We zijn in onze samenleving verslaafd geraakt aan regels. Maar hoe goed we ons best ook doen en hoe streng onze controles ook zijn, we worden er niet per se betere mensen of een betere samenleving van, zegt theoloog Erik Borgman. “De overheid denkt met een beetje te lijmen, met hier een zakje geld en daar een paar centen de boel wel aan de praat te houden. Maar de onvrede zit op een ander niveau, het zit dieper.”

STEUN RO

Erik Borgman is vast niet de enige die de komende weken angstvallig kerstmarkten mijdt en bij het zoveelste jinglebelletje een vloek ternauwernood binnensmonds kan houden. Maar hij behoort zonder twijfel tot de minderheid die binnen dertig seconden het gesprek van kerststol via incarnatie op vluchtelingen kan brengen om daarna verder te oreren over de grenzen van onze pragmacratie.

Dat gaat ongeveer zo. “Gezellig hoor, met z’n allen bij elkaar zitten en lekkere dingen eten, heel goed ook en niets mis mee. Maar Kerstmis gaat ten diepste natuurlijk over incarnatie: God is bij ons gekomen. In zekere zin draait alles in het leven daarom. God is afgedaald, niet meer onbereikbaar ver weg, maar hij staat naast je, je hoeft niet naar hem toe, hij komt naar jou toe. We hoeven ‘het allemaal niet te doen’, het is ons gegeven en het blijft ons gegeven worden. Wij moeten slechts ontvangen.”

Hij wijst naar een replica van het schilderij ‘Madonna del Mare Nostrum’ (Onze Lieve Vrouw van de Middellandse Zee) van Hansa Versteeg, dat pontificaal boven de eettafel hangt. Het beeldt een vrouw uit met in haar arm een kind, beiden omkleed met een thermisch folie. Ze staart over haar toeschouwer heen, volgens Borgman “naar een toekomst die wij zelf niet zien, en zij wel.” Het kind kijkt de toeschouwer aan, zonder oordeel, zonder vraag. Achter hen strekken de zee en een donkere horizon zich uit. “Deze mensen zijn gered uit het water en verschijnen dan aan ons. Onze politieke en maatschappelijke discussie gaat vooral over de vraag: zijn deze mensen een probleem of niet? De schilder kantelt het perspectief: hij laat ons zien dat in hen, in de vluchtelingen, ons iets wordt gegeven. De vraag of we hen moeten ontvangen is er niet één van de categorie ‘ontvangen uit de goedheid van ons hart’ – want dan zitten we meteen weer in dat politieke debat: ‘ja maar hoe ver moeten we dan gaan?’ en ‘we kunnen onszelf toch ook niet opgeven’ – nee, die is van een heel andere orde. Het is ‘ontvangen wat ons gegeven wordt’. Vluchtelingen zijn gered, op een onwaarschijnlijke manier; de kans dat ze het niet hadden gehaald, was zeer aanwezig. Als het geloof op redding aangewezen te zijn en die ook op wonderlijke wijze te ontvangen het centrum zou worden van onze cultuur, dan krijgt ons bestaan, ons hele leven, een heel andere richting. Vluchtelingen die in Europa aanspoelen, weten maar één ding en dat is dat ze zelf niet de zeggenschap hebben over hun toekomst. Op die manier zouden wij ook opnieuw naar onszelf en onze cultuur moeten kijken: we leven van wat ons gegeven wordt en niet van wat wij voor elkaar weten te krijgen. Dan zou er toch werkelijk iets omslaan, denk ik.

Vluchtelingen die in Europa aanspoelen, weten maar één ding en dat is dat ze zelf niet de zeggenschap hebben over hun toekomst. Op die manier zouden wij ook opnieuw naar onszelf en onze cultuur moeten kijken

Door ons rare, overspannen idee van maakbaarheid lopen we nu voortdurend met onze kop tegen de muur, omdat die idee ons confronteert met onze eigen mislukking. Socioloog Hans Boutellier heeft eens geschreven dat Nederland wordt geregeerd door pragmacratie. Voor elk klein probleem verzinnen we een oplossinkje, maar de werkelijke problemen worden niet getackeld.”

