Niet alleen vrouwen, ook veel mannen worden in het gewelddadige Oost-Congo verkracht. Ze lijden onder stigmatisering en krijgen nauwelijks steun van hulporganisaties. Eenmaal naar Oeganda gevlucht, lopen ze extra gevaar door de pas ingevoerde anti-homowet.

STEUN RO

Kampala – ‘Liever was ik doodgegaan dan dat ik dit had meegemaakt.’ Met lege ogen staart Steven Kighoma voor zich uit. In 2010 ontvoerden soldaten de 29-jarige Congolees en brachten ze hem naar een legerkamp. ‘Eerst moest ik helpen met vertalen maar na een paar dagen bonden ze me in een hutje in gebukte houding aan een paal.’ 

Terwijl Kighoma over zijn hele lichaam trilt en zijn gezicht achter zijn handen verbergt, vertelt hij hoe de soldaten zijn broek omlaag trokken en hem om de beurt verkrachtten. ‘Ik schreeuwde het uit. Het deed zo’n ongelooflijke pijn. En terwijl het bloed langs mijn benen stroomde, lachten de soldaten me uit.’

Ten overstaan van iedereen zijn gehavende anus moeten tonen

Kighoma weet te ontsnappen en vlucht zo snel mogelijk naar buurland Oeganda. Hij blijft bloeden, maar de zwaar getraumatiseerde Congolees durft niemand iets te vertellen. Als na zeven maanden de zweren aan zijn anus te erg worden, verzamelt hij zijn moed en gaat hij naar het ziekenhuis. ‘Jij als man verkracht? Dat is onmogelijk’, reageert de dokter die vervolgens moppert dat vluchtelingen telkens weer iets nieuws verzinnen. 

De dokter wil bewijzen zien en dus moet Kighoma ten overstaan van de arts, verpleegsters, andere patiënten en zelfs toevallige bezoekers zijn broek naar beneden trekken en zijn zwaar gehavende anus tonen. Hij trekt geen gordijn om Kighoma en hemzelf heen. Vol afschuw roept de arts vervolgens dat de Congolees homoseksueel is, iets dat in Oeganda en 39 andere Afrikaanse landen strafbaar is. Als de dokter de politie dreigt te bellen, trekt Kighoma diep beschaamd zijn broek weer omhoog en verdwijnt.

Seksueel geweld tegen mannen is groot probleem

Steven Kighoma is geen uitzondering. Amerikaanse wetenschappers onderzochten in 2010 ruim duizend gezinnen in Oost-Congo, een regio die al jaren door militiegeweld wordt geplaagd. Zij concludeerden dat 24 procent van de mannen er slachtoffer is van een vorm van conflict-gerelateerd seksueel geweld – voornamelijk verkrachting – tegenover 40 procent bij vrouwen. 

‘Seksueel geweld tegen mannen is een groot probleem’, vertelt ook Chris Dolan, directeur van het Refugee Law Project (RLP) in de Oegandese hoofdstad Kampala, die Kighoma uiteindelijk opving. Eind jaren negentig hoorde de Brit voor het eerst over seksueel geweld tegen mannen in conflictgebieden toen hij in Noord-Oeganda onderzoek deed voor zijn proefschrift. Inmiddels leidt hij één van de weinige organisaties die ook mannelijke slachtoffers probeert te helpen. 

Automatische als homoseksueel worden gezien

Veel van de mannelijke slachtoffers durven er met niemand over te praten. ‘Ze zijn bang te worden verstoten’, zegt Onen Ongwech, maatschappelijk werker bij het RLP. ‘Volgens hun cultuur en religie zijn ze een vloek, ze voelen zich beroofd van hun mannelijkheid en in een homofobe samenleving worden ze automatisch gezien als homoseksueel.’ 

Ook misbruikte mannen uit Rwanda, Eritrea en Somalië kloppen aan bij het RLP. Ongwech legt uit dat het in Oost-Afrika nog altijd taboe is om over seks te praten. ‘Zelfs medici weten hierdoor vaak niet dat óók mannen kunnen worden verkracht.’

Een luier vol bloed

Hierdoor lopen de slachtoffers vaak lange tijd getraumatiseerd en zwaar gewond door, zonder enige vorm van hulp. André Lufungola (40) is één van hen. In Oost-Congo namen rebellen hem mee, waarna hij drie maanden lang elke dag door strijders werd verkracht. 

Eenmaal in Oeganda geloofde de politie hem niet. De VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR deed niets, de hulporganisatie Interaid verwees hem door naar het staatsziekenhuis, waar de dokter hem uiteindelijk alleen een pijnstiller gaf. ‘Twee jaar liep ik rond met een luier omdat ik zo bloedde en niemand me wilde helpen’, zegt de verlegen Congolees, naar de grond kijkend. Uiteindelijk raadde iemand hem het RLP aan, dat hem doorverwees naar een privékliniek. Daar is hij direct aan zijn anus geopereerd.

