Hans van Breukelen is één van de meest succesvolle keepers die ons land heeft voortgebracht. In 1988 won hij met PSV de Europacup 1 en het Europees Kampioenschap voor landenteams. Maar het begon allemaal in Utrecht.

STEUN RO

 

Al op jonge leeftijd is Hans van Breukelen in Stadion Galgenwaard te vinden. De inwoner van De Bilt is met zijn vader en broer regelmatig toeschouwer van de wedstrijden van DOS en komt later geregeld kijken bij FC Utrecht. Zelf gaat hij voetballen bij BVC (later opgegaan in FC De Bilt). Het blijkt de start van een succesvolle loopbaan als professioneel voetballer. ,,Je had in de Bilt drie clubs”, legt Van Breukelen uit. ,,FAK, RKSV Bilthoven en BVC, De Biltse Voetbalclub. In de nieuwbouwwijk waar wij woonden speelden de meeste jongens voor BVC. Dan word je daar ook lid. Ik speelde daar uiteindelijk tien jaar. Van mijn achtste tot mijn achttiende. In die tijd mocht je pas op je achtste op voetbal. Maar daarvoor ging ik al met mijn vader kijken bij BVC op zondagmiddag. Achter het voetbalveld liep een spoorlijn. Als jongetje vond ik niks mooiers dan met mijn vader naar BVC te gaan en te kijken naar de treinen. In de rust kreeg ik dan een rolletje drop. Daar zat dan een wikkel omheen met een afbeelding van een zwevende keeper. Dat zal ik nooit vergeten. Het was mijn eerste kennismaking met het voetbal. Zo is het begonnen.”

,,Ik heb altijd gekeept. Mijn broer, die vijf jaar ouder is, voetbalde met zijn vrienden op straat. Wij woonden op een bovenwoning en dan wilde ik ook meedoen. Waarschijnlijk heeft mijn moeder tegen hem gezegd: neem Hans ook eens mee. En dan moest ik op doel gaan staan. Dan liep ik niet zo in de weg. Omdat ik zo graag mee wilde doen, ging ik gewoon duiken op straat. Dan had je kapotte broeken en schoenen. Dan ging je naar de schoenmaker en werd er een stukje leer op gezet. Zo ging dat in die tijd. Op een gegeven moment verhuisden we naar de wijk Weltevree. Dat was één van de eerste blokken waar gezinswoningen werden gebouwd. Daar was ook een basketbalpleintje. Daar voetbalden we altijd.”

Dat voetballen op straat zie je nu minder.

,,Ga maar eens naar de Cruijff-courts. Daar zie je nog heel veel talent rondlopen. Daar zie je ook jongetjes die niet bij een voetbalclub aangesloten zijn omdat ze niet kunnen of niet mogen, dat laat ik even in het midden, maar als scout kun je daar ventjes vinden die erg handig zijn met een bal. Ik denk dat op straat voetballen de beste leerschool is. Je hebt als voetballer ruimtelijk inzicht nodig. Op straat moet je rekening houden met stoepranden, auto’s, hekken en de bal. Daar leer je veel van. Eigenlijk moet je op kunstgrasvelden obstakels neerzetten om dat ruimtelijke inzicht te ontwikkelen. Met dingen om je heen moet je wel rondkijken.”

Hoe kwam je daarna bij FC Utrecht terecht?

,,Ik was altijd met voetbal bezig en bloedfanatiek. Al op twaalf-/dertienjarige leeftijd ging ik op vrijdagavond vroeg naar bed als ik zaterdag moest voetballen. Ik heb nooit gedronken en nooit gerookt. Het zat in mijn kop dat dat slecht was voor mijn sport. Ooit heb ik eens met vrienden een pakje Runner gerookt, en niet eens over onze longen. Toen ik thuiskwam zei mijn moeder alleen maar dat ik dat zelf moest weten maar dat het wel slecht voor mijn sport was. Ze had geen betere opmerking kunnen maken. De volgende keer ging ik trainen en had ik het idee dat ik een minder goede conditie had. Ik heb nooit meer gerookt. Toen werd ik vijftien en speelde ik in de A-junioren in de A1. De jongen die daarvoor gespeeld had, ik geloof dat hij Pothoven heette, was weg en ik kreeg als jonge jongen de kans. Ik speelde zaterdag in de A1, zondagochtend bij het tweede en zat dan zondagmiddag nog reserve bij het eerste elftal. We speelden vierde klasse KNVB en ik vond het geweldig. Toen ik zestien was heeft de trainer van BVC, Henk Olthof, vaste keeper Frans Catoen gepasseerd ten faveure van mij. Geloof het of niet: hij deed het als volgt: In de voorbereiding speelden we wedstrijden en dan gaf hij cijfers. Aan het einde van die periode nam hij het gemiddelde en had ik een kwart punt meer dan Catoen. Daardoor mocht ik dat jaar in het eerste keepen.”

