‘Ik stel voor dat we de discussie hier stoppen, en verder gaan in klei… Nee, nee, niet meer praten nu. Kleien!’ Deze onbetaalbare interruptie van de creatief therapeute werkte bij mij steevast op de lachspieren. Maar verder ruziën in klei valt uiteraard verre te prefereren boven een prefrontale lobotomie uit het duistere verleden van de psychiatrie.

STEUN RO

Bovendien werd ik er meteen rustig van zodra ik mijn duimen in zo’n bonkje zompige klei zette. De behoefte om mijn eigen standpunten te vuur en te zwaard te verdedigen tegenover die lastige Ander smolt kleienderwijs weg. Lekker uitdrukken en vormgeven in knedende bewegingen, die eeuwige angst om niet begrepen te worden… Volledig in flow, een prettiger gemoedstoestand bestaat eigenlijk niet. Na een uur wist ik niet eens meer waar ik nou zo geagiteerd over was geweest.

Maar dat behulpzame bonkje therapeutische klei heeft wel een lange weg moeten afleggen. Twee eeuwen geleden konden mensen hun zielepijn slechts vormgeven in uitgekauwde broodkorsten. Als dat tenminste lukte, tussen de duiveluitdrijvingen, aderlatingen en gedwongen ijsbaden door en met al die ketenen om.

Drie grote voordelen

Gelukkig maakten dergelijke behandelmethoden gaandeweg plaats voor een humanere aanpak van psychiatrische ziektebeelden, waaronder kunstzinnige vorming. Logisch, want al in de oudheid werd een duidelijk verband gelegd tussen geniale kunst en gekte. Nullum magnum ingenium sine mixtura dementiae fuit, aldus Seneca. Vrij vertaald: groot talent zonder een vleugje waanzin bestaat niet.

Tussen kunst en psychiatrie bestaat inderdaad een innig verbond, dat drie grote voordelen biedt. Ten eerste brengen psychiatrische patiënten hun turbulente innerlijk leven tot uitdrukking in verf, steen of hout en worden daar rustiger en gelukkiger van. Ten tweede doen gevestigde kunstenaars nieuwe en verrassende inspiratie op door psychiatrische kunst te bestuderen. En ten derde krijgt het grote publiek meer inzicht in de vele manieren waarop een medemens de werkelijkheid kan ervaren en uitdrukken.

Niet meer zomaar weggooien

Een van de eerste artsen die serieuze interesse toonde voor artistiek werk van psychiatrische patiënten was de Amerikaanse psychiater Benjamin Rush (1745-1813). Volgens hem gaven de vreemde tekeningen hem belangrijke aanwijzingen over de getormenteerde psyche van zijn patiënten. Rush schreef dat hij sommige tekeningen behoorlijk goed vond, misschien zelfs wel beter dan werk van echte kunstenaars.

Maar pas na het midden van de negentiende eeuw werd het voor psychiaters normaal om de creatieve uitingen van hun patiënten niet meer zomaar weg te gooien, maar serieus te bestuderen. Dat kwam volgens hen heel goed van pas bij het stellen van diagnoses. Daarbij hanteerden ze echter wel de rigide stelregel dat alles wat geen waarheidsgetrouwe, dus klassiek naturalistische weergave van de werkelijkheid was, automatisch wees op een zieke geest.

‘Gekkenwerk’ was nieuw en spannend

Aan het begin van de twintigste eeuw werden de creatieve uitingen van psychiatrische patiënten voor het eerst tentoongesteld door bevlogen psychiaters. Hierdoor gingen ook kunstcritici en gevestigde kunstenaars zich interesseren voor het creatieve werk van psychiatrische patiënten. Vooral het expressieve karakter, het eigenzinnige kleurgebruik en de vreemde vervormingen in de werken van geesteszieken wekte de belangstelling van de kunstenaars. Dit werk van ‘gekken’ (maar ook van primitieve volkeren en van kinderen) week enorm af van de traditionele, academische en onveranderlijk figuratieve stijl waar elke kunstenaar zich aan diende te houden. Dit was nieuw en spannend! Sommige kunstenaars begonnen zelf artistiek werk van psychiatrische patiënten te verzamelen.

