Hij was een man als een romanpersonage: oudoom Chuck Stork, het zwarte schaap van de beroemde machinefabrikantenfamilie, een roekeloze avonturier die schatrijk werd en volkomen berooid eindigde. Hij inspireerde schrijver Jaap Scholten tot het schrijven van zijn nieuwe boek Horizon City, een wervelende familiegeschiedenis en een portret van anderhalve eeuw Twents ondernemerschap.

STEUN RO

Horizon City is een gat in de woestijn bij El Paso, Texas, vlak over de grens met Ciudad Juarez, Mexico. Het is de plek waar mijn oudoom Chuck Stork in een mobile home eindigde. Dat Chuck burgemeester van Horizon City was, wist de familie in Nederland. Dat Chuck, zijn jonge Mexicaanse vrouw en zoon Francisco, buiten wat konijnen en coyotes, de enige levende zielen in Horizon City waren, was onbekend.

Zo begint ‘Horizon City, het nieuwe, prachtig vormgegeven boek van schrijver Jaap Scholten. Hij vertelt over zijn oudoom Chuck Stork, een van de ‘onvoorzichtige avonturiers’ in de familie. Chuck bracht de Harley Davidson naar Nederland, maakte met Anthony Fokker fortuin in de vliegtuigindustrie in de Verenigde Staten, verkeerde in de legendarische Stork Club in New York met de groten der aarde (Charlie Chaplin, Marilyn Monroe, Frank Sinatra, Grace Kelly, John F. Kennedy en vele andere beroemdheden waren er vaste gast), hij trouwde vijfmaal en eindigde, ‘arm als een kerkrat’, als burgemeester van Horizon City, een gat van drie man en een paardenkop in de woestijn.

Chuck was echter beslist niet het enige kleurrijke familielid dat Jaap Scholten ontdekte toen hij in november 2012 een blauw versleten stewardessenkoffertje aantrof in zijn kleedkamer. Scholten moest ‘s avonds optreden in het Willem Wilmink Theater in Enschede en iemand had het koffertje voor hem achtergelaten, stampvol familiedocumenten van bijna twee eeuwen terug. Een goudmijn.

Via de brieven, dagboeken en foto’s ontdekte Jaap Scholten – zijn vader een telg uit de familie Scholten, textielfabrikanten; zijn moeder een Stork, de roemruchte familie van machinebouwers –, een familie met bijzondere verhalen en kleurrijke figuren, buitenbeentjes en zwarte schapen, dromers en jagers, kleine en grote helden. Zoals zijn betovergrootouders, die schipbreukelingen werden op hun huwelijksreis en aanspoelden op het eilandje Sindrogan. Of de aangetrouwde Fanny, wier vader de mecenas was van de toen nog onbekende Vincent van Gogh, en die later een paar van die ‘waardeloze’ doeken verbrandde in de tuin. Tante Anna, die besloot met haar dokter te trouwen zonder hem daarvan op de hoogte te stellen, en die daarna werd opgenomen in een Zwitsers sanatorium, waar ook veel beroemde mensen onder behandeling waren. Tante Ankie Stork, die tijdens de Tweede Wereldoorlog tientallen joodse kinderen een veilig onderkomen bezorgde. En natuurlijk de al eerder genoemde oudoom Chuck Stork. Scholten ontdekte een familie waarin de liefde voor zieke vogels van generatie op generatie terugkeert, evenals de liefde voor schrijven.

Het boekje van zestig pagina’s ter begeleiding van een tentoonstelling in Museum TwentseWelle werd zo uiteindelijk een duizelingwekkend, rijk geïllustreerd boek van 480 pagina’s.  Tegen de achtergrond van de opkomst en ondergang van de Twentse industrie, ingeklemd tussen de onafhankelijkheidsverklaring van België en die van Indonesië, tekent Scholten in ‘Horizon City’ een krachtig portret van twee welvarende fabrikantenfamilies, via huwelijken met elkaar verbonden, die maatschappelijk een belangrijke rol hebben gespeeld voor Nederland in het algemeen en Twente in het bijzonder. De fabrieken waren essentieel omdat vele generaties ervan leefden – ‘Als het goed met de fabriek ging, ging het goed met de hele familie. Als het slecht ging, ging het slecht met de hele familie.’ Bovendien werden in tijden van economische crisis en tijdens de Tweede Wereldoorlog zo veel mogelijk mannen aan het werk gehouden.