Elke andere normale trainer zou dat nooit gedaan hebben.

,,Hij wel. Hij hield van een soort transparantie. Later was hij ook bij mijn eerste interland in 1980. Henk leeft nog en ik heb nog wel eens contact met hem. Hij is mijn eerste voetbalvader geweest. Hij vond mijn fanatisme fantastisch. Ik heb één jaar bij BVC gespeeld in de vierde klasse. Toen werden we kampioen en speelden een wedstrijd tegen Minerva. Bij die wedstrijd stond Joop Leliveld (ex-keepr van de FC) te kijken en die dacht dat ik wel een aardige keeper voor FC Utrecht kon zijn. Toen ben ik uitgenodigd voor een testwedstrijd. In die wedstrijd deed ook Ton de Kruijk, en Ton Du Chatinier mee. Die testwedstrijd is een mooi verhaal. We speelden tegen De Meern. Frans van Seumeren beweert dat hij toen de spits was en tegen mij heeft gescoord.”

En toen?

,,Volgde er nog testtraining met Jan Rab. Hij was trainer. En zo kwam ik bij FC Utrecht. Er waren maar twee elftallen. En dat tweede elftal was ook een soort jeugdelftal. FC Utrecht was geen vereniging, maar een stichting. Daarom was er geen jeugdopleiding. Daarom hebben jongens als Van Basten, Vanenburg en Sneijder de keuze gemaakt om dertig kilometer verderop te gaan voetballen. Dat is en blijft jammer. Ik heb drie jaar in het tweede elftal gespeeld. Ik had wel een contractje. Ik verdiende driehonderd gulden in de maand bruto en vijftig gulden per punt. Ook kreeg ik voor tien maanden 250 gulden reiskosten. Die kreeg ik in één keer uitbetaald. Daar kocht ik een bromfiets van. Ik zat ook nog op school in Zeist en verdiende een prima zakcentje. Ik reed met mijn bromfiets in een vierkant van De Bilt naar Zeist, Utrecht en mijn vriendin in Bunnik.”

Ging het meteen goed bij FC Utrecht?

,,De eerste maanden waren buitengewoon moeizaam. Ik moest wennen aan de intensiteit van de trainingen. Ik ging van twee keer trainen per week naar vijf keer per week. En dan geen uurtje, maar anderhalf uur per training. En trainer Han Berger haalde echt  de zweep er over. Ook de mentaliteit was een probleem. Ik was een Bilts boertje en kreeg met Utregse straatschoffies te maken. Ik moest mijn plek verdienen.”

Dat was dus best lastig.

,,Ja, ook al omdat ik geen bal tegenhield. Ton du Chatinier heeft toen eens gezegd dat ik er helemaal niks van kon. Eén van zijn uitspraken was: als we met een strandbal gaan voetballen laat ‘ie ze nog door. En hij had gelijk! Ik pakte geen pepernoot.

Dat is later goedgekomen.

,,Haha, ja. Maar ik had ook een andere mentaliteit. Ik was een beetje alternatief in die tijd. Ik voerde andere gesprekken. Na mijn eerste jaar heeft Han Berger nog getwijfeld over het verlengen van mijn contract vanwege dat gedrag. Hij twijfelde of dat wel zou passen in de voetballerij.”

Je stond als links te boek.

