Omdat we in het publieke leven ironie steeds minder dulden en begrijpen, zal de alledaagse werkelijkheid ons op een dag verstikken. Waarom zouden we het zover laten komen?, vraagt journalist en schrijver Jasper van den Bovenkamp zich af.

STEUN RO

Er was eens een bakker uit Raalte die vlak voor de zomer een bak ijsklontjes in z’n vitrine zette en er een bordje bij prikte met de tekst: ‘Nieuw: ijs glutenvrij, lactosevrij en zonder suiker’. De bakker bedoelde het als een grapje. Z’n klanten hadden de hele lente gezeurd om ijs zonder gluten, zonder lactose, zonder suiker en zonder wist-hij-veel-wat. Bij wijze van ‘ludieke actie’ plaatste hij op een zekere dag in juni achter z’n uitstalraam een bak ijs waar mensen met welke allergie dan ook geen herrie over zouden schoppen.

Het bakkertje had in zijn vrolijke overmoed één groep over het hoofd gezien: mensen met een allergie voor ironie. Raaltenaar Kim, lijdend aan intolerantie (oké, toch nog een andere allergie), vond het beledigend. Ze had het al moeilijk genoeg, zei ze. Ook de Stichting Voedselallergie liet van zich horen. Ze zette een foto van de ijsklontjes op Facebook en vertelde erbij dat ze goed kon begrijpen dat mensen met een allergie zich gekwetst voelden. Eigenaar José Jorink van de bakkerij had haar lesje intussen wel geleerd. ‘Dit gaan we niet nog een keer doen’, zei ze beteuterd tegen het Algemeen Dagblad.

Er was eens een Tommy Wieringa. De schrijver was uitgenodigd bij het jaarcongres van de Vereniging Nederlandse Gemeenten, waar hij geïnterviewd werd door Twan Huys die op een gegeven moment de aanslag op het redactiegebouw van De Telegraaf van een dag eerder in herinnering bracht. Wat Wieringa precies van die aanslag vond. ‘Dat werd tijd’, zei de schrijver. De zaal, vol met burgemeesters en wethouders, kletste op zijn dijen van het bulderen. Die Wieringa!

Maar toen kwam dat hele voorval in de krant, en vanaf daar ging het ongeveer hetzelfde als bij die ijsklontjes. De mensen waren boos, verdrietig en teleurgesteld. Want lieten we wel wezen, bestuurders die bij de ashopen van de journalistiek zaten te schaterlachen, dat was navrant en onbeschoft.

Wat Wieringa precies van die aanslag vond. ‘Dat werd tijd’, zei de schrijver. De zaal, vol met burgemeesters en wethouders, kletste op zijn dijen van het bulderen

Hete zomer
Nu zou je kunnen denken: de zomers worden heter dus de mensen prikkelbaarder. Het eerste deel is juist, maar het tweede volgt er niet noodzakelijkerwijs uit. Ik zal het weldra aantonen met wat voorbeelden die niet strikt aan de zomer verbonden zijn maar des te duidelijker laten zien dat het er met de ironie in onze samenlevingen niet best voorstaat. Men is de laatste jaren eigenlijk alle seizoenen snel beledigd en gekwetst, en wel in zo’n rap toenemende mate dat ik vrees voor de teloorgang van de o zo noodzakelijke spotternij.

Maar eerst: waar hebben we het eigenlijk over? Klein blokje historie. Ironie lenen we van de Grieken, die het uitspraken als eirôneia en er de betekenis aan gaven van ‘geveinsde onwetendheid’. Die duiding is schatplichtig aan Socrates. Deze filosoof had er een handje van aandachtig naar zijn gespreksgenoot te luisteren alsof hij geen flauw benul had van de onderhavige thematiek, om vervolgens te laten blijken dat dit allerminst het geval was. Zodra de ander was uitgepraat, nam hij een brokje feta, en opende hij deel twee van het gesprek. Dat bestond voornamelijk uit een vragenderwijs gestuurde afbraak van het betoog van zijn opponent, dat uiteindelijk met fundament en al in de diepzinnigheid van diens wijsheid verzwolgen raakte. Zo stelde hij de opvattingen van een ander op de proef en prikte hij door de schijn van geveinsd intellect heen.

Op deze manier gebruiken we dat woord vandaag niet meer. Toch is het zinvol de wordingsgeschiedenis van het begrip in gedachten te houden, omdat ze er een bodem onder legt de die evolutie ervan bevattelijker maakt.

