Het leek allemaal zo leuk te worden. Natuurlijk, het duurde even voor de metamorfose compleet was, maar dan had je ook wat.

STEUN RO

Zeker een uur had hij in de stoel gezeten, terwijl een goede vriend heel geconcentreerd zorgvuldig de schmink aanbracht. Witte basis, zwarte kringen onder zijn ogen, een paar druppels rood in de mondhoek. Net echt.

Wist hij veel dat hij daadwerkelijk zou veranderen in datgene wat hij uitbeeldde.

Nu is het half tien ‘s morgens en kom ik hem tegen terwijl hij voetje voor voetje langs mijn huis schuifelt. De zombie. Hij heeft zijn ogen half gesloten, te misselijk om het daglicht te verdragen.

Angstaanjagend is hij allang niet meer, in zijn verlopen Halloweenoutfit. Eerder intens treurig stemmend. Wat is dat toch met verkleedpartijen dat ze zo vaak eindigen in droefenis? Niets zo deprimerend als een clown. Een clown die dartel springt, die boven een ziekenhuisbed gebogen een plastic chrysant uit zijn mouw tovert, die sapperdeflap roept als je op zijn rode neus drukt. Het is de opgelegde vrolijkheid, de ‘nu gaan we iets geks doen’-sfeer die ik niet verdraag. Als een man in een jurk. Lach of ik schiet. Wat een ellende.

Movember

Het is november. Of nee, ik moet zeggen Movember. Voor hen die de afgelopen jaren in deze maand onder een steen hebben geleefd leg ik het nog even uit. Dit is het moment waarop mannen massaal hun snor laten staan. Tegen de kanker. Kluun, voetballer Sulejmani, Horace Cohen, allemaal doen ze mee. ‘Prostaatkanker is gemeen!’ roepen ze met hun behaarde bovenlip.

Ik moet er zo van zuchten. En niet alleen omdat de meeste mannen met een snor eruit zien als een Duitse pornoacteur uit de jaren zeventig. Gele armbandjes, roze strikjes, facial hair, het is vast allemaal ergens wel goed bedoeld. En aandacht vragen voor een ziekte, prima. Maar het is me te hip, te ijdel, te ‘kijk mij eens een malle jongen zijn met mijn snor’. Een maand lang de hele dag opzichtig met je gezichtshaar uitdragen dat je het hart op de goede plaats hebt, het is als een clown die expres struikelt over zijn te grote schoenen en zo eist dat je lacht. Te veel.

Ik tast in mijn zak naar mijn huissleutels als de zombie me plotseling recht in de ogen kijkt. Hij haalt diep adem, met zijn laatste beetje energie zegt hij zachtjes “Boe” . Dan klapt hij voor voorover en kotst op het natte wegdek.

Roos Schlikker begon ooit als financieel journalist maar dat was een vergissing. Nu schrijft ze interviews en reportages over alles behalve stropdassen, volgens collega’s met een voorliefde voor de moderne (stads)mens. Doet mee aan 'Wie is de Mol'. Op Reporters Online publiceert ze columns.

Geef een antwoord