, zoals zijn Tikuna-naam luidt – niet thuis. Hij is in een dorp verderop, wordt verteld, in Nova Jerusalem. Daar woont hij een festa da moça nova bij, een vruchtbaarheidsfeest waarbij jonge meisjes worden geïnitieerd. Omdat dit dagen kan duren, hebben wij een probleem. Zonder toestemming van de kapitein kunnen wij ons namelijk niet vrij in het gebied bewegen.

Onzeker hangen we ‘s avonds onze hangmatten op. Op de oever boven de boot staan mannen, vrouwen en kinderen. Ze kijken, de meesten met stille gezichten. Een klein jongetje begint te huilen en verbergt zich angstig achter een vrouw in een witte, gescheurde jurk.
In 1988 heeft de Braziliaanse regering meer dan een miljoen hectaren tot hun land verklaard. Houtkappers die uit het gebied weg moesten, zijn toen met geweren gekomen. Ze vermoordden veertien mensen in het dorp, waaronder vijf kinderen, en gooiden hun lichamen in de rivier.
Naast de boot klinkt een plons. Het kan een dolfijn zijn maar ook een steen die vanuit het donker wordt gegooid. In het dorp branden onder afdakjes kleine vuren. Honden blaffen. Ergens speelt een radio. Dan wordt het stil, op het ritselen na van de kakkerlakken die op het licht van onze lantaarn zijn komen aanvliegen. Onder het net dat over mijn hangmat is uitgespreid tegen de carapanas, de beruchte malaria‑muggen, is het broeierig warm, maar toch, als ik eindelijk in slaap val, droom ik dat ik het koud heb. Ik zit in een open vliegtuigje en de piloot stuurt de machine omhoog en omlaag. We scheren laag over met water gevulde straten en kanalen. Beneden heft een priester ‑ een pater in een witte jurk ‑ zijn gevouwen handen in gebed omhoog, als om een plaag af te wenden. Het vliegtuigje schudt en beeft. Ik schrik wakker. Mijn hangmat slingert heen en weer. Lichtflitsen zetten de omgeving in een spookachtig licht. Het water in de rivier kolkt. We sjorren zo goed en zo kwaad als mogelijk de dekzeilen vast en verleggen de boot naar een plek waar de storm er minder vat op heeft.

De volgende morgen is alles weer rustig. De zon werpt een oranje schijnsel op de oever aan de overkant van het water. Kleine boomkano’s varen langs. In de bomen voorbij het dorp brullen apen de dag tegemoet. Voor op de boot zit een jonge man. Hij heet Hildo en is getrouwd met een dochter van Pedro Inácio. Hildo zegt dat hij ons wel naar Nova Jerusalem wil brengen. Wij nemen het aanbod aan. Als ik ingezeept in het slijkgele water van de Solimões wil springen, zoals ik al weken doe wanneer ik me wil wassen, houdt Hildo me tegen. Hij wijst. Tussen het hoge gras aan de oever dobbert een platte, geplooide kop. Een kaaiman en niet zo’n kleintje. Geen bad vandaag. Ik schep met een pannetje water uit de rivier en spoel me af. Bij het scheren rukt het mesje samen met de haren stukjes huid mee en er ontstaan kleine bloedmeertjes op mijn gezicht. Zwarte bijtvliegen brommen gulzig rond mijn hoofd. Hildo bevestigt een buitenboordmotor aan de kano. Een pruttelend geluid klinkt. Vogels vliegen schreeuwend op. Enkele meters van de boot laat de kaaiman zijn kop onder water zakken. De andere Tikuna die met ons meegaat en Laio heet, tilt een jerrycan benzine in het bootje. Het begint te regenen. We hullen ons in plastic poncho’s. Ze hangen van onze schouders als de kazuifels van de missionarissen die hier het koninkrijk Gods predikten. Een groep bontgekleurde ara’s vliegt over. Het schelle geluid van hun kwetterende conversatie is nog hoorbaar als we al lang op weg zijn, het oerwoud in.