Ironie ontwikkelde zich gaandeweg tot een literaire stijlfiguur. Vandaag leggen we het woord uit als ‘bedekte, milde spot’. Middelbare school, klas 1, we leren het allemaal, in het rijtje ‘sarcasme is bijtende spot, cynisme is een soort ongeloof in de oprechtheid van mensen.’ Nou, dat is dan meteen het tweede piketpaaltje: ironie is mild en verhullend, niet lomp en agressief.

Oorlogslaarzen
Tot zover de definitie, tijd voor een signalement. Ik noem de humoristische verplaatsing van het publieke domein naar de theatrale periferie. Daarmee bedoel ik: we hebben vrijplaatsen gecreëerd waar humor ‘mag’ maar daarbuiten moet je uitkijken. Best veel mensen kunnen bijvoorbeeld hartverscheurend lachen zodra cabaretiers als Hans Teeuwen, Theo Maassen en Philippe Geubels met oorlogslaarzen de arena van het vertier betreden. Als de ironicus in het publieke leven vervolgens een – soms beladen – onderwerp met milde spot kruidt (hij maakt er een grapje over, gewoon om het eens vanuit een andere hoek te bekijken), dan zijn de rapen gaar. Dat vind ik bijzonder.

Het heeft wat weg van hoe we ons verhouden tot dieren. Zolang de chimpansees, luipaarden en tijgers achter het hek zitten, kunnen we ontspannen genieten van hun gespierdheid en grappige capriolen. Komen we ze op straat tegen, dan trekken we een angstig sprintje.

We hebben vrijplaatsen gecreëerd waar humor ‘mag’ maar daarbuiten moet je uitkijken

Die dierentuinreflex snap ik wel. Ik ren al voor een wesp. Maar onze omgang met ‘humor’ in brede zin en ironie in het bijzonder, die vind ik nogal halfzacht. Staat de cabaretier in zijn reservaat, dan mag hij vuilbekken over wie en wat hij wil terwijl het publiek achter de tralies het schuim op de lippen lacht, maar buiten het hek moet de grappenmaker op zijn hoede zijn.

Antisemitische beeldcolumn
Een aardige illustratie bij het bovenstaande gaf cartoonist Jip van den Toorn – in de meest letterlijke zin van het woord. Ze had voor de Volkskrant een man getekend die een kamer binnenkwam, verkleed als orthodoxe jood, strooiend met diamanten. Twee vrouwen en een kind keken hem misprijzend aan. Het onderschrift meldde: ‘omdat Zwarte Piet niet meer mocht, had oom Rob een alternatief bedacht’. Van den Toorn kreeg meteen een bak drek over zich heen. De beeldcolumn was “antisemitisch”. Zijzelf: “Sommige mensen dachten dat ik voorstelde dat je dit jaar in december maar als orthodoxe jood verkleed moest gaan. Ze begrepen niet dat je met satire soms een situatie omdraait, en dat mijn beeldcolumn dus geen letterlijke mening is maar een scherpe manier om een vraag op te werpen.’”

Van den Toorn kwam met deze uitleg achteraf; veel vaker wordt tegenwoordig de disclaimer vooraf geleverd. Pas op, hier volgt een grap/satire/ironie. Maar zo werkt het natuurlijk niet. Humor komt omfloerst, gesluierd, onaangekondigd. Je moet goed kijken, nauwkeurig luisteren en dan duiken naar die tweede bodem in de blijmoedige hoop grond onder de voeten te krijgen. Soms kom je happend naar adem boven – het was te diep. Andere keren sta je te trappelen van plezier.

Humor komt omfloerst, gesluierd, onaangekondigd. Je moet goed kijken, nauwkeurig luisteren en dan duiken naar die tweede bodem in de blijmoedige hoop grond onder de voeten te krijgen

Allebei mag. Maar die bodem wegslaan, dat is ongerijmd. Laten we elkaar in het slechtste geval soms gewoon niet begrijpen, de ander glazig aankijken en ten slotte in een schaterproesten uitbarsten. Of het een balken is van onnozelheid of een hinniken van diep begrip, wat maakt het uit.

