Er is een artiestencafé in Utrecht dat maar weinig Utrechters kennen. En dan bedoel ik niet Theatercafé De Bastaard, waar inmidddels een hele generatie acteurs, filmmakers en schrijvers vandaan komt, maar de artiestenfoyer van TivoliVredenburg. Ik heb er een paar keer gegeten en rondgehangen, als embedded verslaggever van De Nacht van de Poëzie, wanneer het tot heel erg laat in de nacht doorgaat.

Het muzikale zalencomplex dat deze week zijn vijfjarig jubileum viert heeft in de kelder een zelfbedieningsrestaurant tussen de kleedkamers. Op een gemiddelde avond eten daar de orkestmusici van een klassiek orkest gebroederlijk naast een jazz-zangers en de in zwart leer gestoken leden van een deathmetal band. Er schijnen al diverse nieuwe fusionprojecten te zijn ontstaan in die kelder.

Ingewanden

De artiesten mogen dan allemaal eten in de kelder, soms spelen ze dertig meter hoger. En dan nog weer 30 meter naar rechts. Een van de meest zinsbegoochelende karaktertrekken van TivoliVredenburg is dan ook niet het fascinerende uiterlijk, waarover later meer, maar het inwendige, dat deel waar je als gewone bezoeker niet komt. Iets wat ik zelf een paar keer heb kunnen zien, bij rondleidingen, of die enkele keer dat ik backstage mocht: een doolhof blijft het, maar het werkt.

TivoliVredenburg is daarom nog het best te omschrijven als een festivalmachine, of eigenlijk meer nog: het vleesgeworden decor van een nog te schrijven sciencefictionserie, een Star Trek Enterprise, waar tussen machinekamer en brug verbindingen verborgen liggen als ‘Jefferies Tubes’ achter de centrale corridors.

Coöperatie van journalisten én lezers. Sinds 2009.