Kunt u daar een voorbeeld van noemen?
“Je ziet het heel duidelijk bij al die demonstraties de laatste maanden in Den Haag. Ik moet in het bijzonder denken aan een protest iets langer geleden: het lerarenprotest. Die leraren kwamen natuurlijk niet voor niets hun lokalen uit; er was iets aan de hand. Ze wilden meer geld, zo dachten velen, maar het ging die docenten helemaal niet om extra centen. Het ging en gaat uiteindelijk om de voorstelling dat we goed onderwijs nodig zouden hebben om het verdienvermogen van Nederland op peil te houden. Zo staat het in alle onderwijsnota’s van de laatste jaren. Maar een onderwijsgevende staat ’s ochtends niet met de gedachte: goh, ik ga vandaag weer es even werken aan het toekomstig verdienvermogen van mijn land. Maar de vakbond organiseert de protesten en de vakbond gaat over de loonstrijd, dus gaat het in de demonstraties over centen. Wie met docenten een spade dieper afsteekt, ontdekt dat het werkelijke probleem ergens anders ligt.”

Namelijk?
“Docenten willen hun werk zelf vormgeven, zij willen de regie om het onderwijs te kunnen aanpassen aan de realiteit van de kinderen die voor hen zitten. De hoge werkdruk die zij ervaren, komt voort uit het feit dat de overheid dat nu voor hen bepaalt, wat leidt tot allerlei formaliteiten en niet helpende procedures die de mensen op de werkvloer ontzettend veel tijd kosten en frustratie opleveren. Werkdruk is niet: hard werken. Want hard werken vinden veel mensen geen probleem. Werkdruk is wel: dat jij dingen moet doen die jij overbodig vindt, waardoor je niet meer toekomt aan het werk waarvoor je ooit in het onderwijs bent gekomen, namelijk: kinderen dingen leren die ze nog niet konden en die hen doen bloeien. In de zorg speelt een soortgelijk probleem.”

Maar die regels en procedures en formaliteiten dienen toch ook ergens toe? Bijvoorbeeld om leerlingen en patiënten te kunnen monitoren zodat vervolgens de kwaliteit van onderwijs en zorg verbeterd kan worden.
“Oh ja, we zijn in onze samenleving verslaafd geraakt aan regels. Op alle niveaus zit er in onze cultuur wat dat betreft een probleem. Ons fantasiebeeld van samenleven is dat iedereen zich aan de regels houdt. Al weten we inmiddels wel dat de maakbaarheid een illusie is, we weten ook niets anders. Maar het begint niet met controle en regels, het begint  andersom. Mensen doen wat omdat ze geloven dat het nodig is, er gaat iets niet goed, ze proberen dat te veranderen en daarbij hebben ze elkaar nodig, soms tot hun plezier, soms tot hun chagrijn. Zo komt de samenleving vooruit. Dat ontspannen, dynamische samenleven hebben we er totaal uitgeorganiseerd. We monitoren elkaar langs de richtlijnen in de veronderstelling dat ze ons verder brengen, dat we er beter van worden. Maar hoe goed we ons best ook doen, hoe prachtig de resultaten ook die we op papier boeken en hoe streng onze controles ook zijn, we worden er niet per se betere mensen of een betere samenleving van. Daar getuigen al die protestdemonstraties van.

Dat brengt me weer terug bij de pragmacratie: de overheid denkt met een beetje te lijmen, met hier een zakje geld en daar een paar centen de boel wel aan de praat te houden. Maar de onvrede zit op een ander niveau, het zit dieper.”

Is er op het moment dan helemaal geen stroming in het politieke landschap die enigszins naar die diepte probeert af te steken?
“Uit de politiek gaat het niet komen, naar mijn overtuiging, zeker niet uit de nationale. Dan kun je beter bij de lokale politici terecht. Zij kunnen immers niet leven in de illusie dat ze het allemaal voor elkaar hebben. Ik bedoel: de burgemeester moet het doen met z’n stad. Hij kan wel denken dat die zwervers er niet zouden moeten zijn, maar ze zijn er toch en daar moet hij iets mee. In Den Haag kun je met grote bewegingen een ideaalbeeld schetsen waarnaar je zogenaamd op weg bent, zonder dat je gehinderd wordt door de concrete haalbaarheid ervan.