,,In september 1977 werd er in Utrecht een agent doodgeschoten door een terrorist van de Rote Armee Fraction. En iedereen was daar natuurlijk kwaad over. Ik ook, maar zei wel: waarom zouden die gasten nou overgaan tot extreem geweld? Dat doen ze toch niet zomaar? Dat was duidelijk de verkeerde vraag: hij was een crimineel en zijn kop moest er af. Ik kreeg toen een paar weken de bijnaam Andreas. (naar Andreas Baader, DvdL). Dat geeft ook niet. Je weet hoe dat gaat. Maar Berger vroeg zich af of ik wel geschikt was voor het voetbal. Onze masseur was Martin Okhuysen. Hij zei tegen Berger: Maar vind je dat hij genoeg ballen pakt? Dat is toch het criterium? En ik mocht blijven.”

In die tijd kreeg je te maken met Jan Stroomberg.

,,Wij mochten in mijn tweede seizoen om en om de twee wedstrijden achter Blagoj Istatov reserve op de bank zitten bij het eerste elftal. Stroom was mijn concurrent. Hij had het meeste talent. Maar wij hadden met Henk Vonk een trainer die hield van hard werken. En daar was ik ook van. Stroom had dat veel minder nodig. Die durfde niet tegen Vonk te zeggen dat hij genoeg getraind had, maar zei wel tegen mij dat ik moest kappen. En dan dacht ik: nog een serie! Aan het einde van mijn tweede jaar ging hij weg en zo werd ik in het derde jaar tweede keeper achter Istatov.”

Istatov, een legende.

,,Een geweldige keeper. Die man had een uitstraling en een lichaam… Maar ook een verschrikkelijke aardige kerel. Al was het moeilijk communiceren. Ik had toen een klasgenote op de pedagogische academie. Zij heeft Nederlandse les gegeven aan Istatov en zijn vrouw en kinderen. Tegen het einde van het seizoen wilde ik wel eens weten of ik het jaar daarop kans maakte om eerste keeper te worden. Want ik stond op het punt om te solliciteren op een baan in Hoofddorp. In die tijd was het heel moeilijk om aan een baan te komen in het onderwijs. Berger gaf aan dat ik maar even moest wachten. Maar de laatste vijf wedstrijden mocht ik keepen. Met name Joop van Maurik heeft zich toen heel positief over me uitgelaten. We speelden uit tegen NEC en ik hield de nul. Van Maurik was laaiend enthousiast en toen kreeg ik mijn eerste contract en werd full-prof. Ik trainde zes keer in de week. Van negen tot tien individueel met Berger, daarna ging ik naar het lager tuinbouw onderwijscentrum aan het Theo Thijssenplein. Dan ging ik ’s middags terug naar het stadion en hadden we om half vier groepstraining. Dat heb ik vier jaar zo gedaan.”

Het is niet meer voor te stellen.

,,In die tijd was ik net getrouwd met Karen om mij uit dienst te houden. Anders had ik in dienst gemoeten. Ze heeft zich toen eigenlijk opgeofferd. En op maandag- en donderdagavond deden we ook nog een cursus om gymnastieklessen te kunnen geven. Mijn vrouw had er ook nog een baan naast. Zo deden we dat. We woonden in een huurflatje in Bilthoven. Dat waren onze eerste jaren. Alles stond in het teken van voetballen. Bovendien: financieel had ik het onderwijs niet meer nodig, maar ik was opgegroeid met de nuchtere gedachte: één rotschop en het kan voorbij zijn. En ik wist natuurlijk niet hoe mijn carrière zou verlopen. Onderwijs gaf ook een stuk zekerheid.”

Hoe was de combinatie tussen voetbal en onderwijs?

,,Eigenlijk was het heel leuk. Ik had jongens en meiden in de klas die ik doordeweeks les gaf en op zondagmiddag in het stadion kwamen om me toe te juichen of uit te fluiten. Dat vond ik een geweldige combinatie. Bovendien ging ik als jongetje al met de fiets naar het stadion om naar DOS te kijken. Ik heb ook de eerste thuiswedstrijd van FC Utrecht meegemaakt. Die wonnen ze van Go Ahead Eagles met 4-1. Ik stond op de Bunnikside. Ik ben altijd fan gebleven.”