Emoticon
Een vergelijkbare verzekering tegen het risico dat we niet goed begrepen worden, is er in ons online verkeer: de emoticon. Deze dient als een objectieve afspraak tussen zender en ontvanger. Al naar gelang de emotie van het gezichtje krijgt onze boodschap kleur en lading. Zo verzekeren we de ontvanger van een ironisch bedoeld bericht dat we – in tegenstelling tot wat we schrijven – juist boos, teleurgesteld of vrolijk zijn. En daarmee verkleinen we veiligheidshalve de interpretatievrijheid van de ander tot een minimum.

Wie vandaag een grapje maakt op Twitter, zet er beter een tranentuitende lachsmoel bij; laat je die achterwege, dan lig je vermoedelijk een minuut later digitaal gestenigd in je profiel wat laatste stuiptrekkingen te doen. Schrijver Christiaan Weijts noemde in NRC de smiley terecht eens ‘de betonrot in ons ironisch vermogen’. ‘Probeer maar eens een ironisch zinnetje te sms’en zonder 😉 erachter te typen’, nodigde hij uit. ‘Dat kost je vrienden. En misschien zelfs je relatie.’

Prikkend en porrend en pellend
Richard Rorty (1931-2007), een van de belangrijkste filosofen van de twintigste eeuw, stelde dat ironie een manier is om naar waarheid te zoeken. Op die manier hebben vele schrijvers, denkers en kunstenaars haar ook gebruikt: prikkend en porrend en pellend om glimpjes kwetsbaarheid of naaktheid te ontwaren. Dat het geen rechtstreekse route naar het hart van de waarheid is, lijkt me een overbodige constatering; ironie is een volstrekte omweg en de aankomst is bovendien onzeker.

Zijn we misschien te pragmatisch geworden voor die omweg? De ironicus moet je soms goed in het gezicht kijken. Maakt hij nu een grapje? Tongval, intonatie, mimiek, een blik in de ogen, ze kunnen allemaal iets verklappen over de strekking van zijn woorden. Soms ook niet. Dan moet je heel goed luisteren en de tijd nemen zodat je je werkelijk tot die ander kunt verhouden. Wie is hij, waar komt hij vandaan, waarom kiest hij deze formulering?

We zijn kennelijk zo overprikkeld of juist door Zoomsessies murw gebeukt dat het ons aan energie ontbreekt de duik in het ironische diepe te nemen. We verlangen naar duidelijkheid, waarbij we ironie alleen nog dulden en verstaan als zij vanaf het cabareteske podium komt, of als er een smiley bij staat. Niet als ze ons voorbijloopt, als een toevallige passant in het openbare leven. Dan moeten we haar namelijk aankijken, en daar zijn we veel te druk/kapot moe voor.

We zijn kennelijk zo overprikkeld of juist door Zoomsessies murw gebeukt dat het ons aan energie ontbreekt de duik in het ironische diepe te nemen

Dat smachten naar overzicht hangt, denk ik, een beetje samen met de reeds door velen geconstateerde teloorgang van de grote, ideologische verhalen die ons ooit samenbonden. Hét slachtoffer in de westerse contreien is onvermijdelijk het christelijk geïnspireerde verhaal. Sinds het hiernamaals heeft afgedaan, zo stelt de Vlaamse psychiater Dirk De Wachter bij herhaling, is het hier en nu de waarheid en de zekerheid waarmee we het moeten doen. En het hier en nu – wat is dat nog meer dan ons hoogstpersoonlijke levensverhaal? We strooien er dagelijks fragmenten van uit op sociale media en bekijken dat van anderen via dezelfde kanalen. Alles wat niet past in 280 Twitterkarakters of een opzichtig YouTube-filmpje valt buiten de scope van onze belangstelling, en daarmee ook van onze waarheidsvinding.

Het draait in dat alles hoofdzakelijk om wat er gebeurt at this very moment in my very particular life. Dáár zoeken we ons houvast, nu de grote droom van een religieus Jenseits ons niet meer verenigt. Ieder voor zich creëert een razendsnelle en immer voortdenderende trein vol gebeurtenissen die hem of haar het zicht op ‘de werkelijkheid’ of ‘de waarheid’ zou moeten bieden. En tot zover eigenlijk niks nieuws. Echter, in deze focus op het hier en nu vergeten we ironisch genoeg dat we aan die door Rorty bedoelde waarheid faliekant voorbij denderen. Waarheid ligt namelijk niet te shinen op de kaptafel van Nikkie Tutorials of de desk van uw nieuwslezer; integendeel, die verbergt zich in een doolhof achter de actualiteit waar ze zich via vele omwegen laat zoeken – en liever niet vinden. Via ironie, bijvoorbeeld.