Groot ontzag voor Adolf Wölfli

De Franse psychiater en kunstcriticus Paul Gaston Meunier schreef in 1907 het boek L’Art chez les fous, bedoeld om een breed publiek te laten kennismaken met de kunst van geesteszieken. Onder het pseudoniem Marcel Réja stelde de schrijver dat artistiek werk van mensen uit een psychiatrische inrichting feitelijk niet veel verschilde van ‘gewone kunst’, maar vaak uitvergrotingen laat zien van normale menselijke gevoelens en gedachten, op een heel eerlijke manier. Daarbij maakte hij wel een strikt onderscheid tussen nietszeggende loze krabbels, decoratieve kunst (meer vorm dan inhoud) en de -volgens Réja pas echt interessante- sprekende kunst, waarin ideeën of gevoelens worden uitgebeeld.

De Zwitserse psychiater Walter Morgenthaler schreef in 1921 Ein Geisteskranker als Künstler over Adolf Wölfli, een kunstzinnige patiënt van hem die in verschillende stijlen kon werken en voor wie hij groot ontzag had. Met dit boek haalde Morgenthaler zich de minachting van zijn collega’s op de hals, want het met naam en toenaam bespreken van een psychiatrische patiënt en zo iemand behandelen als een echte kunstenaar werd in die tijd nog vrij absurd gevonden. Maar de kunstwereld reageerde zeer positief op Morgenthalers boek.

Schizofrenen zijn het productiefst

In diezelfde periode bouwde psychiater en kunsthistoricus Hans Prinzhorn in de psychiatrische universiteitskliniek Heidelberg met 5000 werken van 450 geesteszieken aan de grootste collectie psychiatrische kunst tot dan toe. Deze Prinzhorn Collectie werd permanent tentoongesteld in een eigen museum.

Hierover schreef Prinzhorn in 1922 het boek Bildnerei der Geisteskranken, waarin hij stelde dat kunst van geesteszieken niet alleen een interessant kijkje gaf in de binnenwereld van psychiatrische patiënten, maar los daarvan ook een grote esthetische waarde had. Prinzhorn bestudeerde het werk van onder andere bipolaire patiënten, epileptici, zwakzinnigen en psychopaten, maar hij concludeerde dat schizofrene patiënten het productiefst waren.

Mede door het boek van Prinzhorn gingen veel kunstenaars de collectie in Heidelberg persoonlijk bekijken, onder wie Paul Klee, Alfred Kubin, Max Ernst en Jean Dubuffet. Zij vonden de spontane, ongeremde, niet door kunstacademies getrainde kunst zeer inspirerend.

Nieuwe inspiratie voor kunstenaars

Nu leefde er onder avantgardistische kunstenaars al langer onvrede over het strakke, negentiende eeuwse academische keurslijf waarin zij moesten werken. Traditionele kunst was volgens hen oppervlakkig. Steeds vaker zochten ze hun inspiratie in bijvoorbeeld primitieve kunst en het werk van psychiatrische patiënten, dat volgens hen veel krachtiger, emotioneler en creatiever was dan ‘normale’ kunst. Jean Dubuffet noemde deze originele, rauwe kunst van ongetrainde autodidacten Art Brut.

Maar terwijl er in de eerste helft van de twintigste eeuw enerzijds steeds meer waardering groeide voor het creatieve werk van psychiatrische patiënten, groeide er anderzijds steeds meer weerstand tegen ‘afwijkende’ kunst, vooral onder aanhangers van het klassieke figuratieve naturalisme. Vaak werd moderne kunst gewoon stomweg gehaat en impressionistische schilders werden voor gek versleten. Zelfs door Carl Gustav Jung, die in 1932 ongevraagd vaststelde dat Pablo Picasso schizofreen was. Picasso zelf was juist uiterst tevreden over de zeggingskracht van zijn opzettelijke vertekeningen, want ‘kunst is een leugen die de waarheid onthult’, aldus de grote meester. Veel kunstkenners waren er echter heilig van overtuigd dat moderne kunstenaars op het randje van krankzinnigheid wankelden en dat hun grensverleggende werk ontaard was.

Ontaarde kunst volgens Hitler

Ook Adolf Hitler (zelf een mislukt kunstenaar) had een hartgrondige hekel aan moderne kunst, die hij beschouwde als een aanval op de waarheid, en dus als een gevaar. Hitler vond dat moderne kunstenaars straf verdienden voor hun slechte kunst en deed vanaf 1933 zijn uiterste best om de vrijheid van kunstenaars zo veel mogelijk te beknotten. In 1937 wilde hij met de reizende tentoonstelling Entartete Kunst (Ontaarde Kunst) het grote publiek laten zien waaraan men slechte kunst kan herkennen. Moderne kunst werd naast het werk van psychiatrische patiënten getoond, om te laten zien hoe ontaard dat expressionisme en dadaïsme was. Hier hing ook werk uit de Prinzhorn Collectie bij.