En Bunniksider blijkbaar.

,,Ja, ik denk meteen aan Bertus Zeilmaker. Maar ik mocht wel op de Bunnikzijde staan, maar ik mocht niet in rotzooi terecht komen. Dan kreeg ik thuis op mijn kop.”

Hoe heb je de Bunnikside als speler ervaren?

,,Ik had goed contact met de meeste supporters. Sterker nog: vier jongens van de Bunnikside hebben in mijn tuin een zitkuil gegraven toen ik in Zeist ging wonen.”

Maar in die tijd was het niet altijd alleen maar gezellig en moesten er wedstrijd worden stilgelegd.

,,Dat was vervelend. Dan zat je er lekker in en dan moest je stoppen. Dat vond ik waardeloos. Ik kan me trouwens wel herinneren dat we eens een toernooi hadden en dat er een heel groot spandoek was waarop Bertus Zeilmaker gejonast werd. En natuurlijk die laatste wedstrijd in het oude stadion tegen PSV. Ik was het veld nog niet af en de doelpalen werden als luciferhoutjes gebroken. Maar het waren relikwieën. Ik weet dat er nog steeds jongens zijn die een doelpaal uit de oude Galgenwaard in huis hebben.”

Het grootste probleem was dat er nog dingen mee moesten naar het noodstadion aan de Veemarkt.

,,Dat was ook een heel bijzonder jaar. Alleen de laatste wedstrijd hebben we daar verloren. Toen had een supporter nog een spandoek opgehangen: never change a winning stadium.”

Jullie speelden er ook een bekerfinale.

,,Klopt. Tegen AZ. Die wonnen we met 1-0. Uit verloren we. Maar het was ook het jaar dat we met kwartetten langs de deuren gingen en we een plaatje hebben gemaakt met Jaap Dekker.”

Ja, jullie moesten met kwartetten langs de deuren.

,,Wacht even. Wij moesten niet. Als FC Utrecht om was gevallen waren we allemaal transfervrij geweest. Maar we waren bijna allemaal Utrechtse jongens en dat konden we niet laten gebeuren. De oudjes die langs het veld stonden liepen te huilen omdat hun club naar de kloten zou gaan. Het was ook mijn club. Tachtig procent van de spelers bestond uit Utrechtse jongens.  We konden onze club niet kapot laten gaan. En ja: ik heb ook zwart geld aangepakt destijds. We zijn als een stel criminelen weggezet.”

Klopt. Er kwam ook een rechtszaak aan te pas.

,,Dat vond ik nog het ergste voor mijn ouders. Dat je gewoon als crimineel behandeld wordt. Je had zwart geld aangenomen.”

En dat mag niet.

,,Klopt. En dan moet je de consequenties ook aanvaarden. Dat heb ik gedaan. FC Utrecht kon mij toen verkopen en het geld goed gebruiken.”

Je was toch ook als onderpand gebruikt?

,,Je had toen Jan Bartelds en Van de Leur. Die Bartelds heeft nooit geld voor mij gekregen. Die hadden zich garant gesteld. En Bartelds had 250.000 gulden in de clubkas gestoken en ik was de garantiestelling. Ik wist van niets. Hij heeft van mij geen stuiver gekregen. Hij moest het maar met de club uitzoeken. Maar die jongens, en ook Werkhoven, hebben een zware tijd gehad. Het waren allemaal mensen met een enorm clubhart en die hebben onverantwoorde risico’s genomen, maar ik ben er van overtuigd dat ze zich nooit aan de club verrijkt hebben. Dat mag ook wel eens gezegd worden.”

Hoe was die periode sportief?

,,Het  was een fantastisch elftal. We hadden een as met Wildbret, De Kromme en Van Veen. En een goede buitenkant met Van Staa en Van der Lem. En dan hadden we nog spelers die het vuile werk wilden opknappen. We werden dat seizoen derde.”

En gingen Europa in.

,,Als ik terugkijk op mijn voetbalcarrière ben ik blij met wat ik allemaal heb meegemaakt. Ik ben overal geweest en ben dankbaar voor wat ik mee heb mogen maken. Het heeft me als mens verrijkt.”