Achterdocht
Maar er is nog iets aan de hand. De manier waarop wij de ander tegemoet treden, is de laatste decennia ingrijpend veranderd en dat heeft directe gevolgen voor hoe wij ons tot de ironicus verhouden. De Amerikaanse rechtsgeleerde Jedediah Purdy schrijft hier bijvoorbeeld over in politiek magazine The American ProspectIn zijn artikel heeft hij het over ‘een tijd van verfijnde achterdocht’, een tijd, zo moeten we uiteraard begrijpen, waarin wij nu leven. ‘Zonder aanzien des persoons’, schrijft hij, ‘fileren we met een scherp lemmet elke handeling, elke verklaring en elk gevoel, totdat het tot de juiste proporties is teruggebracht.’

Deze veronderstelde achterdocht staat haaks op de grondhouding waarmee de ironicus eigenlijk benaderd moet worden, namelijk loyaliteit. Je gaat er op zijn minst vanuit dat hij geen kwaad in de zin heeft. En dat doen we vandaag per definitie wél. Jan touwtje uit de brievenbus Terlouw kan erover meepraten. Kom er vandaag nog eens om. We zijn sceptisch over de goede bedoelingen van de ander.

Waar Purdy het door hem gesignaleerde scepticisme dezer dagen ziet omslaan in een nieuwe vorm van ironie – het leven is ‘op z’n best een lachertje’ – gaf ik zojuist al voorbeelden van hoe het basale wantrouwen jegens de ironicus ook een merkwaardig soort duidingsdrang in de hand werkt. We zetten smileys in onze appjes en vertellen vooraf aan ons publiek dat we iemand te kakken gaan zetten. Plaatsen we die richtingwijzers niet, dan zijn we kennelijk serieus en worden we aldus op onze woorden beoordeeld. De ijsklontjeshysterie en het debacle rondom Tommy Wieringa laten zien hoe kleinburgerlijk dat kan aflopen.

We zetten smileys in onze appjes en vertellen vooraf aan ons publiek dat we iemand te kakken gaan zetten

Niet langer loyaliteit dus, maar achterdocht is de grondhouding waarmee we de ander tegemoet treden. Vooral jongere generaties kunnen er wat van, klaagde de Britse commentator Claire Fox een paar jaar geleden al. Ze zag verschillende leerlingen op meerdere middelbare scholen door het lint gaan toen ze tijdens gesprekken of discussies met andere opvattingen werden geconfronteerd. Elk alternatief geluid werd door hen geïnterpreteerd als een rechtstreekse aanval op hun identiteit. Doordat veel jonge mensen overgevoelig zijn geworden voor kritiek, raakt het debat gesmoord, zo constateerde ze. Fox schreef een boek over de zogenoemde millennials (jongeren geboren rond 2000) die met een beroep op emotie de ander de mond willen snoeren: I Find That Offensive! (Dat vind ik beledigend!), zo luidde de veelzeggende titel.

De bruggetjes van ‘discussie’ naar ‘ironie’ en van ‘jongeren’ naar ‘samenleving’ zijn klein. Een grapje over iets wat mij persoonlijk raakt is geen ironie, dat is een pure belediging! Vraag het maar aan Kim uit Raalte, of aan De Telegraaf.

C’est la vie
Nu dit alles is gezegd, kunnen we ons afvragen of het vermeende uitsterven van ironie misschien simpelweg een evolutionair gegeven is, zoals ook diersoorten verdwijnen. Klimaat en habitat veranderen door de eeuwen heen dusdanig dat er voor sommige wezens op een gegeven moment nu eenmaal geen bestaan meer mogelijk is. C’est la vie.

Socioloog Merijn Oudenampsen is iemand die de teloorgang van ironie op die manier duidt. Hij vraagt zich af of ze vandaag nog vruchtbare grond vindt. Want, zegt hij in een lezing in 2014, ‘ironie heeft een ernstige, oprechte positie nodig om zich tegen af te zetten. Zonder dat slaat de ironie terug op zichzelf.’ Hij voert Gerard Reve op, die in 1966 ‘de goegemeente nog kon schokken door op ironische wijze God in ezelsgedaante van achteren te nemen’. Oudenampsen meent dat ‘de morele orde van voorheen – van de verzuiling, van de dominee- en pastorenmoraal – is kaltgestellt’en dat derhalve,bij het ontbreken van God en gebod, ironie ‘een enigszins krachteloos en gemakzuchtig gebaar’ is geworden.

