De Zuid-Afrikaanse zanger Johnny Clegg werd met zijn muziek een van de symbolen van verzet tegen het apartheidsregime. Hij riep in 1987 met het nummer Asimbonanga, We hebben hem nooit gezien, op tot de vrijlating van Nelson Mandela. Johnny Clegg werd in 2015 met alvleesklierkanker gediagnosticeerd. In 2017 was hij voor het laatst te zien in Nederland, in Zaandam. Dat optreden was onderdeel van zijn afscheidstournee The Final Journey. Johnny Clegg overleed dinsdag 16 juli aan de gevolgen van zijn ziekte. Hij was 66 jaar. Ik interviewde Johnny Clegg kort voor de eerste vrije verkiezingen in Zuid-Afrika, die door Nelson Mandela werden gewonnen. Het verhaal, zoals in 1994 gepubliceerd in het muziekblad OOR, lees je hier onder.

STEUN RO

23 april 1994

In Zuid-Afrika worden binnenkort de eerste verkiezingen gehouden volgens het principe One (Hu)Man One Vote. Mntowaziwayo ‘Dudu’ Ndlovu heeft dit niet meer mogen meemaken. Hij werd op 4 mei 1992 vermoord. Zijn vriend Johnny Clegg – popster, anti-apartheidsactivist en ‘Witte Zulu’- droeg de Savuka-CD Heat, Dust & Dreams op aan Dudu, als herinnering.

‘Je moet schizofreen zijn om samen te kunnen leven met de moordenaars van je vader en moeder, van je kinderen, van je familie en vrienden, maar Zuid-Afrika is nu eenmaal de schizofrene maatschappij bij uitstek. We hebben culturele schizofrenie, sociale schizofrenie, politieke schizofrenie, etnische schizofrenie… alle soorten van schizofrenie die je je maar kunt voorstellen. Zuid-Afrika is een schizofrene samenleving. Je moet schizofreen zijn om te kunnen overleven.’

‘Ben jij schizofreen, Johnny?’

‘O ja, absoluut. Het zou niet erg eerlijk zijn als ik dat zou ontkennen.’

De blanke Johnny Clegg hoort alweer heel wat jaren tot de top van de Zuid-Afrikaanse popmuzikanten. Hij werd nabij Manchester in Engeland geboren maar emigreerde vlak na zijn geboorte via Zimbabwe naar Zuid-Afrika. Zijn latere voorliefde voor de traditionele Zuid-Afrikaanse muziek vindt zijn oorsprong in het feit dat deze hem met de paplepel werd ingegoten door zijn moeder – een zangeres – en zijn stiefvader – een Zuid-Afrikaanse journalist met een passie voor Kwela muziek. Voordat hij het Engels beheerste sprak Clegg al vloeiend Ndebele, de inlandse voertaal in het gebied waar hij leefde. Op 14-jarige leeftijd leerde hij gitaar spelen en ontmoette hij de zwarte straatmuzikant en schoonmaker Mntonganazo Mzila. Deze maakte hem vertrouwd met de traditionele Zulu-muziek en het Inhlangwini-dansen, de expressieve strijddansen. Na een studie antropologie, die hij met succes afrondde, richtte Clegg halverwege de jaren zeventig met de Zulu Sipho Mchunu de groep Juluka op. Juluka is Zulu voor ‘zweet’. Samen met Mchunu ontwikkelde hij een eigen door Zulu-muziek en westerse rock beïnvloede stijl. De groep zorgde met haar multi-raciale bezetting en teksten op het randje van wat door het blanke apartheidsbewind werd toegelaten voor grote opschudding in het sterk verdeelde Zuid-Afrika. Er bleek echter een duidelijke behoefte aan de door Clegg en Mchunu gepropageerde strijdcultuur en Juluka werd een van de populairste groepen van Zuid-Afrika. In 1986 formeerde Clegg een nieuwe band, Savuka (‘Wij zijn opgestaan.’), met wie hij de door Juluka op gang gezette koers voortzette. Met Savuka nam hij een nieuwe versie op van het Juluka succesnummer Scatterlings Of Africa. Het werd een grote internationale hit en was onder andere te horen in de soundtrack van de film Rain Man. Ook met het door de Zuid-Afrikaanse radio geboycotte Asimbonanga (Mandela) oogstte Clegg wereldwijd waardering. Tijdens de Amnesty International World Tour stond hij zij aan zij met artiesten als Bruce Springsteen, Peter Gabriel en Sting.

