Zahra Bahrami moest dood omdat ze politiek actief was. En Nederland wist al veel eerder dat zij was opgepakt. Zegt een vriend van haar, die hiernaartoe vluchtte.

STEUN RO

‘Zahra werd aan haar haren uit haar roze Toyota Yaris gesleurd door de oproerpolitie, ik zag het in de verte gebeuren. We hadden met haar afgesproken in Teheran, op de hoek van Shademan Street en Enghlab Street, om te gaan demonstreren. Het was een uur of drie, de zon scheen, maar het was koud. Mijn vriend Mohammad en ik kwamen net aanlopen, hij had haar nog over de mobiel verteld om in een zijstraat te parkeren. Toen zagen we het gebeuren. Ik was woedend, het voelde alsof mijn handen vastgeboeid werden. Je wilt iets doen, maar je kunt niets.’

Aan het woord is ‘Ali’, een vriend van Zahra Bahrami, de Nederlands- Iraanse die op 29 januari 2011 werd geëxecuteerd door het regime van de moellahs. Ofciële aanklacht: drugssmokkel en staatsgevaarlijke activiteiten. Iran erkent geen tweede nationaliteit en stelde dat het een interne gelegenheid betrof. Maar minister Uri Rosenthal (Buitenlandse Zaken) erkende achteraf dat hij tekort was geschoten, door niet persoonlijk haar zaak te bespreken met zijn Iraanse collega.

Hij zou op het verkeerde been gezet zijn door het regime, dat het doodvonnis op onverwacht korte termijn – en zonder beroepsmogelijkheid – voltrok. Toen ze ook nog bliksemsnel honderden kilometers verderop begraven werd, zodat haar familie er niet bij kon zijn, haalde Rosenthal de Nederlandse ambassadeur uit protest terug.

Korte broek

Ali (een schuilnaam) doet zijn verhaal ergens in het noorden van Nederland, waar hij na een lange vlucht belandde. De veertiger zit in korte broek achter de laptop, zijn levenslijn – naast koffie en sigaretten. ‘Ik wil haar naam zuiveren. Dat ze drugs vonden bij haar thuis is doorgestoken kaart, ze hebben haar vermoord omdat ze een politiek activiste was!’

Samen met Zahra en Mohammad (eveneens een schuilnaam) liep hij mee in de befaamde demonstraties van Ashura (een sjiitische feestdag) op 27 december 2009. De Groene Beweging protesteerde tegen de verkiezingsfraude door het regime. Twee dagen later gingen ze opnieuw de straat op, die fatale dag. De twee mannen ontsprongen de dans, maar wisten dat ze meteen moesten onderduiken.

‘Onze laptops lagen bij Zahra thuis. Ze zouden ons zeker op het spoor komen.’

Mohammad en hij doken onder – gelukkig had hij van tevoren al zijn Rottweiler bij een vriend ondergebracht.

‘Mijn huis wordt in de gaten gehouden, ik heb alles achter moeten laten.’ Contact met Zahra’s familie was te gevaarlijk, maar hij moest en zou de internationale gemeenschap waarschuwen. Met anonieme e-mails en telefoontjes. ‘Ik meldde het bij Amnesty International, bij de UNHCR. Maar niemand deed iets.’

Er is meer: Ali belde ook zo snel mogelijk met de Nederlandse ambassade in Teheran. ‘De eerste twee keer kwam ik niet voorbij de receptie. Toen verzon ik een list: ik zei dat ik George Brown was van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken en dat ik de ambassadeur wilde spreken – ik had inmiddels zijn naam achterhaald.

Ik werd doorverbonden en vertelde hem dat Zahra Bahrami, een Nederlandse burger, gearresteerd was en in gevaar was door politieke beschuldigingen.

Please help her! De ambassadeur beloofde dat hij zou praten met de autoriteiten en dat hij zou proberen om haar vrij te krijgen.’

D at was eind januari 2010, zegt Ali. Terwijl het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken ofcieel stelt dat het pas in juli 2010 op de hoogte was van Zahra’s identiteit, mede omdat haar familie pas in juni contact opnam. Woedend: ‘Het is alsof je tegen een muur praat. Ze hebben niets voor haar gedaan, het ministerie heeft niet eens bijgedragen in de advocatenkosten toen haar dochter daarom vroeg. Where the hell was the international pressure! Was dat ook zo gegaan als ze Nederlandse van geboorte was…?’

Ali laat de chatrooms zien waar tegenstanders van het regime politieke discussies voeren. Zoals via Beyluxe Messenger en Paltalk. ‘Hier heb ik Zahra leren kennen. Ze logde in onder haar pseudoniem Kurdieh Banoo, dat betekent Koerdische dame.

Haar moeder was van Koerdische afkomst.

April 2008 – toen ze kwam voor het Perzisch Nieuwjaar – heb ik haar voor het eerst in het echt ontmoet, bij Mohammad, met wie ze heel close was. Ze was altijd vrolijk en optimistisch, maar ook erg dapper. Ze riep in de demonstraties dat we niet bang moesten zijn, dat wij met veel meer waren dan zij, dan de basjii. Of ze zich bewust was van de gevaren? Ja, Zahra droeg een klein mes bij zich. Om zichzelf te doden als ze haar te pakken zouden krijgen.’

Stad van bloed

Op internet circuleert een fragment met Zahra’s ‘laatste woorden’. De dag na Ashura belt ze in bij oppositiestation Radio Farda. Haar stem is schor, maar herkenbaar voor vrienden. Furieus gaat ze tekeer tegen een vorige spreker, die zich afvraagt of de protesten niet wat vreedzamer kunnen. ‘Jij was hier niet toen de veiligheidstroepen voor mijn ogen met hun Nissan Patrols over drie jongeren heenreden. (…) Maar ze zullen me niet meer stil krijgen. (…) Vanaf nu zullen we alles aanvallen wat bij dit regime hoort! Dit is Nederland niet, Duitsland niet, Los Angeles niet, dit is Teheran, de stad van bloed.’