‘Horizon City’ gaat over het najagen, welslagen en mislukken van dromen. Waar staat de naam voor jou symbool voor?

‘De titel heeft drie betekenissen: het verwijst naar het feit dat Enschede door een grote stadsbrand met de horizon gelijk werd gemaakt en daarna weer opbloeide; het verwijst naar het dorpje in de woestijn waar Chuck burgemeester van was. En de derde betekenis is voor mij de belangrijkste, namelijk die pioniersgeest die mijn familie en veel Twentse fabrikanten kenmerkte, die mentaliteit van vooruit willen, toekomstplannen maken, steeds weer nieuwe doelen stellen. Het waren mensen die naar de horizon streefden. Chuck symboliseert voor mij die zucht naar avontuur, actie, nieuwe horizonten. Hij was een man die steeds bereid was alles op het spel te zetten, en dat keer op keer deed, tot aan het bittere einde toe. Maar daarbij, en dat heb ik ontdekt via zijn geadopteerde zoon Francisco, dat hij bij dat internationale leven toch ook een vaag ver verlangen naar Nederland en Twente had. Dat vind ik mooi.’

Je schrijft dat je deze familiegeschiedenis móést uitzoeken, voor jezelf en voor je zonen. Waarom precies?

‘Mijn drie zoons zijn opgegroeid in Hongarije en dat hele Twente zegt ze helemaal niets. Ik wilde graag dat ze hun familiegeschiedenis zouden leren kennen. Zelf kende ik allerlei verhalen van mijn familie ook slechts vaag. Ik had altijd een tamelijk kritische blik op mijn achtergrond, zag dat fabrikantenmilieu als een nogal benepen wereldje. Het was voor mij een enorme ontdekking dat de familie bestond uit zo veel avonturiers en pioniers, en zo veel mensen die sterke keuzes hebben gemaakt, keuzes waar je trots op kunt zijn. Het waren mensen die in contact stonden met de hele wereld. Ik had bijvoorbeeld wel van die avontuurlijke oudoom Chuck gehoord, maar beschouwde hem als een uitzondering. Dat bleek niet te kloppen. Ook de mensen in Twente bleken veel grotere pioniers en avonturiers dan ik ooit had beseft.’

Wist je al direct dat er een boek school in al deze bijzondere figuren?

‘Ik ontdekte steeds meer familieleden van wie ik niks wist. Tante Ankie Stork bijvoorbeeld kwam ik al lang tegen op familiebijeenkomsten, maar ik wist niet dat zij tijdens de oorlog, toen hartstikke jong nog, zo veel kinderen had gered.

En zo zijn er nog meer dappere figuren geweest. Iemand van wie ik nog nooit had gehoord was boer Stork, een man met een geweldige kop. Als dertienjarige ging hij al met de boeren naar de markt in Hengelo en zoop hij zich een stuk in zijn kraag – zoiets neemt je al meteen voor hem in. Aan het eind van zijn leven, in 1933, kreeg zijn joodse arts een beroepsverbod. Dat hij vervolgens in vol ornaat in zijn rijtuig stapte – ‘Als jij niet bij mij kunt komen, dan kom ik naar jou toe’ – is voor mij het bewijs dat het een goede kerel was.

Dat zijn toch de daden waar het om draait in het leven. Ik vind het inspirerend dat er zulke mensen zijn, die zichzelf wegcijferen en het goede proberen te doen, die een voorbeeld kunnen zijn voor mijn kinderen en voor anderen. Dergelijke figuren zijn best schaars, misschien nog wel meer in de huidige tijd, waarin iedereen zo individualistisch is en met zichzelf in de weer. De noodzaak om die verhalen op te schrijven werd steeds groter. Verhalen over hoe mensen hun rug recht hebben gehouden.’

Volgens schrijver Jan Cremer zou je bewust hebben verzwegen dat na de Tweede Wereldoorlog de Scholtenfabriek het terrein is geweest voor een strafkamp voor NSB’ers.