In Den Haag kun je met grote bewegingen een ideaalbeeld schetsen waarnaar je zogenaamd op weg bent, zonder dat je gehinderd wordt door de concrete haalbaarheid ervan

In de landelijke politiek zie ik hooguit dat het populisme iets begrijpt van de noodzaak een groter perspectief te schetsen. Het populisme is weliswaar een ‘antwoord op het niet-antwoord’ – het roept: er móét wel een antwoord zijn, en dat is míjn antwoord, en nou allemaal opgerot – maar, zo heb ik weleens een beetje jennerig gezegd: volgens mij is Wilders de enige visionaire politicus van Nederland. Al heeft hij dan een verkeerd visioen, hij begrijpt dat politiek over de grote vragen gaat en helemaal niet alleen over onze koopkracht.”

Wat is uw probleem precies met het oplossen van die ‘kleine probleempjes’?
“Dat het ons er vanaf houdt echt te leren. Aan de universiteit zeg ik weleens: als wij een probleem tegenkomen, moeten we niet denken ‘shit, een probleem’, maar ‘hé, interessant, een probleem’. Blijkbaar praat de werkelijkheid terug, daar kunnen we iets van leren. Er zit in onze cultuur een soort aversie tegen problemen; ze zouden er niet moeten zijn. Verschijnen ze toch aan ons, dan moeten we ze zo snel mogelijk oplossen. Alsof het leven pas begint als die obstakels er niet zijn. Het is tegenovergesteld: het gesprek met de weerbarstige, steeds weer onverwachte en ons engagement vragende werkelijkheid ís het leven. De idee van een wereld die vanzelf draait als een geolied geheel, die zit ons in de weg.”

Absurde vormen
De neiging om beletsels te omzeilen of weg te drukken, neemt soms absurde vormen aan, constateert Borgman. Zoals in de maatschappelijke en politieke discussie over de rol van boeren in CO2-uitstoot. “D66 wees met een beschuldigende vinger naar de boeren en blijft zeggen dat zij het probleem zijn. Feitelijk zeggen ze daarmee dat boeren niet bij onze samenleving horen en daar zijn de boeren vervolgens kwaad over. Ik vind het verbijsterend dat politici niet begrijpen wat zij doen.”

Waarom?
“Het incident staat niet op zich; veel vaker wordt op een vergelijkbare manier een groep mensen geproblematiseerd. ‘Jullie zijn te duur.’ ‘Jullie zijn niet nodig.’ Ik wijs dan graag op een elementair basisgegeven uit de christelijk-sociale traditie, dat zegt: de samenleving is van de mensen die haar vormen. Ze dient geen extern of hoger doel. De mensen die haar maken zijn het doel, niet een economie, of techniek, of efficiency, of vooruitgang, of de wet.”

Goed genoeg
Wat het vermeende hogere doel ook moge zijn, Borgman zoekt het liever onder de mensen zelf. Dat hangt enigszins samen met zijn tamelijk eenvoudig te begrijpen stellingname dat het feit dat wij als mensen bestaan wil zeggen dat we door God gewild zijn; dat is voor hem genoeg. “Je hoeft niet te bewijzen dat je nuttig bent of dat je je extreem goed aan regels kunt houden voordat je er toe doet. God vindt ons eindeloos de moeite waard.”

Er is alleen één probleem: de God die ons gewild zou hebben en die ons goed genoeg zou vinden, die bestaat in onze samenleving nauwelijks meer.
“Dat is ten dele juist. Ja, de seculariteit wint terrein. Maar wij, als christenen, kunnen niet in God geloven alsof hij alleen de God van christenen is. Het is voor mij heel simpel: als God bestaat, bestaat hij ook voor degenen die niet in hem geloven. Je hoeft ook niet in bacteriën te geloven om er toch ziek van te worden. De consequentie daarvan is dat ook mensen die niet in God geloven toch met hem in aanraking komen. Het christelijk geloof en de theologie gaan uiteindelijk over waarheden die fundamenteel zijn voor het menselijk bestaan. Ook wie niet gelooft dat hij beeld van God is, is het toch.”

