“Wat is het spannend, mama. Weet je dat ik steeds de nacht voor de Kroatische wedstrijden niet slaap. En de nachten na de wedstrijd duurt het uren voor dat ik in slaap val. Wij zijn nu één van de twee beste teams in de wereld!! Dat is echt groot.” vertelde mijn twaalfjarige zoon vanochtend bij de ontbijt.

STEUN RO

Hij volgt het WK alsof zijn leven ervan afhangt. Ik volg alleen de Kroatië wedstrijden en dat in het gezelschap van onze Joegoslavische vrienden, zo’n beetje twintig man met de kinderen. In de eerste ronde keken we met z’n allen ook naar Servië. Jammer dat ze niet ook doorgingen, tenminste om de balans te houden. Als ze door zouden zijn gegaan dan waren we even fanatiek voor Servië.

De wedstrijden van Kroaten kijken we in een restaurant in Amsterdam Oud West, dat een vriend van ons runt. Niet iedereen is er voor het voetbal, maar vooral om voor die 90 minuten dat ‘Joegoslavische’ weer te voelen.Er is van alles onder ‘ons’: Bosniërs, Kroaten, Montenegrijnen, Albanezen, Serviërs.. Vaak komt ook een oude vriendin van mij wiens ouders vermoord zijn in de oorlog. Ik kon het niet laten om ook haar uit te nodigen: ‘Luister, ik weet niet of het onbeleefd is om je te vragen om te kijken. Als jij wil zal ik met jou steeds voor de tegenstander zijn, hoor!’ Zij moest lachen: ‘Nee, joh. Het is in het verleden.’ Mijn vriendin is heel groot. Veel groter dan een oorlog en voetbal samen. En daarom komt zij elke keer met mij als het van haar werk kan.

Mijn zoon zit altijd in de eerste rij in dat restaurant in Oud West. Geboren en getogen in Nederland maar zonder Nederlandse wortels is mijn zoontje duidelijk op zoek naar waar hij bij hoort. Met de vader, Armeens/Zwitsers met een Amerikaanse paspoort en de Joegoslavische moeder (Servo/Kroatische uit Bosnië) probeert mijn zoon zijn identiteit door voetbal kunstmatig te versterken. Hij lijkt het belangrijker dan wie dan ook te vinden dat Kroatië wint. Toen Modrič de verdiende penalty miste in de wedstrijd tegen Denemarken sprong mijn zoon uit zijn stoel en barste in huilen. ‘Wat doet die scheidsrechter!!! Hij had die man ook een rode kaart moeten geven!! Penalty is niet genoeg! De scheidsrechter is tegen ons..’

Ik kijk naar mijn zoon en weet niet wat ik tegen hem moet zeggen. Eigenlijk ben ik blij dat hij zo veel voelt voor mijn roots. Maar in dit soort momenten voel ik me radeloos, hoe kan ik aan een Amsterdams jochie uitleggen wat allemaal in dit geval ‘ons’ inhoudt. Dat er vijf jaar lang gevochten is in de naam van ‘ons’ tegen ‘ons’; dat in Kroatië zelf de voetbal-overwinning vaak gevierd wordt met de liedjes die weer om de slachtpartijen roepen; dat diezelfde rood witte vlag gezwaaid werd toen mensen vermoord werden; dat heel weinig Kroaten hem als ‘ons’ zouden ervaren…

Maar ik zeg niets. ‘Het is in het verleden’. En de behoefte van mijn zoon om ‘ons’ te zijn is groter dan het verleden. Ik kijk naar mijn zoontje en haal een stukje cornflakes van zijn warme wang. ‘Ja, mijn lief, en als wij straks winnen zijn wij de beste in de wereld.’