Cruel, Crazy, Beautiful World was de titel van de laatste Savuka-CD voor vorig jaar na een lange periode van stilte Heat, Dust & Dreams uitkwam. Cruel, Crazy, Beautiful World was opgenomen in 1989, het jaar van de moord op de Zuid-Afrikaanse blanke anti-apartheidsactivist David Webster. Deze was niet alleen een goede vriend van Clegg maar ook zijn leraar en mentor tijdens zijn studie antropologie. ‘David is tot op zekere hoogte van enorm belang geweest voor mijn intellectuele vorming en voor sommige van de ideeën die ik er op nahoud. Tegen het eind van de jaren zeventig is hij echter naar Engeland vertrokken, vanwaar hij met volledig andere denkbeelden terugkwam. Zijn ideologie was ineens uitermate marxistisch georiënteerd. In zijn opvattingen werd alles tot economische principes teruggevoerd, ook die dingen die specifiek betrekking hebben op stammengebruiken en tradities. Ik was het daar niet mee eens en vond dat hij op die manier aan bepaalde belangrijke zaken volledig voorbijging. We hebben daar behoorlijk heftige discussies over gehad maar zelfs toen nog vond ik hem een enorm warme persoonlijkheid. Hij discussieerde niet om te winnen, hij discussieerde niet vanuit tactische of strategische overwegingen maar omdat hij geloofde in wat hij zei en dat is een tamelijk zeldzaam iets binnen de academische gemeenschap. Hij werd toen ook erg actief binnen de anti-apartheidsbeweging en in het begin van de jaren tachtig was hij nauw betrokken bij de oprichting van het United Democratic Front. Hij was een stimulerende factor voor al de verschillende anti-apartheidsbewegingen die in Johannesburg opkwamen en slaagde er op een ongelooflijke manier in om mensen te bewegen samen te werken. Wat dat betreft heeft hij heel wat voor elkaar gekregen. Daarnaast deed hij een hoop anti-apartheidsresearch. Toen hij uiteindelijk werd vermoord was hij net bezig met een stuk over politieke moorden, waarin hij aantoonde hoe de regering tot politieke moord besluit op het moment dat ze een activist niet op een wettelijke manier aan banden kan leggen. Zijn dood kwam voor ons allen als een enorme schok, omdat hij in die zin niet zo’n uitgesproken activist was. Hij was niet het soort figuur die grote massa’s opzweepte. Hij was een rustige man die het als zijn voornaamste taak zag om mensen van middelen te voorzien waarmee ze hun acties konden voeren.’

De teksten die ik voorheen voor mijn songs had geschreven zeiden me ineens niets meer’

De 49-jarige David Webster werd op 1 mei van het jaar 1989 voor zijn huis neergeschoten en stierf in de armen van zijn vriendin. Johnny was op dat moment in Los Angeles om de opnamen voor de derde Savuka-LP af te ronden. Hij nam het eerste het beste vliegtuig naar Johannesburg om zijn vriend de laatste eer te kunnen bewijzen. ‘Toen ik twee dagen later in Los Angeles terugkwam was ik volledig van de kaart. De teksten die ik voorheen voor mijn songs had geschreven zeiden me ineens niets meer. Het heeft me behoorlijk wat tijd gekost om weer vrede te kunnen krijgen met mijn werk. De persoon die me daarbij uiteindelijk het meest heeft geholpen was mijn destijds elf maanden oude zoon. Iedere morgen als hij wakker werd zei hij min of meer tegen me: Hé, hier ben ik, ik leef, ik ben gelukkig, ik heb je nodig. Hij bracht me langzamerhand weer bij mijn positieven en drie weken later schreef ik een song voor hem – Cruel, Crazy, Beautiful World – waarin ik min of meer tegen hem zeg dat ik niet weet of ik er goed aan heb gedaan om hem in deze wereld te zetten maar dat we er nu eenmaal zijn en dat het onze wereld is en dat we zullen moeten leren daarmee te leven.’

