Zo koop je wiet in bij de grote jongens

Goede wiet wordt schaarser. Coffeeshops zijn steeds meer aangewezen op handelaren met een crimineel cv. Een inkoopster van coffeeshop Xpresso vertelt me hoe ze werkt.

Een keer of drie per week staat er bij een gebouw ergens in Zwijndrecht een man aan het hek, met een grote kartonnen doos. Inkoopster Maartje (niet haar echte naam) heeft hem gebeld, met het voorstel om snel even ‘een bakkie te doen’. Dan weet hij – het zijn altijd mannen – genoeg. In de wereld van de softdrugshandel drink je zo heel wat koffie.

Even een bakkie doen

Sommige leveranciers staan erop om in de ochtend- of avondspits te komen. De kans dat de politie onderweg je auto controleert, is dan kleiner. Anderen komen ook op andere momenten.

Tien minuten

Maartje laat de leverancier binnen, en sluit de deur. Ze rolt een kastje onder de tafel uit met een weegschaal erop. De teler, handelaar of bezorger opent de kartonnen doos, en haalt er grote zwarte strijkzakken uit: met een strijkijzer dichtgesmolten plastictassen.

Maartje knipt ze open en schudt ze leeg in een witte plastic ton op de weegschaal. Op een geprint etiket op de buitenkant staat het gewicht van de lege ton. Zo kan geen twijfel zijn over het gewicht van de wiet. Met een flinke stapel briefjes van vijftig en twintig – een paar kilo wiet doet al snel duizenden euro’s – verlaat de leverancier het gebouw. De transactie duurt nog geen tien minuten.

Wietallergie

Maartje – die vanwege haar veiligheid niet met haar echte naam in dit artikel wil – werkt ruim tien jaar voor coffeeshop Xpresso in Zwijndrecht. Ze kwam als schoonmaakster binnen. Dat werk deed ze eerder ook al in een hotel. Daarna deed ze een mbo-opleiding detailhandel. Het werk bij de coffeeshop was een bijbaantje. Na haar opleiding ging ze er fulltime werken: bardiensten doen, jointjes draaien en zakjes wiet vullen. Wiet verwerken doet ze nu niet meer. Raakt ze het spul aan, dan krijgt ze huiduitslag: een wietallergie die ze heeft ontwikkeld. Het spul roken gaat haar wel nog prima af.

Directeur Wouter van Egmond begon haar erbij te roepen als hij een leverantie had. ‘Hij had er niet genoeg kijk op, en kocht weleens slechte wiet’, zegt Maartje, die al sinds haar veertiende blowt. Sinds drie jaar doet ze zelfstandig de inkoop. ‘Een vrouw in een mannenwereld’, zegt ze. ‘Dat is wel een voordeel, ik heb een streepje voor bij die mannen. Ze zullen mij niet vragen om naar een of ander parkeerterrein te komen voor een deal.’

Ik heb een streepje voor bij die mannen

Coffeeshop Xpresso wordt bevoorraad vanuit een geheime opslag (een stash, in softdrugstermen), waar medewerkers de joints fabriceren en de wiet afwegen. Maartje doet het werk dat daaraan vooraf gaat: ze haalt de wiet en hasj binnen. Voor één keer wil ze wel vertellen hoe ze te werk gaat. Het is een baan waarvoor je moet kunnen onderhandelen, je moet sociaal handig zijn, en niet op je mondje gevallen.

Alles draait om vertrouwen, en de juiste contacten. Dat het in- en verkopen van grotere hoeveelheden wiet officieel verboden is, maakt het werk lastig. Maartjes verhaal geeft daarvan een indruk – al zal het er bij andere coffeeshops, die minder open zijn over hun werkwijze, anders aan toegaan.

Dealertelefoon

Maartje heeft een lijst met tientallen contacten, die ze belt met haar ‘dealertelefoon’: een mobieltje dat ze eens in de paar weken vervangt. ‘Ik denk niet dat ik word afgetapt. Maar ik bel met criminelen, en zij misschien wel’, zegt ze.
Af en toe meldt zich in de coffeeshop iemand met ‘een nieuw wietje’. Ze laat de aanbieder het monstertje wegleggen in de keuken achter de shop, met een briefje met zijn nummer erbij.

Aan het eind van de dag gaat het mee naar huis, waar Maartje het test op de bank. Daarna maakt ze een omschrijving, een beetje zoals op de achterkant van een wijnfles: ‘Buddha Cheese: een lekker zoet wietje met een kaasachtig aroma. Je wordt er best wel stoned van, maar het effect is niet langdurig.’ Die omschrijving legt Maartje voor haar collega’s in een map in de shop, zodat zij klanten uitleg kunnen geven.

