Edward Snowden is een held. Met diens bestanden heeft Glenn Greenwald onterecht een hype veroorzaakt. Wat weten we wel en niet na de onthullingen van het vermaarde duo? Deel 2 van een tweeluik.

STEUN RO

Gelezen:

De Snowden Files van Luke Harding

De Afluisterstaat van Glenn Greenwald

Sardonische, genadeloze Greenwald

Harding beschrijft Glenn Greenwald in woonplaats Rio de Janeiro en zijn reputatie als advocaat, journalist op Salon.com en eigen blog en als actievoerder. 'Hij is tien jaar lang werkzaam geweest binnen het federale rechtssysteem, zoon van Joodse ouders, strijdlustig, homo, radicaal en een hartstochtelijk verdediger van burgerrechten…Antagonistisch, genadeloos, sardonisch en welbespraakt…Onvermoeibare horzel in de pels van wat hij beschouwt als de Amerikaanse overheidshypocrisie. In lange, soms uiterst felle bijdragen heeft hij de wandaden waarvan Amerikaanse regeringen worden beschuldigd aan de kaak gesteld.'

Dat is een aardige inleiding van Harding op De Afluisterstaat van Greenwald zelf, de vertaling van No Place To Hide: Edward Snowden, The NSA, and the U.S. Surveillance State.

Benadrukt The Snowden Files de rol van Ewan McAskill (die Snowden recent weer interviewde) als evenwicht brengende journalist, Greenwald beschrijft hem als een ongewenste infiltrant. Hij wenst hem op weg naar Hongkong te behandelen als ‘een extra stuk bagage’. Dat McAskill meereist wekt ook de woede van Poitras.

Greenwald zet vanuit Hongkong The Guardian onder zware druk, want hij heeft bovenal haast. In zijn scoringsdrift en wispelturigheid stelt hij ultimatums met als dreigement om zelf via NSAdisclosures.com te gaan publiceren.

Greenwald verwijt Laura Poitras dat ze The Washington Post benadert. Poitras en Snowden zijn het wel eens met Greenwalds keuze voor ‘aanvallende journalistiek’: een constante stroom onthullingen, zonder voorbehoud zoals de ‘corrumperende journalistiek’ volgens Greenwald doorgaans doet. In het verkrijgen van die constante aandacht is hij uitstekend geslaagd: vele gerenommeerde media dansten naar zijn pijpen.

Toch was zijn eerste publicatie over Prism in The Guardian juist terughoudender dan die even eerder in The Washington Post verscheen. The Post hield direct de internetbedrijven zoals Google en Facebook verantwoordelijk voor verschaffing van data aan de NSA. Greenwald achtte dat niet bewezen en noemde de hevige ontkenningen van Google c.s. prominent.

Warrige duiding

Verwarrend was lange tijd de kwestie in hoeverre Google, Facebook en Yahoo medewerking aan Prism verleenden. Die was er wel, maar min of meer afgedwongen door Washington.

De dataverzameling door de NSA was alomvattend. Aan de andere kant spreekt het bewijsmateriaal dat Greenwald in zijn boek overlegt eerder van selecties van data door de NSA uit dat grote reservoir dat voorhanden is van het massaal tappen. Daarvoor vraagt en krijgt de NSA altijd toestemming van de geheime Fisa-rechtbank.    

Storend is de aanhoudende herhaling op verontwaardigde toon door Greenwald dat de NSA ‘alles’ aan beschikbare data wil onderscheppen aan internetverkeer. Immers, die doelstelling is al vele jaren het alfa en omega van het bestaan van de dienst. Ook worden metadata en inhoud verward.

Greenwald overstelpt ons met informatie over verschillende NSA-verzamelmethoden

Andersom redenerend zouden Greenwald en de media die namens hem publiceerden tot een betere beeldvorming zijn gekomen: waarom verzamelt de NSA al die data van en over ons, en wat doet ze ermee? Het lijkt erop alsof de NSA een databank bouwt als voorportaal om ingeval van urgentie (verdenkingen, aanslagen) snel relevante data te kunnen bemachtigen via de Fisa-rechtbank. Is dat voorportaal nodig en wettig?

De tweede vraag: in hoeverre ge- of misbruikt de NSA juist dit datareservoir om tot verdenkingen te komen? Of om anderszins voordelen te behalen, bijvoorbeeld voor Amerikaanse bedrijven in concurrentiestrijd om orders? In welke gevallen is privacy van individuen werkelijk en feitelijk geschonden? Want tot nu toe kennen we vooral risico’s en dreigingen die samenhangen met de massale databanken, tot voor kort nauwelijks het feitelijk gebruik ervan.