‘Tijdens de oorlog werd de fabriek gedeeltelijk gevorderd door de Duitsers; er werden radio’s en kleren opgeslagen. Na de oorlog hebben er een half jaar NSB’ers en vermeende landverraders gevangengezeten, onder wie Jan Cremer en zijn moeder, al weet ik niet hoe lang hij daar heeft gezeten. Ik begrijp heel goed dat die opsluiting en de vernederingen die hij heeft moeten ondergaan en heeft moeten zien bij zijn moeder een cruciale gebeurtenis zijn geweest in zijn leven, en dat hij wil dat daarover geschreven wordt. Maar dat is niet mijn taak. Ik heb een familiegeschiedenis geschreven, geen bedrijfs- of oorlogsgeschiedenis. Zijn suggestie dat het een ‘zwarte bladzijde in de geschiedenis van de familie Scholten’ was, is onzinnig. Het pand was gevorderd, eerst door de Duitsers, daarna door de geallieerden, en er was geen enkele relatie tussen wat daar gebeurde en mijn familie. Het heette trouwens ook geen Kamp Scholten, die naam heeft Jan Cremer bedacht. Een bekende van me hoorde iemand in de trein al zeggen dat de familie Scholten de moeder van Jan Cremer heeft vermoord. Maar de familie Scholten had niets te maken met wat daar gebeurde.’

Uit je boek rijst het beeld op van standvastige, onverzettelijke types.

‘Ja, het was een ouderwets type mannen en vrouwen. Ik ben zelf niet zo. Ik vervul verschillende rollen en ben verschillende mensen in mijn leven: een vader, een echtgenoot, een avonturier, een schrijver, en de ene dag ga ik naar een concert van The Rolling Stones of een Ramones-lookalikeband, terwijl ik de andere dag in rok rondloop op een bal in Wenen tussen de Oostenrijkse hoogadel. In deze tijd kun je je in heel verschillende werelden begeven. Voor die mannen en vrouwen was dat anders. Ze vielen veel meer samen met hun rol. Je ziet alleen maar foto’s van mannen in pak. Zelfs als ze zich ontspanden in het weekend waren ze in pak. Het was een vaster omlijnde wereld; ze vormden de elite en hadden een voorbeeldfunctie. Zij konden nauwelijks uit die rol stappen. Misschien dat ze in het clubje van textielfabrikanten op zondagmiddag stomdronken konden worden en de beest konden uithangen, maar verder moesten ze altijd rechtop lopen. Dat formele en voorspelbare stuitte me toen ik jong was tegen de borst. Maar de verrassing was dat die mensen spannende en helemaal niet zulke inwisselbare levens hebben geleid als ik wel dacht.’

En de appel valt niet ver van de boom: zelf ben je naar Hongarije getrokken, waar je, net als je voorvaderen, een huis in de stad en op het platteland hebt en een aanzienlijk stuk land beheert.

‘Ik ben er trots op dat ik uit een geslacht van makers kom. Ik denk dat het een typische Stork-eigenschap is steeds in actie te zijn. Alle Stork-familieleden die ik ken waren altijd in de weer, met fabrieken en bedrijven starten en anders met huizen verbouwen, wijnhandel, timmeren, boten bouwen, vogels verzorgen, hockeyen, tennissen, houthakken, whatever. Ze kunnen niet echt lang op hun gat zitten. Ook de familie Scholten is altijd actief geweest, maar gelukkig iets minder adhd-achtig dan de Storken.

Ik hou van dingen maken – schrijven is ook maken. We hebben allemaal leren timmeren, ik heb zelf meubels gemaakt en mijn zoons leren timmeren en lassen. Mijn ooms leerden allemaal nog timmeren van de chef van de modelmakerij in de fabriek. Een man moet een huis kunnen bouwen, of in elk geval een hut om te overleven. Je moet weten je weg kunnen vinden, weten waar het noorden en zuiden is, water kunnen vinden. En eigenlijk moet je ook kunnen jagen.

Ik beschouw mezelf als een voorzichtige avonturier; ik ben niet roekeloos, zoals Chuck. Maar in Hongarije ben ik inderdaad ook aan het pionieren. Ik heb er sinds een tijd samen met een Hongaarse vriend een textielbedrijfje; we ontwerpen en laten handdoeken, kimono’s, bikini’s produceren die worden verkocht in de baden in Boedapest. Het blijft heel organisch doorgroeien; wat we eraan verdienen, wordt weer in het bedrijf geïnvesteerd. Inmiddels bezorgen we zo’n honderd mensen werk.

