Hij is stand up comedian, televisiemaker én natuurkundige. Een kwajongen die graag streken uithaalt. Dagelijks knutselt, klooit en experimenteert hij met technologie en mechanica. Lieven Scheire (1981) heeft van verwondering zijn werk gemaakt. Rotzooit hij maar wat aan, of heeft hij ook een missie?

STEUN RO

Lieven Scheire is een BV: Bekende Vlaming. In alle bescheidenheid. Vlaanderen is immers niet meer dan ‘de helft van een van de kleinste landen van Europa’. Hij maakte populair wetenschappelijke televisieprogramma’s als Scheire en de schepping (Vier) en recent De Schuur van Scheire (VRT). In Nederland kent het publiek hem als panellid – met filosoof Bas Haring – in BNN’s Proefkonijnen.

Ook maakte Scheire met Neveneffecten en Basta satirische televisie. In het Vlaamse collectieve geheugen gegrift, is de reportage waarbij telefonie-aanbieder Mobistar een koekje van eigen deeg krijgt. Vanuit een container, onhandig geplaatst voor de ingang van het Mobistar-hoofdkantoor, drijven Scheire en kornuiten als telefonische helpdesk de medewerkers van het bedrijf tot wanhoop. Wereldwijd bijna anderhalf miljoen YouTubers bekeken het Engels ondertitelde filmpje.

Scheire is een kwajongen die doet wat hij leuk vindt en daar en passant een groot publiek mee bereikt. Maar ook een natuurkundige die zich serieus kan verliezen in de grote en kleine vraagstukken van de wereld om hem heen. En met gepaste trots kan zeggen dat er een nieuw soort wandelende tak naar hem vernoemd is: de Lobofemora Scheirei. Maar dat terzijde.

Hoe komt een vrolijke jongen terecht in de doorgaans nogal serieuze wereld van de natuurkunde?

‘Op school bleek mijn hoofd goed te werken op de bèta-vakken. Ik denk dat ik ook van mijn vader, die ingenieur was, wel iets heb meegekregen van fascinatie voor wetenschap. Ik ben na de middelbare school dan maar fysica gaan studeren aan de Universiteit van Gent. In het laatste jaar ben ik afgehaakt. Ik kreeg het te druk met optreden als stand up comedian en met televisie maken. Jammer, want ik vond het een mooie opleiding. Ik heb nog maar drie cursussen af te maken. Dat diploma wil ik nog graag een keer halen, maar het is de vraag of dat er nog van komt. Ik troost me met het feit dat ik ondertussen al meer met fysica heb gedaan dan veel van mijn inmiddels afgestudeerde jaargenoten.’

Je noemt in je Twitter-bio wolken, insecten en moleculaire biologie je ‘hyperfocussen’ van dit moment…

‘Dat begrip wordt gebruikt voor mensen met het syndroom van Asperger. Ik heb geen autisme, maar herken wel de neiging om me helemaal in te graven in een onderwerp. Dat vormt dan ineens het centrum van mijn interesses. Mijn smartphone is nooit ver weg: elk verloren moment open ik het internet op zoek naar meer informatie over dat ene onderwerp. Zo ben ik nu ook met uurwerken bezig. Op internet vond ik een bouwpakket voor een klok, die uitsluitend uit houten onderdelen is opgebouwd. Het mechanisme van een klok fascineert me, al die tandwielen en radartjes. Ik wil begrijpen hoe het werkt. In gedachten ben ik dan al bezig met het volgende project: kan ik die klok ook volledig van karton maken, zodanig dat hij echt werkt? Als een spons zuig ik alle informatie op over uurwerken die ik kan vinden: van ‘tube clocks’ gemaakt van buizen tot waterklokken, ik wil alles weten.’

Je noemt jezelf ‘de algemene wetenschapsnerd’, een geuzennaam?

‘Het begrip nerd had vroeger een negatieve lading. Dat is nu snel aan het omslaan met de razendsnel groeiende aandacht voor wetenschap en technologie. De website ‘I fucking love science’ heeft 20 miljoen volgers, alleen al op Facebook, The Big Bang Theory, een sitcom over nerds, is immens populair. Succesvolle personen, geslaagd in de wereld van technologie en IT, gaan prat op hun achtergrond in de nerdcultuur. En bewegingen als de nerdfighters, geïnitieerd door de Amerikaanse auteur John Green, dragen het nerdschap met trots uit.

In een Zweeds woordenboek wordt nerd nog omschreven als een ‘wereldvreemd persoon’. Tegen die omschrijving loopt daar nu een handtekeningenactie. Een betere omschrijving is: “Iemand die volledig opgaat in een onderwerp en zich daarbij niet laat remmen door sociale oordelen.” Als je als volwassen vent met Lego wil spelen, omdat je dat leuk vindt, dan laat je je tocht niet tegenhouden door wat de buren daarvan gaan denken? Je gaat gewoon met Lego spelen!’

De komst van het internet heeft het ‘nerd-schap’ gekatapulteerd?

‘Zeker. Als je vroeger de enige Rubik’s Cube-liefhebber in je dorp was, dan had je een probleem: je stond er helemaal alleen voor. En als je een onderwerp interessant vond, moest je al je vragen opsparen voor dat ene wekelijkse bezoekje aan de bibliotheek. Nu vind je alle antwoorden direct via het internet en tref je voor iedere niche-interesse anderen met dezelfde belangstelling. Heb je nog nooit van een Arduino gehoord? Ga even het internet op en je vindt in een flits alle uitleg, mensen die ermee knutselen en oneindig veel ideeën om er zelf mee aan de slag te gaan. Dat doet de nerd-cultuur bloeien.’