Alleen en op ons zelf aangewezen zouden we zeker verdwalen in het labyrint van lussen en haarspeldbochten en daarachter steeds weer nieuwe stroompjes en kreken. De Tikuna zijn onze draad met de buitenwereld. Om de boot fladderen fluorescerend blauw, handgrote vlinders. Boven ons steken papegaaien en toekans de rivier over en soms is er de schaduw van een havik. Na anderhalf uur varen stoppen we bij een kleine nederzetting. We stappen uit. De tocht door het regenwoud gaat verder te voet en dwars door een gebied dat door hevige regenval in een zompig moeras is veranderd. Terwijl voor mij uit de Tikuna soepel blootsvoets gaan, struikel ik over boomwortels en lianen. De geulen waar we doorheen lopen, lijken ook snel dieper te worden. Na een kwartier al plons ik tot aan mijn knieën door het troebele water.

Het pad dat Hildo en Laio aangeven, voert met regelmaat over spekgladde boomstammetjes die als brug over de modderpoelen zijn gelegd. De eerste keer dat ik op deze wijze oversteek glijden de rubber zolen van mijn laarzen weg. Ik val omlaag in de blubber. Zonder te kijken grijp ik een tak om me op te trekken, weg van de zuigende kracht. Een vlammende pijn schiet door mijn hand. Vuurmieren! Ik roep de anderen. Hildo komt terug en helpt me omhoog. De opnamerecorder die ik bij me heb, heeft het waarschijnlijk niet overleefd. Het water loopt er drabbig bruin uit. Mijn camera, die goed is verpakt, doet het gelukkig nog wel. Voor foto’s is echter geen tijd. Het is opgehouden met regenen en daarmee is voor de slangen in het bos het moment aangebroken, nu de natuur nadruipt van haar hemelse bewassing, om op zoek te gaan naar prooi. Mijn armen en gezicht zijn gezwollen door de vele muggenbeten en ik bloed uit enkele verwondingen. Ik ben moe en wil rusten, maar Hildo gebaart dat we er bijna zijn. Terwijl ik de zoveelste, met een laag vette, gele modder bedekte heuvel probeer op te komen, meer kruipend dan iets anders en me vasthoudend aan graspollen en struiken om niet terug te glijden, klinken in de verte trommels. Een half uur later, na uren klauteren en klimmen, stappen we, totaal doorweekt en onder de modder, tussen de bomen vandaan in het licht. Duizenden vierkante kilometers regenwoud, in alle mogelijke kleuren groen en zover als we maar kunnen kijken, strekken zich voor ons uit.

We bevinden ons midden in een maniok‑aanplant. In het dal beneden staan hutten van ruw getimmerd hout en met daken van palmbladeren. De lucht is gevuld met het geluid van trommelritmes. In het dorp heeft men onze komst bemerkt en er komt een stoet mensen ‑ mannen en kinderen ‑ de heuvel op. Hun gezichten, waarin puntige tanden blikkeren, als bij een piranha, zijn beschilderd met tekens van dieren. Deze geven aan tot welke familie de dragers ervan horen. Sommigen hebben flessen bij zich, waaruit ze een dikke, gelige drank drinken en anderen slaan op trommels. Hildo legt uit wie wij zijn en dat we Pedro Inácio zoeken. Een van de mannen, het opperhoofd van het dorp, gebaart dat we mee moeten komen. We glibberen achter hem aan langs het drassige pad omlaag. Beneden aangekomen worden we, terwijl er van alle kanten aan ons wordt getrokken door mensen die ons met een mengeling van nieuwsgierigheid en argwaan aankijken, naar een kleine man met grijs haar gebracht. Deze heeft eveneens een trommel in zijn handen en kijkt door de drank bevangen ietwat lodderig uit zijn ogen: Pedro Inácio. Hildo praat met zijn schoonvader in een taal die ik niet versta. De cacique knikt, en geeft een klopje op mijn rug. We zijn welkom, en op tijd voor een van de hoogtepunten van het feest.