Ik zie ook dingen terug in mijn kinderen. Mijn oudste zoon is werktuigbouwkunde gaan studeren in Delft. Terwijl ik aan het boek werkte, kwam ik erachter dat die Storken al vier, vijf generaties lang werktuigbouwkunde hebben gestudeerd. Dat vind ik zoiets krankzinnigs!’

Er zit veel in de genen.

‘Ja. Genetisch wordt er zo veel meer doorgegeven dan wij beseffen. In mijn boek beschrijf ik een onderzoek van een Amerikaanse universiteit, waarbij ze muizen bij de geur van kersenbloesem een elektrische schok gaven. Na een tijdje kruipen de muizen bij de geur alleen al in een hoekje, en ook de kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen van die muizen doen dat, al hebben die nooit de fysieke ervaring gehad van de kersenbloesem in combinatie met de schok. De herinnering eraan wordt via de genen doorgegeven. Uit een andere studie onder mensen op verschillende continenten bleek dat ook eigenschappen als onverzettelijkheid en doorzettingsvermogen genetisch worden doorgegeven. Misschien verklaart dat waarom bepaalde families over een periode van eeuwen succesvol zijn.’

Je schrijft dat verbeelding en lezen belangrijk zijn om in beweging te komen en je leven vorm te kunnen geven zoals je dat zelf wilt. Waarom precies?

‘Mijn overtuiging is dat als je eerst iets bedenkt, droomt, tekent, opschrijft, voorstelt, het de kans enorm vergroot dat het tot werkelijkheid wordt. Ik heb altijd – en ik hoorde overigens van Francisco dat Chuck dat ook deed – altijd getekend. Toen ik geen cent bezat, tekende ik al eindeloos huizen. Ik vond laatst zo’n tekening terug: het huis dat wij op het Hongaarse platteland bouwden tien jaar geleden bleek veel elementen te bevatten van een tekening die ik twintig jaar eerder maakte, en allang weer vergeten was. Zo bedenk ik wel steeds nieuwe variaties op oude gedachten. Ook in mijn schrijven zit er overlap tussen boeken, fictie en non-fictie, en nieuw gebruik van oude ideeën. Ik ben een groot voorstander van recycling, zowel materieeI als spiritueel. Ik merk eigenlijk meer en meer dat mijn schrijven gaat over de hardnekkigheid van cultuur: cultuur binnen een groep, een familie, een land. De façade overschilderen is makkelijk, maar werkelijke verandering gaat slechts langzaam.’

Ook schrijven blijkt een genetische kwestie: het donkerblauwe stewardessenkoffertje is het ‘schrijverskoffertje’ van de familie.

‘Dat is het geluk van een gegoede familie die al decennialang naar het gymnasium ging: dat er heel veel is vastgelegd en dat ook al die vrouwen schreven. Een voorrecht. Als je de brieven en dagboeken leest van twee vrouwen in mijn familie, Julia Blijdenstein en Bé Iordens, dat is hoe schrijven moet zijn, vind ik. Recht uit het hart, helder, dingen niet ingewikkelder maken dan ze zijn, geen deftigdoenerij, geen poespas, maar wel met een gepassioneerdheid. Ik herken mezelf daarin. Die lust for life wilde ik ook altijd op papier krijgen.

In de familie waren het steeds de vrouwen die de familie bij elkaar hielden en over de cultuur en de geschiedenis hoedden. Zij hielden dagboeken bij en waren fervente brievenschrijvers en zelfs tijdschriften schreven ze vol. Ik ben de eerste man in anderhalve eeuw die de cultuur en geschiedenis vastlegt.’

In jouw eigen gezin werd er juist helemaal niet gesproken over het verleden; jullie ‘leefden als bezetenen vooruit’, schrijf je.

‘Toen ik acht was beëindigde mijn stiefvader zijn leven. Over hem en zijn daad werd nooit meer gesproken. Het zwijgen maakt het groter. Het hele verleden werd taboe. Maar in stilte was zijn dood, zijn afwezigheid, het desperate van zijn daad, de wanhoop, des te groter in ons allen aanwezig; alleen spraken we er met geen woord over. Dientengevolge kan ik heel goed zwijgen, beter eigenlijk dan spreken. Dat maakt me geschikt om te schrijven. Ik kijk, ik luister.’

Horizon City is verschenen bij uitgeverij AFdH, € 25,-.
De op het boek gebaseerde tentoonstelling is nog t/m 31 december 2014 te zien in Museum TwentseWelle.