Een legendarische wedstrijd is die tegen HSV in Hamburg.

,,HSV was toen een enorm grote club. Ik keepte toen de wedstrijd van mijn leven. Ik pakte alles. Het was ongelooflijk. Willy Carbo maakte de enige goal, nota bene uit een uittrap van mij. Maar wij speelden zo onbevangen tegen dat grote HSV. En we wonnen nog ook daar. En ik kon na die wedstrijd naar elke Duitse club.”

Toch begon er een Engels avontuur.

,,Ik ging naar Nottingham Forest. Eerst leek dat niet door te gaan omdat Utrecht te veel geld vroeg. ’s Avonds laat in het Holiday Inn hotel aan het Jaarbeursplein kwam het rond. PSV wilde me toen ook al hebben, maar ik was in gesprek met Brian Clough. Forest was een hele grote club, ze hadden in de periode daarvoor twee keer de Europacup 1 gewonnen. Ik vond PSV altijd al een mooie club en zei toen tegen manager Ben van Gelder: u bent helaas net te laat. Maar ik heb in Engeland ook een geweldige tijd gehad. Dat had ik niet willen missen. De beleving van het voetbal daar is zo enorm. En de benadering is heel anders. Ik kreeg in de eerste drie wedstrijden twaalf goals om mijn oren. Toen kwam na de wedstrijd tegen de Spurs Clough in de bus, waar al mijn collega’s bij waren, naar me toe en zei luid en duidelijk: jij kan niks doen aan deze drie nederlagen. Ik ben zeer content over je. Dat was voor mij een verassing, want ik zat er niet zo lekker in. Nog een voordeel is dat ik al snel een penalty pakte. En mijn voorganger Shilton, een god in Nottingham en Engeland, had nog nooit een penalty gestopt. Dus men dacht ook: hij kan iets dat Shilton niet kon.”

Ook kwamen er Utrechtse fans naar Engeland om je te zien spelen.

,,Ja, drie bussen. Dat was ook zoiets moois. Die gasten zijn op vrijdag vertrokken en hebben niet of nauwelijks geslapen. En na de wedstrijd ontmoetten we elkaar. Ik weet nog dat één van die supporters, een vrouw, een zak Engelse drop voor me mee had genomen. En in Engeland kun je maar een soort drop kopen, dus ik had liever andere drop gehad. Maar dat ze dat deed was zo lief. Die vrouw is veel te vroeg overleden, ze werkte bij het revalidatiecentrum aan de Hoogstraat als wasvrouw en had haar werkruimte vol hangen met posters van FC Utrecht. Dat soort dingen maakten mijn loopbaan heel bijzonder. Mijn band met de supporters is altijd heel goed geweest.”

Maar toch ging je terug naar Nederland.

,,Dat kwam doordat ik ook graag in het Nederlands elftal wilde spelen. Tegenwoordig zijn clubs verplicht spelers af te staan aan nationale teams. Toen was dat anders en Clough zei gewoon: ik betaal jouw salaris dus ik bepaal dat je hier blijft. Bovendien: Forest zou geen kampioen meer worden. Je merkte dat andere clubs de club gingen inhalen en ik wilde een keer kampioen worden in mijn voetbalcarrière. . Maar het mooie en bijzondere was: als je in Engeland aangaf te vertrekken was je weg. Dan werd je niet meer opgesteld. En Clough liet mij gewoon het seizoen afmaken. We werden derde dat jaar en na de laatste wedstrijd tegen Manchester United kwamen supporters het veld op om me op de schouders te nemen. En ik heb er maar twee jaar gespeeld. Ik vond het geweldig om profvoetballer in Engeland te zijn.”

Wat was het grootste verschil met Nederland?

,,Dat zal ik je vertellen. Toen die Utrechters er waren maakte ik in de wedstrijd een foutje, maar ik maakte ook een geweldige redding. Toen ik na afloop het kleedlokaal uitkwam kwamen de Engelsen naar me toe met de opmerking dat ik een geweldige wedstrijd had gespeeld en de wedstrijd had gered met die redding. Toen kwam er een Utrechter: lekker he Breuk, die blunder. Dat is typisch Nederlands. Ook bij Match off the Day beginnen ze altijd vanuit de winnaar te praten. In Nederland benadrukken ze wat er fout ging.”