En nog een graadje erger, maar meer filosofisch: in hoeverre beïnvloedt het vermoeden dat we niet langer ongezien mailen, bellen en surfen maar altijd worden begluurd ons gedrag? (Het panoptikum) En ook: in hoeverre zijn we zelf verantwoordelijk door steeds maar voor gemak van online communicatie te kiezen? Die laatste vraag is bepaald ongemakkelijk, maar legitiem.

Het aardige is dat Greenwald deze problemen wel aansnijdt en een grote kennis van spionage tentoonspreidt, maar pas achteraan in zijn boek en niet gekoppeld aan de onthullingen. Deze weergave van dataspionage in de afgelopen jaren en de effecten ervan vind ik de boeiendste delen van De Afluisterstaat, ook al publiceerde hij veel eerder al online. Hierin toont Greenwald zijn gedegen ondergrond, al is hij een activistische journalist.

Heulende Amerikaanse media

Vreemd genoeg negeren beide boeken de belangrijke onthullingen van Echelon uit 2011. Of doen ze dat opzettelijk omdat daarin al zoveel stond over de NSA-honger en ze liever dezen alsof het datagraaien volkomen nieuw was?

Harding beschrijft wel de leugenachtige beloften van Barack Obama in 2007 om een eind aan illegaal datatappen te maken. Immers, hij stemde voor de wet FAA die de uitbreiding van de bevoegdheden van de Fisa-rechtbank juist mogelijk maakte.

Harding noemt nog wat spionagegeschiedenis, beginnend met project Minaret van Richard Nixon. Daarna springt hij naar Stellar Wind voor grootschalig vastleggen van internet- en telefoniedata na het aannemen van de Patriot Act in 2001. En noemt onthullingen over de NSA in The New York Times in 2005. Alleen bij Greenwald lezen we dat deze krant de onthulling vijftien maanden (!) vasthield onder druk van Washington.

Dat past in het beeld dat Greenwald schetst van Amerikaanse media die te vaak verlengstukken zijn van de regering. Hij heeft daarvan overtuigende voorbeelden die op z’n minst de indruk wekken van schizofrenie: hinderlijk journalistiek volgen van de macht enerzijds, maar daar ook voor buigen onder bepaalde druk en belangen.

De lafheid van The New York Times kwam met WikiLeaks al aan het licht

De nieuwe cloudspionage

Harding doet goed uit de doeken hoe ver de Britten gaan met hun spionagedienst GCHQ en de clandestiene Special Source Exploitation. (Waarbij ze hulp krijgen van leverancier Logica waarin het Nederlandse BSO in opging.) Opvallend is ook hoe graag de diensten tegen elkaar op bluffen met hun vermogen tot datagraaien.

Maar ook intensief samenwerken. Zo zijn Amerikaanse staatsburgers officieel doelwit van de Britse dienst, en vice versa. Samen tappen ze kabels af, de NSA in programma Tempora en GCHQ onder codenaam Upstream. Ze betalen telecombedrijven ‘honderden miljoen dollars’ voor toegang. Veel verkeer en data lopen via de VS, zoals dat van KPN.

Diensten verzamelen, koppelen en analyseren data ongeacht locaties van personen en van opslag

Ze besteden doelwitten aan elkaar uit en delen informatie in databanken, virtueel maar wellicht ook fysiek. Dat was de dieper liggende reden, vermoed ik, dat minister Plasterk zich zo vergaloppeerde.

Zoals eerder samengevat: ofschoon de toon van Greenwald, het doelbewust hypen van de NSA-onthullingen, zijn journalistieke houding en het p.r.-circus van het boek me niet aanstaan, geef ik toch de voorkeur aan De Afluisterstaat boven ‘The Snowden Files’.

Dat is oppervlakkiger omdat Luke Harding te ver van het vuur zat. Bij Greenwald kan de lezer zelf kaf (propaganda en hype) onderscheiden van koren (goed inzicht in de spionagewereld en de rol van de NSA op langere termijn). Ondertussen wachten we op het definitieve boek over deze zaak, dat hopelijk de ervaringen en gezichtspunten van de Verenigde Staten, China, Rusland, Frankrijk Engeland, Duitsland en vooral hun diensten zal bevatten. Media hebben half werk verricht in hun sensatiezucht, wat eens te meer duidelijk wordt nu ze wel uitgebreid inlichtingendiensten, hun doelen en motivaties citeren in berichtgeving over Oekraïne.

Lees hier deel 1!

    Peter Olsthoorn schreef boeken over internet, Google en The Power of Facebook,Πartikelen over ICT, media (internet vooral), inlichtingendiensten en innovatie. Hij spreekt over deze onderwerpen, treedt op als dagvoorzitter en interviewer op het podium. Was journalist in Oost-Europa, correspondent en oprichter van netkwesties.nl.