Mishandeld met staven en schroevendraaiers

Mannen worden soms ook op andere manieren seksueel mishandeld, vertelt Ongwech. ‘Staven en schroevendraaiers worden in hun anus gestoken; ze worden gedwongen een gat in een bananenboom te penetreren; ze moeten met hun genitaliën boven een vuur zitten of aan hun penis gebonden stenen voortslepen.’

Hoewel veel cliënten er aanvankelijk niet over willen praten, herkent Ongwech inmiddels bepaalde signalen. ‘Velen willen allereerst niet gaan zitten. Doen ze dit wel, dan gaan ze dikwijls op één bil zitten, ontwijken je blik, klagen over ernstige pijn in hun onderrug en vertellen “door mannen” te zijn gemarteld – in de hoop dat dit signaal wordt opgepikt.’

Dikwijls verlaten door hun vrouw

Het verzwijgen is begrijpelijk, want veel vrouwen die erachter komen dat hun man is verkracht, gaan bij hem weg, vertelt Salome Atim, eveneens maatschappelijk werkster bij het RLP. Mannen mogen volgens de Afrikaanse cultuur niet kwetsbaar zijn, verduidelijkt ze. 

Vrouwen van misbruikte mannen vragen haar: ‘Is dit nog steeds mijn man? Of is het een vrouw? En als hij verkracht kan worden, wie beschermt mij dan?’ Toen één van haar cliënten zijn vrouw had verteld dat hij was verkracht, pakte de echtgenote haar spullen en hun kind en vertrok ze. De volgende dag vroeg de man pillen om zelfmoord mee te plegen. Volgens haar krijgt zo’n 80 procent van de verkrachte mannen zelfmoordneigingen.

Niet genoeg geld voor eten

Het seksuele geweld kan ook grote economische problemen veroorzaken. Zo vindt de 38-jarige Alain Kabenga het moeilijk dat hij niet meer voor zijn familie kan zorgen. ‘Ik zou de sterkste persoon van het gezin moeten zijn en voor brood op de plank moeten zorgen. Maar vaak heb ik niet eens genoeg geld voor eten.’ 

In Oost-Congo was hij priester. Regeringssoldaten namen hem echter te grazen omdat hij een kritische journalist had geholpen. ‘Dagenlang martelden ze me in een leegstaand huis. Vervolgens moest ik mijn kleren uittrekken, bonden ze me omgekeerd zittend op een stoel, staken ze een staaf in mijn anus, waarna ze me verkrachtten’, vertelt Kabenga met afgewende blik. 

In Kampala mag hij van zijn arts geen zware arbeid verrichten, omdat hij anders weer begint te bloeden. ‘Maar dat is het enige werk dat ze in Oeganda door vluchtelingen laten doen’, verzucht hij. Inmiddels wordt hij met zijn vrouw en twee jonge kinderen bijna het huis uitgezet, omdat hij twee maanden huurachterstand heeft.

Meeste hulporganisaties richten zich enkel op vrouwen en kinderen

Als één van de weinige academici doet Lara Stemple van de Universiteit van Californië onderzoek naar verkrachtingen van mannen. Ze beschrijft hoe seksueel geweld tegen mannen werd gebruikt tijdens de conflicten in landen als El Salvador, Iran, Koeweit, voormalig Joegoslavië, de voormalige Sovjet-Unie en Sri Lanka. Bekend voorbeeld is ook de seksuele mishandeling van gevangenen door Amerikaanse soldaten in de Abu Ghraib gevangenis in Irak. 

‘Hoewel het niet om een onbeduidend aantal gevallen gaat, richten de Verenigde Naties en het gros van de hulporganisaties zich nog altijd alleen op vrouwen en kinderen’, stelt Stemple telefonisch vanuit de VS. Slechts 3 procent van de ruim vierduizend op seksueel geweld gerichte hulporganisaties die ze raadpleegde, noemt geweld tegen mannen in de documentatie over hun werk, zo bleek. ‘Het beeld is nog altijd dat vrouwen gelijk staan aan slachtoffer en mannen aan dader.’ Een oorzaak is dat veel hulpverleners niet zijn getraind om de problemen van mannelijke verkrachtingsslachtoffers te herkennen, zegt Stemple.

Donoren eisen dat 80% van geld naar vrouwen gaat

Ook Atim loopt tegen dit probleem op. ‘Als ik bij een donor een subsidieaanvraag indien, is veelal de voorwaarde dat 80 procent van het geld naar vrouwen gaat. Maar wat als 50 procent van mijn cliënten vrouw is en 50 procent man? Moet ik dan 20 procent van de mannen helpen, de rest wegsturen en 30 procent van het geld terugstorten?’

