In het proces tegen Willem Holleeder in de Bunker draait alles om verklaringen van getuigen en over de betrouwbaarheid daarvan. Of je nu gewoon lezer bent, advocaat, officier van justitie of de hoogste rechter: uiteindelijk moet iedereen zelf beslissen wie en wat hij wel of niet gelooft. Voor de rechters een heidense opgave, want de gevolgen zijn ingrijpend. Voor Holleeder maakt dit het verschil tussen vrijspraak en levenslang.

Vanaf dinsdag 5 oktober 2018 wordt kroongetuige Peter La Serpe (53) in de Bunker gehoord. Hij is in het Passageproces, over liquidaties, al uitvoerig ondervraagd, maar daar was Holleeder geen verdachte. La Serpe was samen met de tot levenslang veroordeelde Jesse Remmers betrokken bij de liquidatie van drugs- en vastgoedhandelaar Cees Houtman, op zaterdagavond 2 november 2005, bij diens woning aan de Braakensiekhof in Osdorp. Houtman was die dag jarig: hij was 46 geworden.

De pijn voor Holleeder concentreert zich op drie punten. La Serpe wijst Holleeder aan als een van de opdrachtgevers en zegt dat hij Holleeder zelf drie keer persoonlijk heeft ontmoet. Eén keer bij een bijeenkomst in restaurant Het Arsenaal in Laren, samen met Jesse Remmers en Peter R. de Vries, op 8 november 2004. Eén keer bij een autoverhuurbedrijf in Amsterdam, de dag daarop, om een auto te regelen voor Jesse Remmers. En één keer in de buurt van het Groot Gelderlandplein in Amsterdam, in oktober 2005, tien dagen voor de moord op Houtman. Daar zou Holleeder tegen Jesse Remmers hebben gezegd: “Osdorp eerst.” Met andere woorden: van de personen op het dodenlijstje van Remmers moet Houtman als eerste worden gedaan.

Natuurlijk zijn de aanwezigen bij deze ontmoetingen hierover ondervraagd. De verklaringen van de andere verdachten worden niet erg serieus genomen: die hebben er geen enkel belang bij naar waarheid te verklaren, integendeel. Het komt uiteindelijk neer op de betrouwbaarheid van Holleeder, La Serpe en Peter de Vries.