In september 1990 eiste de verwarring die het leven van de muzikant en ‘Witte Zulu’ tot dan had beheerst alsnog zijn tol en hij stortte in. Het werd stil rond Johnny Clegg.

Inmiddels is het ruim drieënhalf jaar verder en heeft Clegg meer mensen in zijn naaste omgeving het slachtoffer zien worden van het geweld dat Zuid-Afrika in een wurgende greep houdt, geweld waarbij ieder de ander de schuld geeft, geweld dat geen winnaars kent, alleen verliezers.

Johnny Clegg: ‘De media hebben zich heel lang laten inpakken door de propaganda-machine van de Zuid-Afrikaanse regering, ook de zogenaamde liberale media. Het is de staatspolitie geweest die in eerste instantie achter Inkatha zat, de op het platteland gevestigde nationale Zulu-beweging. In 1986 liet het United Democratic Front voor het eerst van zich horen in de provincie Natal, traditioneel een bolwerk van de Zulu’s. UDF en ANC werden enthousiast ontvangen door de arbeidersklasse van de Zulu’s in de grote townships. De Inkatha-leiders waren daar niet blij mee. Zij zagen het als een bedreiging van hun nationale vrijheidsbeweging. Het gevolg was dat er het begin oplaaide van een burgeroorlog tussen Zulu’s onderling en dat is iets wat de media nooit hebben meegekregen. De media meldden eenvoudig dat de Zulu’s het ANC aanvielen. Maar wie waren het ANC? Dat waren andere Zulu’s. De media faalden door niet te vermelden dat Inkatha-Leider Mangosuthu Buthelezi zijn eigen mensen vermoordde. Het was helemaal niet Zulu’s tegen het ANC. Het is ook te simpel om te stellen dat alle Zulu’s tegen het ANC zijn. Ongeveer de helft van de Zulu Natie is tegen het ANC en dan voornamelijk mensen die op het platteland wonen. Zij zien het ANC als een beweging van de Xosa en zij willen niet worden geregeerd door een andere stam.

‘De zogenaamde stammenstrijd is breed uitgemeten in de media, aangewakkerd door de militaire inlichtingendiensten, om zo de suggestie te wekken dat er niet zoiets is als een verenigde zwarte anti-apartheidsbeweging. De veiligheidspolitie wilde Inkatha gebruiken om de politieke kracht van het ANC te ondermijnen. Wat zij echter hebben bewerkstelligd is dat er een wig is gedreven in de Zulu-beweging zelf. De Zulu’s uit de stad tegen de plattelandsbevolking. Dat is het hoofdconflict. Dat is de grote strijd in Zuid-Afrika, in Natal.

‘Natal is een oorlogsgebied. In Natal worden iedere dag opnieuw tientallen mensen vermoord. De Zulu-cultuur op zich heeft niets met Inkatha te maken, noch met het ANC. De Zulu’s zijn een natie van krijgers. Door de bemoeienissen van de regering vinden zij zichzelf plotseling aan een kant van een politieke scheidslijn, terwijl hun buren zich aan de andere kant bevinden. Buthelezi is heel lang een beschermeling geweest van de regering, en nu dat niet meer werkt, van extreem-rechts. Hij heeft zijn eigen agenda, zijn eigen plannen en die waren tot voor kort nuttig voor de Zuid-Afrikaanse regering en voor sommige van de conservatieve regeringen in het westen, de regeringen van Duitsland en Engeland, de regering Bush.’