Kaasachtig aroma, je wordt er best wel stoned van, maar niet langdurig

Als een partij wiet geleverd wordt, bekijkt Maartje die altijd nog even met een webcam-achtige microscoop. ‘Als monstertje geven ze altijd het mooiste topje, dat weet je’, legt ze uit, terwijl ze op een beeldscherm een uitvergroot plukje wiet laat zien. Sneeuwachtig poeder op de groenbruine, mossige structuur is verdacht: dan is er bijvoorbeeld 7UP of – schadelijker – haarlak op de wiet gespoten. Dat geeft een glans die lijkt op die van THC, één van de werkzame stoffen van wiet. Wiet met veel THC-kristallen brengt meer op. Maartje laat ook een detailfoto zien van wiet die wel deugt: daar zijn de kristallen niet wit, maar helder als waterdruppels.

Plukafval

Andere verkopers verzwaren de wiet om meer geld binnen te halen: met zand bijvoorbeeld. Of er zitten ook onbruikbare delen van de plant bij. ‘Vorige week kwam er iemand met een zak plukafval binnen. Die stuur ik gelijk terug. Dat is vervelend, want dan moet hij nog een keer met dat spul de straat op. Dat gebeurt maar een keer of vijf per jaar’, zegt Maartje. Lachend: ‘Soms denkt iemand de eerste keer: ‘het is een meisje, ze zal er wel niet veel verstand van hebben. Maar zoiets flikken ze me maar één keer. Ik ben heel duidelijk. Ik denk aan mijn klanten, ik wil geen rotzooi in een zakje verkopen.’

Zoiets flikken ze me maar een keer

Maar dan nog, er kan altijd iets mis zijn met de wiet. Ooit sloeg een partij die ze al had gekocht ineens wit uit. Een of andere schimmel. Soms worden gevaarlijke bestrijdingsmiddelen gebruikt, en meestal is dat niet te zien. Net zo lastig is het om de sterkte van de wiet te bepalen. De Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit voert geen controles uit bij wietkwekers. Ook coffeeshops doen lang niet altijd de moeite die Maartje zich getroost om foute wiet buiten de deur te houden. Veel shops zeggen dat ze een microscoop gebruiken, maar dat geldt niet voor alle shops. Vaak test een medewerker de wiet door hem te roken, maar ook dat gebeurt niet altijd.

Ripdeals

Het is niet altijd zo dat wiet in een gebouw wordt geleverd en meteen wordt afgerekend, zoals bij Xpresso. Volgens Nicole Maalsté en Michiel Panhuysen proberen leveranciers en coffeeshophouders dat soort situaties vaak te vermijden met het oog op ripdeals (gewelddadige drugsovervallen), zo schrijven ze in hun boek hun boek ‘De wietindustrie’. De overvaller heeft dan namelijk ‘een dubbele buit’: zowel het geld als de wiet.

Een Rotterdamse ondernemer vertelt in het boek over een doorsnee transactie, die heel anders verloopt dan bij Xpresso: ‘Ik stuur een medewerker met een transportbusje naar de overdrachtplek, meestal een parkeerplaats van een drukke bouwmarkt in de buurt. Daar neemt hij de wiet in ontvangst, die hij meteen naar een veilige stash rijdt. In alle rust kijkt de medewerker daar of er niets mis is met de partij en dan keert hij met geld voor de verkoper terug naar de parkeerplaats.’

Vaak vraag ik een collega in de buurt te blijven

Maartje voelt zich juist veiliger binnen. ‘Als ik voor de eerste keer een afspraak hem met een leverancier, vraag ik vaak een collega om in de buurt te blijven of even te komen kijken als het langer duurt dan een kwartier.’ Ze wordt nooit onder druk gezet om een partij te nemen, zegt Maartje, ook schelden is er niet bij. ‘Nee, het wordt nooit vervelend. Hooguit zegt een iemand: “Ah, neem het nou.”’

Het heeft geen zin mij te beroven: dan kunnen ze hun shit niet kwijt

‘Het is een kwestie van vertrouwen’, vervolgt ze. ‘De jongens die hier komen, die ken ik allemaal wel. Het heeft voor hen geen zin mij te beroven: dan kunnen ze hun shit niet kwijt’, zegt ze. ‘Die ripdeals, daar zit altijd meer achter’, denkt ze. ‘Dat zijn echt de groten van de groten onder elkaar, dat gaat om partijen wiet voor het buitenland.’

Kleine en grote jongens

De leveranciers van Xpresso komen in alle soorten en maten, maar grofweg zijn er twee groepen: de kleine telers en de ‘grote jongens’. Ongeveer de helft van de wiet komt van kleine telers: goede en minder goede. ‘Het aantal wisselt, maar we hebben meestal ongeveer zes vaste telers. Die vertrouw ik blindelings. Wat ze meenemen is heel verschillend, soms anderhalve kilo, soms drie kilo. Iemand komt om de twee, drie maanden met een kilootje.’