Bij een festa da moça nova is het de gewoonte dat voor het begin van de feestelijkheden in de centrale gemeenschapshut een apart hokje wordt gemaakt, waarin het betreffende meisje samen met familieleden wordt ondergebracht. Deze ruimte stelt de ‘baarmoeder’ voor waaruit de in te wijden persoon verlost zal worden. Op het moment dat wij arriveren wordt de jonge maagd naar buiten gehaald en beschilderd met urucu en jenipap, rode en zwarte kleurstoffen die uit vruchtensappen zijn vervaardigd, en met veren versierd. Er wordt muziek gemaakt op kleine trommels en bamboefluiten en er wordt gezongen. Grote groepen mensen trekken in een voortdurende rondedans door het dorp. Iemand grijpt me met een hand als een klauw in mijn nek en ik kijk in de dronkemansgrijns van een beschilderd gezicht. In zijn mond ontbreken alle voortanden, met uitzondering van twee vlijmscherp gevijlde hoektanden. Hij stompt me in mijn buik en tegen mijn borst en ik val over een man die midden in een plas braaksel bewusteloos op de grond ligt. Pedro Inácio, die het gebeuren heeft gezien, sist de aanvaller toe en deze druipt met een vuile blik af. Er wordt een kalebas in mijn handen geduwd, met daarin de gelige vloeistof die ik eerder bij Pedro Inácio Pinheiro heb gezien en die hoogstwaarschijnlijk de oorzaak is van de dronkenschap die steeds meer feestvierders in zijn greep lijkt te krijgen. Pajuaru is de drank die bereid wordt door maniokbloem te roosteren. Deze wordt vervolgens door de vrouwen van het dorp gekauwd en met speeksel vermengd enige tijd opgeslagen om te fermenteren. Erg smakelijk ziet het er niet uit, maar ik zet de kom aan mijn mond. Het smaakt een beetje naar een soort dunne, friszure bloempap. Meer, gebaart de klauw die terug is gekomen. Hij knijpt vals in mijn bovenarm. Ik neem nog een slok. En nog een.

Intussen is het plukken van het hoofdhaar van de moça nova begonnen. Dat gebeurt tegenwoordig in sommige dorpen met de schaar. Hier hanteert men echter nog de traditionele methode. Het meisje wordt in een kring gezet waarna vele handen het haar, op een kleine tres na, met kleine bosjes uittrekken, als een soort voorbereiding op de pijnen die leven en moederschap voor haar in petto hebben. Vervolgens wordt het meisje onder tromgeroffel en gezang het dorp rondgeleid. Er verschijnen mannen in boombasten kostuums, sommigen met een grote houten penis tussen de benen. Dit zijn de demonen die het vruchtbare meisje moesten roven om zo te verhinderen dat er nieuw leven kan ontstaan en het is de taak van de dorpsbewoners om de aanval af te slaan, omdat de stam anders zal uitsterven. Heen en weer golft de dansende menigte en steeds heftiger wordt het slaan op de trommels.

‘Geef me geld. Ik wil dat je me geld geeft, vijftig reaïs’, zeurt de klauw. Hij leunt zwaar tegen me aan, een arm als een bankschroef om mijn schouders geklemd. Terwijl de zon in een vlammend rood‑roze licht ondergaat en het dorp in een warme gloed zet, vraag ik mij af of het wel verstandig is om hier te blijven overnachten, zoals de bedoeling was. Het hele dorp is dronken en hoewel bijna niemand vervelend of afwijzend op onze aanwezigheid reageert, is er maar weinig voor nodig, denk ik, om de situatie te doen omslaan. De moordaanslagen op de stam door blanke houtkappers en grootgrondbezitters liggen nog vers in het geheugen. Als dan ook Pedro Inácio laat weten het liefst vanavond nog naar Vendaval te gaan, is het besluit snel genomen. We gaan terug, maar langs een andere route, volgens Hildo een die gemakkelijker is dan die we heen zijn gekomen. Hij stuurt Laio vooruit, om te zorgen dat er aan het eind een kano klaar ligt.

We nemen afscheid en vertrekken, onze groep uitgebreid met Pedro Inácio en Gracila, zijn vrouw. Een van de twee zaklantaarns die we bij ons hebben, blijkt niet te functioneren en de ander doet het maar matig. Gelukkig is het volle maan. Het pad daalt eerst, maar begint daarna weer licht te klimmen. We lopen over modderige sporen die onder water staan en waar overheen als een soort loopbrug dunne boomstammetjes zijn gelegd, steeds twee naast elkaar maar vaak ongelijk van dikte. Met mijn voeten tastend schuifel ik in het donker vooruit. Na zo een paar honderd meter te hebben afgelegd, voel ik de houten palen onder mij wegrollen en ik val naast het pad, mijn vingers opengereten door doornen. Ik vloek. ‘Een gemakkelijke route’, had Hildo gezegd. Achter mij glijdt ook Pedro Inácio uit. Dat belooft weinig goeds. Ook een dronken indiaan vindt met gemak zijn weg door het woud, is de algemene opvatting. Als hij dus valt, is er iets goed mis. De cacique krabbelt overeind en we lopen weer verder. Tot de volgende boombrug opdoemt ‑ ongeveer twaalf meter lang, vol schimmels en nat van de regen, die weer gestaag valt. Hoe diep het gat eronder is, kan ik in het donker niet zien.