‘Ik heb een groot probleem. Ik ben twee jaar lang helemaal in de war geweest. Ik had Zulu vrienden die lid waren van het ANC en ik had Zulu vrienden die bij Inkatha hoorden. Ik heb vrienden die betrokken waren bij het geweld. Ik zal nooit vergeten hoe ik in september 1990, een van de moeilijkste perioden uit mijn leven, de ene woordenstrijd had na de andere met leden van mijn dansteam die betrokken waren bij de overvallen op treinen en die daarbij mensen hadden omgebracht. In de traditie van de Zulu’s geldt nog altijd het principe van oog om oog, tand om tand. Als een van jouw mensen wordt vermoord, dan moet jij iemand van de andere kant doden. Er waren Zulu’s vermoord in de hostels in Soweto en deze mensen gingen erop uit om genoegdoening te halen. Ik kan daar op een bepaalde manier misschien nog wel begrip voor opbrengen… maar dit waren mensen van mijn dansteam.

‘Ik ken deze mensen zo’n vijftien jaar en moest met hen in discussie. Waarom? Waarom zien jullie Mandela als een bedreiging? Zij: Mandela zal al onze banen inpikken om aan de Xosa te geven. Dan blijkt dat ze dat van strooibiljetten hebben. Ik heb die dingen gelezen en het was duidelijk dat de inlichtingendienst achter die pamfletten zat, om zo verdeeldheid te zaaien. Maar zegt Mandela dan dat hij jullie banen af zal nemen? Nee, nee, wij hebben onze eigen opperhoofden, onze eigen bestemming. Wij zijn bang voor de Xosa. Ik sprak over die problemen met mensen van het ANC en vroeg hen hoe zij daarmee omgaan. Hun antwoord: Etnische identiteit is de klassieke versluiering van de echte exploitatie en onderdrukking in dit land. Ik vond dat bullshit. Na veertig jaar van apartheid die het land heeft gespleten gaat het nu niet meer om een theorie van mystificatie zoals het ANC die graag ophangt, maar om een concrete politieke realiteit waarbij de culturele identiteit van een grote groep mensen in het geding is. Deze mensen zien zichzelf als Zulu’s. En dan komt het ANC met: Ja, maar dat heeft allemaal te maken met een mystificatie van de echte problemen. Dat kun je dan wel vinden maar je hebt er toch maar mee te maken, je zult er toch iets mee moeten doen.

‘Ik denk dat het nog een jaar of drie, vier zal duren dat de verschillende bewegingen elkaar zullen bestrijden, voordat ze het moe worden en vrede sluiten’

‘Het ANC is jammer genoeg een stedelijke, marxistisch georiënteerde organisatie die er een analyse van Zuid-Afrika op nahoudt die is gebaseerd op klassen, niet op cultuur. Zij kunnen niet overweg met pure volkstrots, de directe werkelijkheid van de stammen. Ik stond daar tussenin en voeg of het dan niet mogelijk was een delegatie te sturen, om tot praten te komen en wederzijds respect. Het ANC weigerde. Zij wilden niet onderhandelen met mensen die op het niveau van stammen functioneren. Dat zou hun geloofwaardigheid aantasten. Het gevolg was dat meer mensen werden vermoord en vandaag is er een situatie die niets meer heeft te maken met politiek maar alles met een lichaam voor een lichaam.’

‘Ik denk dat het nog een jaar of drie, vier zal duren dat de verschillende bewegingen elkaar zullen bestrijden, voordat ze het moe worden en vrede sluiten. Zo werkt dat nu eenmaal in Zuid-Afrika, zo is de traditie. Wat mensen in het westen niet begrijpen is dat Zuid-Afrika een erg sterke Afrikaanse cultuur kent, met zijn eigen dynamiek, zijn eigen manier om dingen op te lossen. Een Afrikaan kijkt toe hoe de dingen zich ontwikkelen en laat die gebeuren. Pas als dat proces ten einde is kunnen de democratische krachten echt gaan werken. Niet nu. Nu is het oorlog.