Zo gaat het minuten lang door. Ali vertaalt het Farsi. Hij spreekt uitstekend Engels, met Amerikaans accent (‘Mijn ouders hadden geld, ik zat op een internationale school’).

Dan klinkt een onbekende stem.

Een bizarre gewaarwording. Zijn vriend Mohammad logt in op een soort beveiligde internetkamer, zodat hij op duizenden kilometers afstand kan meeluisteren. En meepraten. ‘Ik weet niet of mijn naam genoemd is,’ vertelt Mohammad. ‘Daarom leef ik nu ondergronds.’ Ondergedoken met zijn gezin, op het Iraanse platteland, zoals Ali ook deed voor hij vluchtte: ‘In Turkije heb ik vijfentwintig dagen op hem gewacht. We zouden er samen vandoor gaan. Uiteindelijk ben ik alleen vertrokken.’

Op verzoek vraagt Ali zijn vriend waarom die niet kwam opdagen. Mohammad: ‘Ik wil het land niet verlaten, om ergens anders als een zigeuner te leven. Ik vertrouw geen enkele organisatie. Denk aan die Iraanse man die zich in brand stak. Die woonde al acht jaar in Nederland en had nog steeds geen verblijfsstatus.’

Mohammad mist Zahra. ‘Ze was gek op Indiase en Perzische muziek. In de auto zong ze altijd mee met de zanger Dariush, met haar lievelingsnummer Dobare misazamat vatan: ik zal je opnieuw opbouwen, mijn verwoest land.’ Dan: ‘Ze leerde me om dapper te zijn. Ze had alles, ze kon in het buitenland leven, maar ze kwam hier om te demonstreren. Ze was mijn held, is mijn held en zal altijd mijn held zijn.’

Mohammads snikken vloeien zachtjes door de kamer. Zo ver weg, zo hartverscheurend.

Ali zwijgt. Hij voelt zich schuldig dat hij hier zit en zijn vriend daar. In oktober arriveerde hij in Nederland (‘De mensensmokkelaar zou me naar Engeland brengen, maar toen ik uit de truck moest, zag ik dat iedereen rechts reed’). Hij vraagt asiel aan. Begin februari – oftewel kort na het nieuws van Zahra’s ophanging – stort hij mentaal in.

Ook loopt Ali een beetje mank, met dank aan een diepe snee vlak boven zijn knie. Hij laat een groot litteken op zijn rechterarm zien, en afdrukken van sigarettenpeuken op zijn enkel.

‘Ik heb negen maanden vastgezeten in de beruchte Evin-gevangenis, in de politieke afdeling 209 – ik noem het de ‘onschuldigen-sectie’. Ik was opgepakt bij de studentenprotesten in 1999. Ik heb drie schijnexecuties gehad. Ze hebben me gemarteld. Ze sloegen zo lang op mijn voeten dat ik nu geen gevoel meer in mijn tenen heb. Geloof me, op een gegeven moment wil je gewoon dood. Als ik mezelf had kunnen wurgen, had ik het gedaan.’

Onislamitisch gedrag

Eenmaal vrij stortte hij zich op zijn bedrijfje. Hij was al van de universiteit gegooid wegens ‘onislamitisch gedrag’. Ali werd actief op het internet. ‘We gaven in chatboxen af op de islam, een religie van bloedvergieten. Zahra deed mee aan die discussies. Ze was geen lid van een organisatie, maar wel overtuigd monarchist. Dat zij in de politieke vleugel 209 zat, bewijst dat die drugszaak er met de haren bij is gesleept. Haar bekentenis is afgedwongen met valse beloften. De hoeveelheid nam ook steeds toe. Eerst hadden ze 400 gram cocaïne gevonden, toen kwam er 400 gram opium bij en toen werd het opeens meer dan een kilo!’

Er zit geen enkele logica in, stelt de vluchteling. ‘Oké, dan is ze een keer in de fout gegaan in Nederland. Maar je kunt makkelijker aan drugs komen in Iran dan hier aan een pul bier.

Waarom zou ze die smokkelen? En ze zou wel helemaal gek zijn om drugs in huis te hebben en dan te gaan demonstreren, met zo’n groot risico op aanhouding. Nee, ze is verraden vanwege haar politieke activiteiten. Ik kan niet zeggen door wie, maar het is iemand die dicht bij haar stond. De autoriteiten wisten precies waar ze naar toe ging en wat voor auto ze reed, ja zelfs haar kleur haar.’

Vol spot becommentarieert hij de ‘documentaire’ die de Iraanse staatstelevisie uitzond over het bewijs dat bij Zahra gevonden zou zijn. De zakjes witte poeder worden uit bedspijlen en een kacheltje getoverd. Er komen handlangers aan het woord, er wordt gerept van een Nederlands-Colombiaanse vrouw uit het complot.

Ali, sceptisch: ‘Allemaal namen waar nooit meer iets van vernomen is.’

‘De wereld weet nu toch wel dat dit wrede regime tot alles in staat is, dat ze liegen, martelen, verkrachten… En dan hebben ze ook nog het lef om te zeggen dat Nederland ‘dankbaar’ moet zijn dat ze Zahra geëxecuteerd hebben. Dáárom wil ik haar naam zuiveren.’

Journalist en columnist. Schrijft over alwat voor zijn pen komt, van Haagse politiek tot terrorisme. Beukt er graag op los met de filosofenhamer. Classicus en volgeling van Dionysus, liefhebber van spot en ironie, slaat nooit een cappuccino af.

Geef een reactie