Soms zijn we elkaar kwijt en klinken onze stemmen echoënd tussen de bomen. Soms ook lijken we in kringetjes te gaan en lopen de voorsten ineens achteraan. Het is meer dan twee uur na ons vertrek uit Nova Jerusalem en na middernacht als we de plek bereiken waar Laio met de gemotoriseerde kano wacht. We zijn er allemaal. Alleen Gracila ontbreekt. Niemand die zich daar echter druk over maakt. Zijn schoonmoeder heeft gewoon een andere weg genomen, meent Hildo. Die komt wel thuis, zegt hij en stoot af. We hebben zo’n twintig meter gepeddeld, als er vanuit het struikgewas naar ons wordt geroepen. Het is Gracila.

Laio had aangegeven dat het erg lastig was geweest om de grote kano van de Veleiro del Amazonia hierheen te krijgen en nu we met z’n allen in het ding zitten, kan het alleen maar moeilijker worden. Snel wordt duidelijk wat hij bedoelt. De komende uren klimmen we met kano en al over ontelbare bomen, zijn we ondanks de Tikuna regelmatig de weg kwijt en doet Pedro Inácio een dutje, warm weggedoken in de wijde rok van zijn vrouw, waaruit hij echter evenzo gemakkelijk opstaat en in het water plonst om mee te helpen de boot over de zoveelste dwarsliggende boomkruin heen te sjorren. Om ons heen in de várzea ritselt het, kraken takken en klinkt gekrijs en geschreeuw. Vuurvliegjes vliegen als kleine lantaarntjes voorbij en tussen de bomen ruisen onzichtbaar vleugels. Soms is de kronkeling van een slang zichtbaar die stil door het water glijdt, alvorens weer in de schaduwen te verdwijnen. Als we voorbijgaan, slaan kaaimannen met hun staarten op het water.

De volgende dag in Vendaval toont Pedro Inácio als een ander dan die ik in Nova Jerusalem heb getroffen. De Tikuna‑kapitein blijkt een beminnelijke persoon met een heldere blik in zijn ogen. Hij doet me zowel aan Mahatma Gandhi (‘Vroeger waren de Tikuna krijgers, nu vechten we met woorden’) als aan Nelson Mandela denken.
We wandelen door zijn dorp (1300 inwoners). Hij wijst de (ongebruikte) kerk aan, twee scholen en vijf (!) voetbalvelden, de laatste allemaal in gebruik. Voetbal is hier net zo populair als in de rest van Brazilië. We kijken naar een wedstrijd tussen twee vrouwenteams. Moeders en dochters hollen samen ‑ sommigen met schoenen maar de meesten zonder ‑ fanatiek achter de bal aan.

Als het donker wordt en muskietentijd gaan we met Laio en Osvaldo, een quilombolo** die in het dorp woont en min of meer als Pedro’s rechterhand functioneert, naar Santa Rita, een uur varen van Vendaval. We horen al van ver muziek over het water klinken. Een stem, metalig vervormd door een versterker, roept getallen. Het is bingo in het kerkje van Santa Rita. Binnen zit een handjevol mensen in de kerkbanken. De wanden zijn met sprinkhanen bedekt, grillig gevormde asgrijze insecten. Op het kleine plein buiten wordt gedanst.
In een schemerige bar staat een televisie. Buiten voor het raam verdringen zich rijen mensen. Allemaal willen ze iets zien van het flikkerende soapspektakel. Bier is er niet. We drinken Dom Bosco‑wijn, mierzoet en met een katholieke heilige op het etiket van de fles.