‘Mensen hebben het over het stammengevoel van de zwarten. Maar bekijk het eens van een andere kant. Wij hebben een erkende, westers georiënteerde parlementaire democratie waarvan leden onderhandelingen voeren met de oppositie en tegelijkertijd betrokken zijn bij de moord op een belangrijke leider van diezelfde oppositie (Clegg bedoelt de moord op ANC-leider Chris Hani- CE). Is er iets meer barbaars en afschuwelijk dan dat? Het blanke stammengevoel is net zo barbaars en net zo waanzinnig. Ik kan er kwaad over worden als mensen een beschuldigende vinger uitsteken naar de Zulu’s. Als je weet hoe sommige anti-apartheidsactivisten zijn vermoord: mensen uit auto’s gesleurd, hun gezichten verbrand, hun handen afgehakt om als presse-papier te dienen op het bureau van veiligheidsambtenaren. Zo zit ons land in elkaar, een hardvochtig systeem. Het is erg moeilijk om dat aan iemand van buiten uit te leggen. Het is allemaal zo bizar van de buitenkant af gezien. Van binnenuit werken er echter krachten en als je die eenmaal begrijpt, dan weet je dat we daar doorheen moeten maar dat uiteindelijk het democratiseringsproces, mensenrechten, sociale grondrechten, dat al deze dingen er zullen komen. Ik ben daar optimistisch over. Maar eerst zullen de mensen zelf het zat moeten worden, tot een punt moeten komen dat ze geen wapens meer hebben, geen geld. Natal is vechten, meter na meter. Straatgevechten. Terreuraanslagen van een gruwelijkheid zoals je je die nauwelijks kunt voorstellen. Je weet niet of de auto die iedere nacht de heuvel afkomt een taxi is of een moordauto. Je slaapt niet, je leeft met wachtposten, wat erg zwaar is.’

‘Wij kunnen onze politici niet meer geloven. Mensen in Zuid-Afrika zijn moe van politiek. Ik heb Dudu verloren, vermoord in Zulu land. David Webster is doodgeschoten, twee mensen in de band. Het heeft drie jaar geduurd voordat de mist was opgetrokken en ik de dingen weer een beetje op een rij had. Uiteindelijk heb ik een plaat gemaakt over liefde, haat, jaloezie… menselijke emoties die altijd zullen blijven bestaan, ongeacht welk politiek systeem, net zoals de Afrikaanse zonsopgang (erg rood, maar ook erg geel, afhankelijk van de vervuiling, met een licht dat aanvankelijk erg warm is maar daarna erg hard wordt, heel helder) altijd zal blijven bestaan en het gezang van de vogels uit mijn jeugd.

‘Als je verandert, ga je een beetje dood. Veranderingen gaan over dood. Veranderingen doen pijn. Er moet een belofte zijn van een toekomst samen, van gedeeld burgerschap, van fundamentele waarden in een beschaafde samenleving. Het probleem dat daarbij komt kijken is dat noch Mandela noch Buthelezi noch De Klerk genoeg staatsman is om over de sektarische belangen van de eigen partij heen te stappen en te zeggen: Ik hou van Zuid-Afrika en ik ben er op de eerste plaats voor alle andere vaderlanders voordat ik partij-politicus ben. Al deze mensen zijn mijn mensen. Al deze ongelooflijke culturen, al deze ongelooflijke stammen, al deze ongelooflijke rassen, zij horen bij mij en zij worden allemaal deel van de collectieve ervaring die Zuid-Afrika heet. Vandaag is nu en we gaan van hieruit verder. Dat beloof ik. Niemand kan dat beloven. Er zullen nieuwe mensen moeten opstaan en dat zal ook gebeuren, alleen is het er de tijd nog niet voor.’

NAWOORD

Of Johnny Clegg zijn mening over het staatsmanschap van Mandela later heeft herzien? Vast wel. Johnny Clegg werd met zijn muziek een van de symbolen van verzet tegen het apartheidsregime in Zuid-Afrika en riep in 1987 met het nummer ‘Asimbonanga’, ‘We hebben hem nooit gezien’, op tot de vrijlating van Nelson Mandela. Het hoogtepunt uit zijn carrière was, naar eigen zeggen, het moment dat Nelson Mandela hem bij een concert in Frankfurt in 1999 verraste toen de president tijdens ‘Asimbonanga’ dansend het podium opkwam.

Waardeer dit artikel!

Dit artikel las je gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je jouw waardering laten zien door een kleine bijdrage te doen.

Zie hier voor meer informatie!

Mijn gekozen waardering € -
Ex-muziekjournalist. Ruilde in de jaren 90 redactiestoel muziekblad OOR in voor een hangmat in de Amazone.