Na de Tweede Wereldoorlog kwam kunsttherapie binnen de psychiatrie pas echt tot bloei. Maar vanaf 1965 kwam er steeds meer medicatie voor geestesziekten op de markt. Deze pillen maakten de patiënten een stuk suffer en duffer dan voorheen, wat ook zijn weerslag kreeg in hun creatieve werk.

Outsider Art: medicatie taboe?

In 1972 schreef kunsthistoricus Roger Cardinal het boek Outsider Art, waarin hij diep ingaat op de kunst van ‘buitenstaanders’, zoals psychiatrische patiënten en andere autodidacten. Met Outsider Art wordt hetzelfde bedoeld als met Art Brut. Er bestaat al decennialang een zeer toegewijde groep van liefhebbers voor outsider kunst. Zo toegewijd zelfs, dat sommigen vinden dat geesteszieke outsider-kunstenaars helemaal geen contact meer mogen hebben met de buitenwereld en ook geen gebruik zouden moeten maken van medicijnen of therapie, zodat hun kunst zo authentiek mogelijk blijft.

Ook binnen Nederlandse psychiatrische instellingen is veel aandacht voor de creativiteit van cliënten. Tegenwoordig worden kunstenaars vaak uitgenodigd om samen met de cliënten aan kunstprojecten te werken. Het Praktijkbureau Beeldende Kunstopdrachten, tegenwoordig de SKOR (Stichting Kunst en Openbare Ruimte), heeft verschillende van dit soort kunstprojecten geïnitieerd en ook artists in residence-programma’s worden veel toegepast. Zo bevindt zich op het terrein van de Willem Arntsz hoeve in Den Dolder de atelierwoning Het Vijfde Seizoen, waar kunstenaars drie maanden wonen en samenwerken met de cliënten. De Amsterdamse kunstuitleen en galerie Stichting Beeldend Gesproken exposeert, verhuurt en verkoopt werk van kunstenaars met een psychiatrische achtergrond.

Kan kunst echt genezen?

Hoe vreemd het ook moge klinken: wetenschappers hebben nog altijd niet kunnen bewijzen dat creatieve expressie een duidelijk aantoonbare genezende werking heeft. Het heilzame effect van artistiek werk is namelijk niet meetbaar, ook al is er veel studie naar gedaan. Onderzoek uit 2012 wees uit dat kunstzinnige vorming geen verschil maakt in de behandelresultaten van psychiatrische patiënten. Maar ook dat zegt eigenlijk niets…

Volgens psychotherapeut en kunsthistoricus Georg Franzen is het maken van kunst voor psychiatrische patiënten hoe dan ook een perfecte uitlaatklep voor innerlijke spanningen, frustraties en emoties: ‘soms kun je je binnenwereld beter uitbeelden met een potlood of penseel, dan met woorden. Creatief werk versterkt het concentratievermogen van cliënten, en verhoogt hun emotionele competentie en hun zelfwaardering.’ Inderdaad, soms schieten woorden gewoon tekort om gevoelens en ideeën te beschrijven. Dat was precies wat filosoof Ludwig Wittgenstein bedoelde toen hij schreef ’waarover je niet spreken kan, kun je beter zwijgen’.

Of de wetenschap nu wel of niet ooit in staat zal zijn om het genezende effect van creatief werk te meten, het is zeker niet ongebruikelijk dat cliënten met een psychiatrisch verleden er uiteindelijk in slagen om als professioneel kunstenaar in hun eigen onderhoud te voorzien. En dat is mooi. Heel mooi zelfs.

Meer lezen over kunst en psychiatrie

Dit artikel is afkomstig uit het decembernummer van GGZtotaal, het e-magazine voor de GGZ. Het thema kunst en psychiatrie wordt daarin verder uitgediept met onder meer artikelen over het museum Dr. Guislain te Gent, de Art Brut collectie in Lausanne, het Outsider Art Museum in de Amsterdamse Hermitage en portretten van kunstenaars Gerard Lankveld, Adolf Wölfli, Willem van Genk en Henri Darger.

Journaliste met een zwak voor de natuur EN de menselijke natuur. Werkt(e) onder meer voor natuurmagazine Roots, Wereld Natuur Fonds, Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten en is mede-auteur van zeven boeken over de natuur.