De inheemse bewoners van de Amazone worden wel de wachters van het regenwoud genoemd. Hun ‘eenheid met de natuur’ wordt vaak geroemd. De Tikuna in Vendaval houden papegaaien, apen, aalscholvers en andere beesten als huisdieren. Vaak zijn ze met een stuk touw om een van hun poten aan de woningen vastgebonden. Kinderen die over onze boot klimmen, vangen met een schepnet jonge meervallen. Ze spelen met de vissen, binden ze met hun snorharen aan elkaar vast en gooien ze dan weer in het water. Ik protesteer maar mijn stem klinkt vooral westers moraliserend.

Hij is in Europa geweest, zegt Pedro tijdens de afscheidsmaaltijd. Hij was in zo’n twintig landen en overal vroegen ze hem naar het platbranden van het regenwoud. Begrijpen die mensen dan niet dat ze de grond moeten ‘schoonmaken’ voor hun maniokvelden? Westerse milieu‑organisaties zijn vaak veel meer geïnteresseerd in apen dan in mensen, meent hij. En hoe denk ik over zendelingen die hun geloof er door willen drukken en zo de inheemse volken van hun eigen cultuur vervreemden?
Als we wegvaren zit hij op zijn hurken langs de kant, naast hem vooral kinderen en vrouwen, velen met een baby op de heup of aan de borst. ‘Heb je een fotorolletje voor me?’

Onrust in het Amazonewoud

Jaren later – het is de zomer van 2000 – ben ik in een ander Tikuna dorp. En weer klinken de trommels. Toch is de situatie anders. Enepü (‘mierennest’) is een kleine gemeenschap diep in het tropisch regenwoud, waar Pedro Inácio en zijn familie zich hebben teruggetrokken, weg van Vendaval, weg van een groot deel van de andere Tikuna, hoewel hij nog altijd de algemene kapitein is. ‘Om problemen te vermijden’, verklaart Pedro Inácio zelf desgevraagd zijn verhuizing.
Nu waren er altijd al problemen binnen de Tikuna gemeenschap. De oorzaak daarvan ligt in beginsel vaak buiten de stam. Zo zijn in het gebied bijvoorbeeld antropologen actief die zich met de geschiedenis en cultuur van de Tikuna bezighouden en ieder van hen heeft zich een eigen aanhang binnen de inheemse gemeenschap verworven. Dit leidt vaak tot ruzies, zoals bijvoorbeeld over het te voeren beleid van de Algemene Raad, de koers van de scholen en de toekomst van het Centro Magüta.
Het moet gezegd dat Pedro Inácio Pinheiro daarin een weinig neutrale rol speelt, zoals zijn betrokkenheid bij het uit zijn ambt zetten van de beheerder en oprichter van het Centro Magüta enkele jaren terug aantoont. Deze beheerder, Constantino Ramos Lópes geheten, was eind 1996 nog samen met Pedro Inácio Pinheiro en diens vrouw Gracila te gast in Amsterdam, ter gelegenheid van de grote Amazonia tentoonstelling in het Tropenmuseum, waarbij de Tikuna en hun cultuur centraal stonden. Het trio bracht bij die gelegenheid ook een bezoek aan de ontwikkelingsorganisatie ICCO, om er financiële hulp te vragen.
Toen Pedro Inácio terugkwam in Brazilië, in zijn dorp Vendaval, en niets bij zich had, werd hij ervan beschuldigd alle buitenlandse hulp louter voor eigen voordeel aan te wenden. Tevens werd hem en zijn familie verweten dat ze alle door de Braziliaanse overheid betaalde baantjes in de gemeenschap – onderwijzer, gezondheidsagent, voorzitster van de vrouwenvereniging – naar zich toe trokken.
Uiteindelijk werd Inácio tijdens een burenruzie neergestoken en belandde hij in het ziekenhuis. Na zijn herstel vertrok de cacique met zijn familie uit Vendaval en vestigde zich aan de andere kant van de rivier, ver weg in het oerwoud.

