Duitsland kent nu een vrouwenquotum voor het bedrijfsleven. Vanaf 2016 moet een derde in de top van het bedrijfsleven vrouw zijn. Jet Bussemaker vindt een verplicht quotum een paardenmiddel en spoort het bedrijfsleven aan stappen te zetten.

STEUN RO

In het Nederlands bedrijfsleven en in de politiek zijn vrouwen ondervertegenwoordigd en vaak flink ook. Het politicologenblad Res Publica wijdde vorig jaar een themanummer aan de genderongelijkheid. En hoewel je – als man – zou redeneren dat iedereen toch wel gelijke kansen heeft, blijkt die vlieger niet op te gaan. De Bel20, van beursgenoteerde Belgische ondernemingen kent 16 procent vrouwelijke bestuurders, melden senaatsvoorzitster Sabine de Bethune en federaal parlementslid Sonja Becq. Als gekeken wordt naar alle 159 ondernemingen op de Euronext Brussels dan is het beeld nog minder rooskleurig becijfert Nick Deschacht (KU Leuven): van de ruim 1400 bestuurders zijn er 177 vrouw. Dat is 12,6 procent. In Nederland is in 2011 6,5 procent van de bestuurders vrouw.

Kamer haalt streefcijfers niet

In onze eigen Tweede Kamer wordt in het Meerjarenplan Emancipatie 2005-2010 gestreefd naar 50 procent vrouweiljke Kamerleden. Dat is nu 38 procent, schrijven Liza Mügge en Alyt Damstra (UvA). Met dat feit hadden Pauw en Witteman minister Schippers maandag wel even kunnen confronteren in plaats van om samen met de minister van twee regeerperiodes de vrouwelijke fractievoorzitters te tellen.

PVV achterblijver, SP daler

Mügge en Damstra  signaleren dat ideologische oriëntatie van de partijen mede bepaalt hoeveel vrouwen er aan de top komen. Vooral GroenLinks en de PvdA halen de 50 procent wel. Achterblijver is de PVV met circa 15 procent. Waar vrijwel alle partijen een stijgende lijn vertonen boven de 40 procent is de SP de laatste jaren een daler.

Met andere woorden: vrouwvriendelijkheid is ook weer niet sec in links-rechts termen uit te drukken. Iedere partij heeft een eigen beleid in de selectie van vrouwen. Sommige partijen zoals de PvdA met de Rooie Vrouwen en het CDA met CDA/V hebben eigen vrouwenorganisaties, anderen, zoals D66 en VVD vinden dat iedereen gelijke kansen moet hebben. Overigens constateren Mügge en Damstra ook dat etnische vrouwen het beter doen dan Nederlandse vrouwen.

Vrouwenquota verplichten?

Maar moet je vrouwenquota verplichten? Allereerst dient daarvoor de vraag beantwoord te worden of er gelijkheid moet zijn. Daarvoor geldt een universalistisch argument, betogen Eelke Heemskerk en  Meindert Fennema.  Immers, als de wereld is opgebouwd uit mannen en vrouwen moeten die ook gelijkwaardig invloedsrijke posities kunnen bezetten.

Vooral GroenLinks en de PvdA halen de 50 procent wel. Achterblijver is de PVV met circa 15 procent

Daarmee stappen ze af van functionalistische argumenten dat met de komst van vrouwen beter zou worden gepresteerd. Immers, die argumenten kunnen ook worden gehanteerd om vrouwen te weren onder het mom van ongeschiktheid. Overigens verwijzen voorstanders van dit soort argumenten – inclusief oud-Eurocommissaris Vivian Reding – graag naar een onderzoek van McKinsey.

Daarin wordt beweerd dat bedrijven met meer vrouwen in de top 42 procent meer sales boeken, en een 66 procent hoger rendement op kapitaal boeken. Deschacht van de KU Leuven veegt daar de vloer mee aan, Onderzoek moet uitwijzen of het McKinsey-onderzoek robuust is, of dat steekproeven vertekend zijn, er sprake is van schijnverbanden of inverse causaliteit. Zulke hoge waarden wekken namelijk wantrouwen. Bovendien is er ook onderzoek dat juist negatief wijst op de aanwezigheid van vrouwen in de top.

Eigenbelang

Maar als je dan kiest voor een universalistisch argument, moet je dat dan ook opleggen? Heemskerk en Fennema constateren dat vrouwen vrijwel uitsluitend via de politiek het bedrijfsleven in komen. Elites beperken volgens Fennema de toegang tot eliteposities, vanuit eigenbelang of de cultuur. Daarom lijkt overheidsingrijpen gerechtvaardigd, menen de auteurs. Overigens constateren Heemskerk en Fennema dat bij bedrijven buitenlandse vrouwen het ook beter doen dan de Nederlandse dames. Zij stellen dat dat komt doordat de elite hen minder als een bedreiging zou zien. Ze hebben minder vaak nevenfuncties waar ze hun macht mee vergroten en hebben minder vaak politieke aspiraties, zeggen Heemskerk en Fennema.

In Noorwegen geldt een hard quotum van 40 procent dat afgedwongen wordt. Het EP heeft een richtlijn: in 2020 moet 40 procent in de top vrouw zijn. In België geldt voor overheidsorganisaties en beursgenoteerde ondernemingen een quotum in de top. Een derde van de bestuursfuncties per bedrijf moet een vrouw zijn. Dat betekent dus dat daar waar dat niet het geval is, vrouwen moeten worden benoemd. Benoemingen die daar niet aan voldoen, zijn nietig. In Nederland bestaat in de politiek schroom om een quotum op te leggen. We kennen vrijwillige streefcijfers voor bedrijfsleven en overheid, maar die worden niet afgedwongen. En dus ook niet gehaald.

Bij bedrijven doen buitenlandse vrouwen het ook beter dan de Nederlandse dames

Overigens is de focus op de top van bedrijven wat beperkt, tekent Deschacht aan. Onderzoek richt zich vooral op het glazen plafond waar vrouwen doorheen zouden moeten breken om in hun carrière aan de top te komen. Maar het is de vraag of dat glazen plafond bestaat.

Vrouwen vaak binnen via de zijdeur

Er is geen adequaat analytisch onderzoek naar de promoties van vrouwen in bedrijven. Het kan zijn dat die weinig promotie maken en dat de topvrouwen elders vandaan komen, of zelf een bedrijf moeten oprichten, zoals Sylvia Toth die Content oprichtte. De bevindingen van Heemskerk en Fennema wijzen ook in die richting. Zij stellen immers dat vrouwen in het bedrijfsleven tot dusverre vooral via de zijdeur binnenkomen, via de politiek en later via de wetenschap. Overigens ziet niet iedere vrouw een quotum als zaligmakend. Zo klaagde een Duitse minister dat ze er op wordt aangesproken haar positie behaald te hebben door haar vrouw-zijn en niet door haar kwaliteiten.

Politiek beschouwer en analist. Werkzaam als zelfstandig journalist met uitgebreide kennis over de EU en stedelijk bestuur en de actuele vraagstukken die daar spelen, op het gebied van onderwijs, arbeidsverhoudingen, en identiteit.