PSV was destijds ook bezig met het opbouwen van een hele goede ploeg.

,,Na het eerste jaar wilde ik weg. Het was gezellig, maar ik had niet het gevoel dat de lat hoog gelegd werd. Maar men gaf aan dat ze er mee bezig waren. Gullit kwam. En daarna Vanenburg, Gerets… Allemaal topspelers en jongens die hard konden werken. Eric Viscaal, Berry van Aerle: harde werkers die deden wat er gedaan moest worden. Ze wilden winnen.”

Je speelde ook met René van der Gijp.

,,Gijp is de leukste collega met wie ik gewerkt heb, maar ik heb me er ook vaak aan gestoord. Mijn houding was: een dag niet gewonnen is een dag niet geleefd. Gijp dacht: een dag niet gelachen is een dag niet geleefd. Als je aan de top actief bent moet je alles willen winnen. Ik heb het er vaak met hem over gehad. Dan zei ik: met jouw kwaliteiten had je minstens tachtig interland kunnen spelen. Hij gaf me dan gelijk en zei dat hij andere dingen belangrijker vond. Dat vond ik lastig, want ik stelde hoge eisen aan mezelf en ook aan hem. Het stomme is dat ik minder ging presteren omdat ik me ging ergeren aan een ander.”

In 1985 stond je in de halve finale van de KNVB-beker tegen je oude ploeggenoten.

,,In die wedstrijd was Jan Willem van Ede geweldig. Die speelde de beste wedstrijd van zijn leven. Na afloop had ik er de klere in dat we verloren hadden, maar ik kon toch ook genieten van de vreugde die de winst bij mijn oude ploegmaten en de supporters van Utrecht teweeg bracht.”

In 1988 haalde Van Breukelen zijn hoogtepunt. Met PSV was hij de belangrijkste man door in de finale van de Europacup 1 tegen Benfica een strafschop te stoppen. Dat kunstje herhaalde hij in de finale van het gewonnen EK weer met een 2-0 voorsprong. Iconisch is het gebaar met de wijsvinger die de oud-doelman maakte naar strafschopnemer Belanov. ,,Dat deed ik onbewust”, zegt Hans van Breukelen er nu over. ,,Toen we de dag daarna in de bus van Eindhoven airport naar Amsterdam reden zag ik mensen dat gebaar naar mij maken. Ik heb toen echt moeten vragen aan Kees Jansma waarom ze dat deden. Ik heb het pas later terug gezien.”

In 1994 sloot je je loopbaan af.

,,Ik was helemaal klaar met voetbal. Aad de Mos was trainer en was één van de slechtste trainers die ik ooit heb gehad. Ik had er geen zin meer in. Ik ben gaan werken in het retailbedrijf van een vriend. Ik wilde loskomen van het voetbal. Daar heb ik veel geleerd.”

Wat deed je daar?

,,Er was een veranderingstraject waar ik leiding aan mocht geven. Ik heb het organogram gepakt en vertaald naar een voetbalteam. De directie heb ik op de bank gezet. De financiële man in de goal. Verdediging: ICT, receptie, Administratie en HRM. Verdedigende middenvelder; het magazijn. De inkoper was de nummer 10, de belangrijkste binnen ons team; de spelbepaler.  Marketingjongens waren de lopers op het middenveld. In de spits stonden de verkopers. Het was heel simpel. En ik ben gaan vragen in de winkels wat de verkopers nodig hadden om optimaal te kunnen verkopen. Ze wilden wel eens een verkooptraining. Toen viel ik van mijn stoel en hebben we het management en de filiaalhouders getraind. Daarna hebben we filiaalhouders collega’s laten trainen en managers genoemd. Geen winkeloppassers meer, maar verantwoordelijk voor omzet, kosten en personeel. Zo gingen we aan de slag. We hebben heel veel gedaan. Ik vond het leuk om mensen te faciliteren.”