Met Constantino Ramos Lópes ging het na zijn bezoek aan Nederland evenmin goed. Zo was er de ruzie over Centro Magüta. Niet duidelijk was van wie het gebouw in Benjamin Constant en zijn inboedel waren: van de Tikuna zelf of van een externe belangengroep met antropologische connecties. Een vertegenwoordiger van deze laatste groep verving van de ene op de andere dag de sloten van het museum en Constantino stond op straat. Een ander conflict ging over Constantino’s zoon. Zelf bij een Portugees sprekende familie opgevoed – net zoals Pedro Inácio – wilde Lópes dat zijn zoon een tijdje bij pleegouders in Nederland ging wonen en studeren. Maar een antropoloog uit Rio de Janeiro, vriend van Pedro Inácio, stak een stokje voor de plannen. Met als argument, volgens Lópes, dat een inheems kind bij zijn stam hoorde op te groeien.
Lópes stelde zich vervolgens kandidaat voor de gemeenteraad van Benjamin Constant en werd gekozen. Maar in plaats van het als positief te beschouwen dat een Tikuna de actieve politiek inging, werd Lópes door een groot deel van de stamleden als een verrader van de inheemse zaak beschouwd en geëxcommuniceerd.

Er is veel onderling wantrouwen binnen de Tikuna gemeenschap en – zoveel wordt mij wel duidelijk tijdens mijn rondreis van enige weken in het gebied – schuld daaraan heeft vooral ook de introductie van moderne gebruiksartikelen en geld. Waren het vroeger christelijke fanatici die de Tikuna naar hun culturele en religieuze afgrond leidden, tegenwoordig lijkt materiële hebzucht deze rol te hebben overgenomen. Hoewel Pedro Inácio zegt zich in Enepü te hebben teruggetrokken omdat hij daar meer volgens de traditionele en religieuze gebruiken van de stam zou kunnen leven, beschikt zijn familie over voor Tikuna luxe artikelen als een gasfornuis, breedband televisie, satellietschotel, kettingzaag en zelfs een elektronisch keyboard (!). De stroom voor de televisie, die iedere dag aan het eind van de middag aangaat en waarnaar tot diep in de nacht wordt gekeken, komt van een met diesel gestookte generator. De relatieve rijkdom van de familie zet kwaad bloed bij veel andere Tikuna. Die beweren dat sommige leden van de familie zich met drugstransporten bezighouden. Dit wordt door de betrokkenen ontkend. Er lopen weliswaar een aantal belangrijke drugsroutes vanaf de grens met Colombia door Tikuna gebied, maar de familie gebruikt deze naar eigen zeggen alleen om de wachtpost van de Tikuna-vijandige federale politie aan de Rio Solimões te omzeilen. De kritiek gaat twee kanten op. Zo voeren Pedro Inácio en zijn familie zelf een hetze tegen stamleden die ondanks de etnische heropleving christen zijn gebleven. Ook in relatie met de landafbakening wordt er tegen andere Tikuna geageerd. In 1988 heeft de Braziliaanse regering meer dan een miljoen hectaren tot Tikuna-gebied verklaard. Ze hebben nu dan wel hun eigen land, zegt de cacique, maar veel van zijn stamgenoten zijn o zo gemakkelijk over te halen datzelfde land weer voor een habbekrats te verkopen aan blanke grootgrondbezitters.

Al weken voor het eigenlijke initiatieritueel lopen mannen met trommels rondjes in de grote feesthut van Enepü. Urenlang slaan ze een monotoon ritme. Het is de opmaat naar het festa da moça nova. Drie meisjes worden ingewijd in de religieuze gebruiken van de gemeenschap, drie meisjes die op het hoogtepunt van een ritueel dat dagen duurt al het hoofdhaar wordt uitgetrokken, om hen zo voor te bereiden op de strijd van het leven. Ik ben door Pedro Inácio uitgenodigd om het ritueel bij te wonen en te fotograferen voor het Tikuna museum. Maar hoe heel anders is dit feest dan het eerder door mij bijgewoonde ritueel in Nova Jerusalem. En dan heb ik het nog niet eens over het feit dat veel van de traditionele kleurstoffen waarmee vroeger de maskers en instrumenten werden beschilderd, plaats hebben gemaakt voor acrylverf. De stamleden vormen geen eenheid meer; onderwerp van bijna alle gesprekken is geld.
De trommels klinken weliswaar net zo bezwerend als voorheen, maar moeten concurreren met het tot extreme hoogte opgeschroefde volume van de geluidsinstallatie waarover Pedro Inácio’s schoonzoon Hildo in een verderop gelegen huis populaire Braziliaanse popmuziek het oerwoud instuurt. Diezelfde Hildo was jarenlang gezondheidsagent, maar tijdens het feest ontpopt hij zich als drankhandelaar. De cachaça, suikerrietrum, die hij verkoopt wordt door veel Tikuna, waaronder nogal wat tieners, verkozen boven het traditionele maniokbier. Met het alcoholpromillage in het bloed van veel feestgangers neemt ook de agressie toe. Er worden bedreigingen geuit tegen Pedro Inácio, die ervan wordt beschuldigd dat hij de Tikuna verkoopt. Hoeveel heeft de gringo hem betaald, om hier te zijn, wil men weten. Er wordt geduwd, getrokken. Als de zaak uit de hand dreigt te lopen, vraag ik Hildo in te grijpen, om te voorkomen dat zijn schoonvader wordt gemolesteerd. ‘Er vallen wel vaker doden bij een festa da moça nova’, is het laconieke antwoord.