Wetenschap en technologie zijn dus hip. Profiteert het Vlaamse onderwijs in de bètavakken van deze ontwikkeling?

‘Veel te weinig. Leerlingen in het middelbaar onderwijs kunnen bij ons sinds kort wel kiezen voor de richting Science, Technology, Engineering and Mathmetics (STEM). Slimme kinderen hoeven dus niet per se meer Latijn te gaan doen. Dat is winst. Maar het Vlaamse onderwijs is nog wel heel erg oubollig en conservatief. De betutteling is groot, het gaat om zwijgen, stil zitten en je theorie van buiten leren. Dat is wel aan het veranderen, maar het gaat tergend traag.

In Nederland is er veel meer aandacht voor projectonderwijs. Dat sluit beter aan bij hoe je motivatie voor leren op gang brengt. Natuurkundige Richard Feynman zei het al: je moet de student eerst interesseren, intrigeren, nieuwsgierig en hongerig naar kennis maken. Dan pas heeft het zin de theorie aan te bieden. Hij heeft het over intrinsieke motivatie, in het Vlaamse onderwijs draait nog te vaak om extrinsieke motivatie.’

Extrinsieke motivatie?

‘Er is eens een experiment gedaan met een kleuterklas. Twee groepen kregen allebei papier en stiften en de opdracht een tekening te maken. De ene groep werd hiervoor niet beloond, kinderen in de andere groep konden een snoepje verdienen met hun tekening. Die dag begonnen alle kinderen met veel plezier te tekenen.

De volgende dag herhaalde dit zich, alleen kregen de kinderen die de dag ervoor een snoepje hadden gekregen te horen dat er deze keer niets te verdienen was met tekenen. Terwijl de andere groep kinderen direct met plezier begon te tekenen, haakten de kinderen die eerst beloond waren af. De extrinsieke motivator, de beloning, had het plezier in tekenen weggehaald. Geen hogere wiskunde, lijkt me. Toch leggen veel scholen de nadruk op beloningen, onder andere in de vorm van cijfers.’

Hoe kun je concreet jonge mensen intrinsiek motiveren voor wetenschap en technologie?

‘Laat ze spelen. Spelen en blijven spelen is essentieel, leren is er een bij-effect van. En er is geen enkele reden om ze niet te laten spelen: materialen zijn betaalbaar, alle informatie en ideeën staan online. Voor een tientje koop je een Arduino ontwikkelbordje of een soldeerbout. Geef kinderen de ruimte als ze een auto willen maken met deksels van een pot chocoladepasta als wielen. En stimuleer ze daarin verder te komen. De opkomst van fablabs is een zegen, net als de Robocup, waarin deelnemers robots bouwen en programmeren om tegen elkaar te voetballen. In mijn woonplaats Gent heeft Maria-Cristina Ciocci de stichting Ingegno. Die biedt kinderen een omgeving waarin ze fantastisch kunnen knutselen met allerlei materialen. Je ziet er kinderen van 5 jaar bezig met soldeerbouten. Spelen is niet: een bouwproject met een handleiding, waarbij kinderen in een vaste volgorde moeten werken. Geef ze draadjes en lampjes en laat ze los. In de zandbak geef je ze toch ook geen bouwplannetje voor een zandkasteel?’

In Nederland worden er verwoede pogingen gedaan om ook meer meisjes te interesseren voor wetenschap en technologie.

‘Dat is een goede zaak. Er is een economisch belang, maar het gaat ook om het potentieel van kinderen te ontdekken en te ontwikkelen. Als het gaat om jongens en meisjes, heb je het over de nature-nurture-discussie. Dat jongens vaker kiezen voor wetenschap en technologie dan meisjes is – denk ik – niet alleen het gevolg van aangeleerd gedrag; jongens zullen altijd gemiddeld meer kiezen voor deze vakgebieden. Tegelijkertijd worden de verschillen tussen jongens en meisjes in de maatschappij uitvergroot. Daardoor gaat talent verloren. We moeten meisjes niet met dwingende hand richting wetenschap en technologie duwen, maar ze wel alle kansen geven om te ontdekken of het bij ze past.’

Zie je het ook als jouw missie hieraan een steentje bij te dragen?

‘Ik doe slechts wat ik graag doe. Als ik mensen kan inspireren door alleen maar te doen wat ik leuk vind, is dat schitterend. Dan hoor ik dat iemand natuurkunde is gaan studeren door mijn uitleg van een natuurkundig verschijnsel in een talkshow. Of een leerkracht vertelt dat hij zijn leerlingen enthousiasmeert door de les te beginnen met een filmpje van een van mijn proefjes of experimenten op YouTube. Dan vind ik het telkens weer wat minder erg dat ik nog niet ben afgestudeerd.’

Lieven Scheire is op 8 juni te zien als panellid in ‘De Grote Super Wetenschappelijke Proefkonijnen Test 2015’, een thema-uitzending van het BNN-televisieprogramma Proefkonijnen. Aanvang 20.30 uur op NPO 3.

Erno Mijland (1966) is publicist. HijŒ schrijft voor verschillende onderwijsbladen, onder andere over toepassing van ict / technologie en didactiek. Daarnaast schreef hij – deels met anderen – meer dan vijftien boeken over onder andere gamen en opvoeden,Œcreatief denken en loopbaan.