In 1996 kreeg je de aanbieding in het voetbal terug te keren.

,,FC Twente vroeg me als algemeen directeur. Maar mijn vrouw en ik zagen het niet zitten om in Enschede te gaan wonen. Mijn oudste kind zat in België op school. Tot mijn verassing kwam een jaar later FC Utrecht.”

Het Challengerplan.

,,Dat is bedacht door het toenmalige bestuur: Hans Herremans, Jan van de Kant, Gerrit Bloemink en Ab Kabalt. Samen met hoofdsponsor AMEV hadden ze bedacht dat Utrecht de uitdager van de top drie moest worden op een Utrechtse manier. Ik omarmde dat, maar ik maakte één grote fout: ik ging het meteen verkondigen. Bij een presentatie zei ik het. Toen kwam trainer Ron Spelbos naar me toe. Wat doe jij nou? Vroeg hij. Daar hebben we de spelers helemaal niet voor. Dit kunnen we niet. En hij had gelijk.”

Een jaar eerder waren we net aan degradatie ontsnapt.

,,We werden uitgeschakeld in de beker tegen Noordwijk en Spelbos kapte ermee. Het viel tegen, maar dat kwam ook omdat er toegezegd was dat AMEV er geld in zou stoppen. Dat gebeurde niet dus we moesten het belei d veranderen en zijn gaan zoeken naar jongens met de mentaliteit die bij het challengerplan pasten. We haalden voor niets geld Zwaanswijk, Schut, Shew a Tjon, Bosschaart en Van der Ree. Als klap op de vuurpijl kwam Dirk Kuijt in het kielzog van Hendrik van Beelen. En we hadden Jean Paul de Jong. Mols moesten we later verkopen.”

Dat was in die tijd een grootheid.

,,Ongekend. En een verschrikkelijk aardige jongen. Maar die was niet te houden voor ons. Wel konden we Martel halen. Het meeste geld hebben we in mijn periode besteed aan Vreven en Tanghe. Vreven was de ultieme man voor het Challenger-idee en Tanghe was een hele goede speler die voetbal in de ploeg bracht. Toen ik in 2000 stopte heb ik me nog hard gemaakt voor de komst van Adelaar. Een jaar later haalde Utrecht Europees voetbal.”

Er waren ook spelers als Tibor Dombi.

,,Er was geen geld, dus we moesten transfervrije spelers halen. En helaas pakt een aankoop ook weleens verkeerd uit. Vreven en Tanghe waren de enige die echt geld gekost hebben. En zowel Stijn als Stefaan hebben het voor de club geweldig gedaan.”

Waarom stopte je?

,,Dat was met pijn in mijn hart. Ik had geen vertrouwen meer in het  bestuur. Ik wil niet in detail treden en namen noemen. Het was: of hij eruit of ik. Toen hij niet ging, ben ik gegaan. Maar de selectie die er toen was stond aan de vooravond van successen op de challenger-manier die we eerder voor ogen hadden. En dat elftal won bekers en ging Europees voetbal spelen. Daar heb ik van afstand van genoten.”

Je hebt nooit echt de credits gehad.

,,Vind ik ook niet belangrijk. Dat weet je in het voetbal. Het mooiste compliment kreeg ik toen Utrecht in mei 2001 voor het eerst Europa weer in ging zeiden mensen om mij heen dat ik daar ook een bijdrage aan geleverd had. Dat was voor mij genoeg.”

Wat ben je toen gaan doen?

,,Ik heb toen besloten nooit meer in de voetballerij te stappen. Ik kreeg toen al veel aanvragen om als spreker op te treden. Mensen vonden het leuk als ik over mijn successen bij oranje en PSV kwam vertellen. Later kwamen daar ervaringen in het bedrijfsleven en bij FC Utrecht bij. Ik heb tussen 2000 en 2015 zoveel optreden gedaan als spreker of dagvoorzitter. Ik heb een topjaar gehad waarin ik honderdvijftig optredens had. Dat zijn bedrijven, businessclubs, verenigingen, onderwijsinstellingen, zorginstellingen… Allerlei soorten organisaties. Omdat het overal om mensen gaat. Het gaat er over hoe mensen samen kunnen werken. Daar heb ik bepaalde ideeën over. Daar vertel ik over. En ik schreef er boeken over.”