De dag na het festa da moça nova tref ik Pedro Inácio thuis. Hij hangt vermoeid in een hangmat en wil eigenlijk niet praten. Hij schampert wat over de hypocrisie waarmee volgens hem Europeanen hun denkbeelden aan anderen opleggen. Hij had de oude windmolens in Nederland gezien. Waarom worden die niet meer gebruikt? In zijn stem klinkt wrok. Maar hij wordt pas echt kwaad nadat ik op zijn verzoek enkele passages uit een boek van een Duitse journalist, die in 1996 enige tijd in Vendaval doorbracht, heb vertaald, waarin onder andere wordt beweerd dat de Tikuna pasgeboren kinderen van ongehuwde moeders uitstoten en vermoorden.
‘Jullie blanken zijn allemaal hetzelfde. Jullie komen hier als onze vrienden, maar uiteindelijk zijn jullie leugenaars, die er op uit zijn onze cultuur te stelen en daar rijk mee te worden.’

Het is tijd om te vertrekken. Pedro Inácio weigert echter mij door het woud te begeleiden en naar Tabatinga te brengen, acht uur varen over de Amazone, waar het vliegtuig naar Manaus wacht. Ik dreig vast te komen zitten in het woud, en kan geen contact opnemen met de buitenwereld.

Wordt vervolgd…


Enepü: Pedro Inácio Pinheiro wijst zijn kleinzoon het woud

Nawoord
Pedro Inácio Pinheiro werd op 12 februari 1944 als Ngematücü geboren in het Tikuna-gebied Évare I, dat behoort tot de gemeente Tabatinga, aan de grens met Colombia. Hij richtte de ‘Algemene Raad van het Tikuna-volk’ (Conselho Geral da Tribo Tikuna) op en streed voor de demarcatie van inheemse gebieden in een tijd waarin militairen hun invloed binnen de Braziliaanse regering aanwendden om de demarcaties in de grensgebieden tegen te houden. Pedro Inácio Pinheiro werd een landelijk bekend leider toen hij dreigde uit protest tegen verder uitstel van de regularisatie van inheems land van de top van het gebouw van FUNAI, het Braziliaanse bureau voor indianenzaken (Fundação Nacional do Índio; ‘Nationale Stichting voor Indianen’), in Brasilia te springen. Daar werd een bijeenkomst gehouden over de demarcatie van de gebieden van de Tikuna in de regio Alto Solimões, in het westen van de staat Amazonas. Het document werd getekend.
Pedro Inácio Pinheiro overleed op 25 juli 2018 in Fundação Centro de Controle de Oncologia in Manaus en ligt begraven in Vendaval.
Bron: Cimi (Conselho Indigenista Missionário)

Voetnoten
*Leden van het Tikuna-volk noemen zich Magüta. Tikuna is de naam die hen door de de blanken is gegeven.
**Quilombolo: afstammeling van tot slaaf gemaakten

Dit was deel 6 van de serie ‘Een hangmat in de Amazone’. Eerdere delen zijn: (1) Van rock & roll naar een hangmat in de Amazonejungle(2) Een hangmat in de Amazone(3) Caboclos: de natuurlijke wetenschappers van het Amazonewoud, (4) Voetballen met een rat en (5) De muskietenrivier.

Waardeer dit artikel!

Dit artikel las je gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je jouw waardering laten zien door een kleine bijdrage te doen.

Zie hier voor meer informatie!

Mijn gekozen waardering € -
Ex-muziekjournalist. Ruilde in de jaren 90 redactiestoel muziekblad OOR in voor een hangmat in de Amazone.