Zo’n vertrekpunt is misschien heel interessant binnen uw christelijk paradigma. Maar een prototype postmoderne, niet-gelovige en bovendien invloedrijke Nederlander als Arjen Lubach zal zeggen: leuk dat je vindt dat God ook voor mij bestaat, fijne dag verder.
“Maar waarom zouden we hem nou gelijk geven? Kijk, het gaat uiteindelijk over de verhouding tussen natuur en genade. Over de relatie tussen die twee gaat onze hele traditie en in de moderniteit is een verkeerde visie hierop evident geworden. We zeggen: wat wij samen delen als mensen – de algemene, gezamenlijke cultuur – dat noemen we natuur. Alles wat we afwijkend van die ‘natuur’ zeggen of denken, wordt gezien als particulier. Wie zegt dat hij in God gelooft, krijgt te horen: dat mag jij best doen, maar het is voor anderen niet relevant. Maar voor een gelovige gaat geloof niet over die tien procent, maar over de honderd procent van het leven en die honderd procent staat vanuit het geloof in een ander licht. Wat de gelovige betreft: het ware licht. Het is toch gek om te doen alsof al die zogenaamde spraakmakers zoals Arjen Lubach zouden bepalen wat wij kunnen denken!

Het is toch gek om te doen alsof al die zogenaamde spraakmakers zoals Arjen Lubach zouden bepalen wat wij kunnen denken!

In het vroege christendom zaten gelovigen in kleine groepjes bij elkaar dingen te zeggen die daarbuiten niemand snapte, maar toch zeiden ze niet: ‘Sorry hoor, maar we hebben iets ontdekt wat voor ons interessant is.’ Nee, ze zeiden: ‘Wij hebben ontdekt hoe de kosmos in elkaar zit.’ Bescheidenheid kun je ze niet verwijten, maar dit idee, namelijk dat wij een fundamentele visie hebben op hoe de wereld ten diepste is, die moeten we blijven uitdragen. Want als we dat niet meer doen, wat hebben wij, en wat heeft de kerk dan nog voor bestaansrecht?”

Nou ja, daar kan men sowieso vraagtekens bij plaatsen. Het Westen keert kerk en geloof nog altijd in volle vaart de rug toe.
“Tja. Ik ben elke keer weer verbaasd over die onderzoeken God in Nederland van het Sociaal Cultureel Planbureau. Die zouden moeten uitwijzen dat Nederland geen christelijke natie meer is. Ik woonde als kind in Amsterdam op een trappenhuis met acht gezinnen en wij waren er voor zover ik weet de enigen die naar de kerk gingen. Ik weet niet beter of we zijn een minderheid. Als katholiek heb ik me overigens ook binnen het christendom zelf in Nederland heel lang een minderheid gevoeld. Weinig mensen realiseren het zich nog, maar tot 1983 was het boven de rivieren verboden processies op straat te houden. Wij beschouwden ons helemaal niet als deel van de ‘christelijke natie’.”

Wie is Erik Borgman?

Erik Borgman (1957) is hoogleraar theologie aan de Universiteit van Tilburg. In 2008 werd hij door Vrij Nederland uitgeroepen tot een van de meest innovatie denkers van Nederland. Lezers van dagblad Trouwzagen hem als een van de drie meest inspirerende theologen. In 2012 was hij een jaar lang Theoloog des Vaderlands. In 2020 verscheen van zijn hand het eerste deel van de dogmatiek Alle dingen nieuw, een theologische visie voor de 21eeeuw.

Waardeer dit artikel!

Dit artikel las je gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je jouw waardering laten zien door een kleine bijdrage te doen.

Zie hier voor meer informatie!

Mijn gekozen waardering € -
Publiceert als journalist en essayist onder andere in NRC, Trouw, De Groene Amsterdammer, OneWorld en het AD. Bij Uitgeverij Ten Have verschijnt in 2022 zijn boek Moeder van 40.000 kinderen, over armoede en de noodzaak om die snel en volledig uit te bannen. Werkt ondertussen aan zijn debuutroman.