Wie het zijn, die vaste leveranciers? ‘Jong, oud, heel verschillend’, zegt Maartje. ‘Er zitten soms marktkooplui bij, huismoeders, mensen met een baan in de bouw, mensen die werken op een kantoor. Bij deze kleine telers krijg ik altijd hetzelfde. De partijtjes zijn met zorg geteeld’, vertelt Maartje. ‘Het nadeel van zo’n kleine partij: als ik maar een pondje wiet krijg, is het soms in één dag op. Maar ik koop ze wel, die pondjes: ik vind het belangrijk om af en toe mooie wietjes te hebben voor de klanten.’

Er zitten marktkooplui bij, huismoeders, mensen met een baan in de bouw of op kantoor

Maar er zijn ook beunhazen onder de kleintjes. ‘Steeds vaker zetten jongere jongens zetten even een paar plantjes neer voor het geld’, vertelt Maartje. ‘Maar ze hebben er geen verstand van.’

Uit liefde

Economiestudent Martijn Huigen van Tilburg University interviewde drie jaar geleden acht coffeeshophouders voor zijn masterscriptie. Zij zeggen – net als Maartje – het liefst zaken te doen met kleine telers, die niet alleen voor het geld telen, maar ook ‘uit liefde voor de plant’. Werken met dit type teler is de beste garantie op goede wiet. Maar volgens de coffeeshophouders zijn ze er steeds minder.

Dat zegt ook Nicole Maalsté, auteur van ‘De Wietindustrie’. Maalsté werkt als zelfstandig onderzoeker onder andere voor van Epicurus, een stichting van cannabisondernemers die lobbyt voor gereguleerde hennepteelt. Volgens Maalsté wordt die daling van het aantal kleine telers veroorzaakt door het hardere optreden van politie en justitie van de afgelopen jaren. ‘Degenen die het risico niet willen nemen, hebben zich teruggetrokken. Andere partijen hebben daar minder moeite mee: partijen die zich ook al bezighouden met andere typen criminaliteit, en het risico incalculeren.’

Agressief

Dat zijn nu juist de lui die coffeeshophouders liever uit de weg gaan. In de scriptie van Huigen zeggen ze liever geen zaken te doen met iemand die er ‘crimineel uitziet’, ‘agressief’ is, of ‘mensen die harddrugs gebruiken of een wapen dragen’ of bijvoorbeeld handelen in gestolen auto’s. Maar volgens Maalsté hebben de coffeeshopondernemers steeds minder te kiezen. ‘Coffeeshopondernemers zeggen tegen mij dat ze zakendoen met mensen waarmee ze dat vroeger nooit zouden doen’, stelt Maalsté.

Coffeeshopondernemers zeggen dat ze zakendoen met mensen waarmee ze dat vroeger nooit zouden doen

Wouter van Egmond, directeur van coffeeshop Xpresso, erkent dat zijn shop steeds vaker zakendoet met ‘grote jongens uit Brabant’. Het is de enige manier om de voorraad voldoende op peil te houden. ‘De kwaliteit van de grote partijen is vaak slechter’, zegt inkoopster Maartje. ‘Soms kan ik een baggerpartij afslaan. In de zomer moet ik hem soms tóch kopen, omdat er zo weinig aanbod is.’

Loopjongens

Ongeveer de helft van de aanvoer van Xpresso komt tegenwoordig van ‘grote jongens’. Dat zijn niet per se drugsbaronnen, vertelt Maartje. Ze kent er ook die eigenhandig één flinke kwekerij onderhouden, in een hal of kas, en alleen anderen inschakelen bij het oogsten en knippen van de hennep. ‘Uit een kleine hal kun je al snel 50 kilo halen’, weet ze.
Leveranties van ‘groten’ komen altijd binnen via loopjongens.

Als Maartje de grotere leveranciers al eens ontmoet – bijvoorbeeld om kennis te maken – spreekt ze bewust ergens anders af dan bij de coffeeshop of de stash. Je weet maar nooit of justitie iemand in de gaten houdt. Als blijkt dat een coffeeshop contacten onderhoudt met een verdachte in een justitieel onderzoek, kan dat op termijn het einde betekenen van de gemeentelijke vergunning.

Wat een grotere leverancier voor criminele activiteiten heeft binnen of buiten de wiethandel weet Maartje niet. En ze wil het ook niet weten. ‘Daar heb ik niets mee te maken’, vindt ze. En als iemand potentieel gevaarlijk is? Maartje haalt haar schouders op. ‘Als mensen elkaar bedonderen in dit circuit, ja, dan heb je een probleem’, zegt ze. ‘Maar als het contact goed is, en je alles netjes afhandelt, dan niet.’

Dit is het derde deel in een serie over de achterdeur van de coffeeshop

Zie hier deel 1 (klem tussen crimineel en justitie) en deel 2 (de coffeeshophouder).

Dit artikel verscheen eerder in Trouw.

Mijn gekozen waardering € -

Marten van de Wier is zelfstandig journalist en communicatieprofessional. Hij heeft speciale aandacht voor duurzaamheid, natuur en onderwijs, en is daarnaast specialist Zuid-Nederland.