Gerard Reve kon in 1966 ‘de goegemeente nog schokken door op ironische wijze God in ezelsgedaante van achteren te nemen’

Ik deel zijn opvatting dat allerlei vormen van humor het lekker doen op God en geloof, of breder op heilige grond. Op die constatering hebben al vele Nederlandse grootmeesters in de ironie gereflecteerd. Herman Finkers: het geloof moet je kunnen bespotten, anders stelt het niet zoveel voor. Godfried Bomans: humor is ernst, doorgetrokken naar het absurde. Toon Hermans: gevoel voor humor begint bij gevoel voor verdriet. Vanzelfsprekend, tegen de donkere achtergronden van het leven krijgt de ironie extra glans. Je zou het bijna natuurkundig kunnen ontleden.

Maar bij zijn analyse dat het in onze samenleving aan heilige huisjes ontbreekt en dat ironie daarmee haar kracht verloren heeft, zou ik een vraagteken willen plaatsen. Is het namelijk niet zo dat de jonge debatten van vandaag met eenzelfde dogmatische explosiviteit zijn geladen als de radicale vleugels van religieuze gemeenschappen? Denk aan huidige maatschappelijke discussies over gender en racisme. Degenen die daarin het hoogste woord voeren, onderscheiden zich nauwelijks van de godsdienstige fundamentalist waar het gaat om het eindeloze gedrein, de bekeringsdrang en de ongevoeligheid voor nuance. Het lijkt mij dat in deze kringen nog genoeg gespot kan worden.

Blind idealisme
Ook daarbuiten overigens. Maar nu God en z’n gevolg door eeuwen ironie enigszins gelouterd lijken, kan het geen kwaad onze ironische pijlen vanaf vandaag wat vaker op de moderne discussies af te vuren. Gewoon als een poging om ook daar een vonkje waarheid te zien flonkeren, en tegelijk om te waarschuwen voor de uitslaande vlammen van blind idealisme.

Maar laten we elkaar ook in groter verband met spot en zelfspot blijven bejegenen. Ik ben bang dat we anders kopje onder gaan in de weerbarstige werkelijkheid van alledag, waarin elke ironische opmerking zal worden begrepen als een persoonlijke aanval. We zullen elkaar in het moeras van kleine kwetsuur naar beneden blijven trekken, omdat we continu boos, verdrietig en teleurgesteld zijn, totdat we er, met ijsklontjes en al, in verzuipen.

Ironie is niet zomaar een hobby van verveelde intellectuelen, maar een onmisbare beschermingslaag tegen de kwalen die onze alledaagse werkelijkheid met zich meebrengt

En daarmee beland ik ten slotte bij de vraag waarom ik mij treurend ophoud aan het sterfbed van de ironie. Namelijk omdat ironie niet zomaar een hobby is van verveelde intellectuelen, maar omdat ze een onmisbare bescherming is tegen de kwalen die onze alledaagse werkelijkheid met zich meebrengt. Die jaagt ons maar op, die infantiliseert ons gedrag, die verkleint ons incasseringsvermogen, die maakt blind en achterdochtig, boos en verward.

En is het niet de eindeloze optocht van grapjes over het heilige geweest die ons telkens behoedde voor fundamentalisme en een al te zware opvatting van onszelf? Was het niet de ironie die altijd als een koevoet naar de waarheid wrikte – hoe onvindbaar ook? Heeft niet de spottende vraag elke keer opnieuw het vernislaagje van onze vroomheid gekrabd, waardoor we heftiger zijn gaan verlangen naar het ware, het schone en het goede?

Zonder ironie zal de alledaagse werkelijkheid ons uiteindelijk verstikken. Het lijkt me de moeite van het proberen niet waard.

Waardeer dit artikel!

Dit artikel las je gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je jouw waardering laten zien door een kleine bijdrage te doen.

Zie hier voor meer informatie!

Mijn gekozen waardering € -
Publiceert als journalist en essayist onder andere in NRC, Trouw, De Groene Amsterdammer, OneWorld en het AD. Bij Uitgeverij Ten Have verschijnt in 2022 zijn boek Moeder van 40.000 kinderen, over armoede en de noodzaak om die snel en volledig uit te bannen. Werkt ondertussen aan zijn debuutroman.