‘Voor de buitenwereld is seksueel geweld nog altijd alleen gericht tegen vrouwen en meisjes’, merkt ook Dolan die eraan toevoegt dat ook tijdens de internationale top tegen seksueel geweld in conflictgebieden eerder deze maand in Londen de focus opnieuw vooral op vrouwen en kinderen lag. 

De RLP-directeur ziet echter kleine verbeteringen. Zo heeft de vluchtelingenorganisatie UNHCR voor het eerst een – door Dolan geschreven – richtlijn gepubliceerd over hoe hulpverleners moeten omgaan met mannelijke slachtoffers van verkrachting. En op initiatief van Zainab Bangura, de speciale VN-gezant voor seksueel geweld, hielden de VN voor het eerst een workshop over dit onderwerp, gericht op beleidsmakers. Die leerden daar onder meer hoezeer verkrachting van mannen fungeert als oorlogswapen en hoe ze mannelijke slachtoffers kunnen herkennen. 

Doodsbang door nieuwe homowet

De mannelijke slachtoffers hebben in Oeganda twee zelfhulpgroepen opgericht met ieder meer dan vijftig leden. ‘Ik heb besloten als activist op te komen voor de rechten van mannelijke verkrachtingsslachtoffers’, vertelt Alain Kabenga. Een toespraak die hij hierover gaf in een vluchtelingenkamp, leidde tot veel nieuwe aanmeldingen, vertelt hij.

Tegelijk hebben de mannen echter zwaar te leiden onder de anti-homowet die in februari in Oeganda is ingevoerd en het mogelijk maakt om homoseksualiteit en hulp aan homo’s met jarenlange celstraffen tot levenslang te bestraffen. ‘Door deze wet is de klopjacht op homo’s geopend wat ook voor ons gevaar oplevert omdat mensen automatisch denken dat ook wij homoseksueel zijn’, vertelt Kabenga die al een paar keer op straat in elkaar is geslagen nadat mannen hem herkenden van tv-interviews met de Oegandese media. Door de incidenten durft hij niet langer met zijn Men of Hope samen te komen, vreest voor zijn leven en overweegt zelfs met zijn gezin naar een ander land te vluchten.

Oegandese regering beschuldigt RLP van promoten van homoseksualiteit

Met de nieuwe wet is het voor mannelijke verkrachtingsslachtoffers nóg moeilijker geworden om medische hulp te krijgen. Volgens de wet is het helpen van homo’s ook strafbaar. Bisschop Charles Wamika van Jinja, die de wet volmondig omarmde, riep ziekenhuizen daarom op om LGBT-patiënten niet langer te helpen. Omdat mannelijke slachtoffers van verkrachting dikwijls als homoseksuelen worden gezien, zullen zij vermoedelijk bij veel ziekenhuizen evenmin nog welkom zijn. 

Ook het RLP staat door de nieuwe wet zwaar onder druk. De Oegandese regering staat het RLP niet langer toe om vluchtelingenkampen te bezoeken of cliënten op hun kantoor in Kampala te ontvangen. De regering beschuldigt het RLP van ‘het promoten van homoseksualiteit’ en heeft de organisatie ‘geschorst’. Vermoedelijk richt de regering zijn peilen op het RLP omdat het onderdeel uitmaakt van een coalitie van organisaties die een petitie heeft ingediend tegen de anti-homowet.

‘Zwijgen we, dan helpt niemand ons’

Ook Steven Kighoma is lid van één van de zelfhulpgroepen van het RLP. Nadat hij door de arts voor homoseksueel was uitgemaakt, lag hij maandenlang in bed en at hij amper, om maar zo weinig mogelijk naar het toilet te hoeven gaan. Uiteindelijk behandelde een kruidenvrouwtje hem met een mengsel van gember, dat waanzinnig brandde maar wel de wond genas. De Congolees kampt nog altijd met een aan de verkrachting overgehouden rugpijn, waarvoor hij een korset draagt en wordt behandeld met infraroodlampen.

Ondanks zijn slechte medische gesteldheid en tevens financiële problemen, probeert hij hoop te houden en durft hij voor het eerst open over zijn verschrikkingen te vertellen. ‘Dit is niet zonder gevaar. Zo zouden ze me in Congo direct vermoorden en ook hier in Oeganda ben ik mijn leven niet zeker. Maar als we blijven zwijgen, helpt niemand ons.’

Dit artikel is een update van een verhaal dat eerder werd gepubliceerd in het tijdschrift Wordt Vervolgd en in de Vlaamse krant De Tijd.

Andrea Dijkstra is freelance journalist en cultureel antropoloog. Met fotograafΠJeroen van Loon trekt ze sinds juni 2011 voor onbepaalde tijd per auto door Afrika, waar ze schrijft over de achtergronden van oorlog, corruptie en deΠontwikkelingssector en ook over opkomende economieen, jonge creatievelingen en haar persoonlijke ervaringen.