In 2015 werd de KNVB je nieuwe werkgever.

,,Daar waren veel mensen verrast over. En ik had dat een half jaar daarvoor ook niet verwacht. Nooit aan gedacht zelfs.”

Waarom ging je bij de KNVB aan de slag?

,,Ik vroeg waarom ik geschikt zou zijn. Want ook ik was verrast. Ik kreeg te horen: je hebt een voetbalachtergrond, je hebt een voetbaltechnische achtergrond, je bent met innovatie bezig, je bent ondernemend en hebt bestuurlijke ervaring, onafhankelijk en een goede communicator.”

Vertel eens over je ervaringen met innovatie?

,,Ik ben elf jaar directeur geweest van een stichting sport en technologie om het bedrijfsleven, kennisinstellingen en sport bij elkaar te brengen. Bij de KNVB wilde men dat de resultaten van het congres in 2014 waarin alle kopstukken uit het Nederlands voetbal hun zegje hadden kunnen doen en samengevat was in het plan ‘winnaars van morgen’, zou worden geïmplementeerd. Speerpunten: sterkere competities, meer aandacht voor de ontwikkeling van fysieke en mentale aspecten en een betere coachopleiding. Met als doel om het Nederlands Voetbal weer op dat niveau te krijgen waar we het allemaal zo graag willen. KNVB heeft een hele mooie campus waar heel veel mogelijkheden zijn om voetbal op het gebied van meten en kennis. Ik vond dat de KNVB een kenniscentrum moest creëren, waar clubs en trainers hun kennis vandaan zouden kunnen halen. Zo waren er een aantal aanbevelingen uit dat rapport: competities moesten bijvoorbeeld sterker. Ik ging met veel ambitie aan de slag. Ik heb te snel te veel willen doen. Ik heb niet de verbinding kunnen maken tussen de mensen, de  clubs en de KNVB om met elkaar die stappen te zetten. Terugkijkend had ik natuurlijk ook wel een aantal zaken anders en moeten doen.”

Voor een winnaar moet het verschrikkelijk zijn als dat mislukt.

,,Het heeft me veel pijn gedaan. Op een ochtend werd ik wakker met het gevoel: het is me door de vingers geglipt. Je ligt nachten te malen. Je bent er vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week mee bezig en kijkt wedstrijden op alle niveaus. De stemming in Nederland was ook niet best omdat het Nederlands elftal niet goed presteerde. Dat is een keihard gegeven. Dan moet ik de bondscoach ontslaan en haal ik, met veel gedoe, een nieuwe bondscoach binnen. Die heeft er overigens wel voor gezorgd dat we in de Nations League op het hoogste niveau konden starten. Aan de andere kant was er zo veel weerstand. Niet intern, maar ik begon me af te vragen of ik dit nog wel wilde. Ik merkte dat mijn omgeving er onder begon te lijden.”

De kritiek was ook niet van de lucht.

,,Dat is onderdeel van zo’n functie en ik had dat op voorhand al ingecalculeerd. Bovendien had ik dat eerder meegemaakt. Dertig jaar geleden kon ik er zogenaamd niks van en moest ik het Nederlands elftal uit. Een jaar later stond ik met die beker in de lucht. Kritiek is part of the job. Maar ik merkte dat ik dit niet meer wilde.”

Je stopte.

,,Ik voelde dat echt als een nederlaag en daar had ik als ex-sporter veel moeite mee, maar ik voelde ook opluchting. Ik heb wel de tijd nodig gehad om daarvan te recupereren. Daar heb ik de milde variant in gevonden. Een collega van me zei: Hans, je bent in een onmogelijke job op een onmogelijk moment ingestapt.”

En het resulteerde in een nieuw boek: Maak je Comeback.

,,Dat klopt. Dat gaat over terugkeren na een tegenslag. Ik kwam iemand tegen die een come back-methode had ontwikkeld en ik zei: pas hem maar op mij toe. Zo zijn we aan de slag gegaan. In het boek worden de fases uitgelegd om na een tegenslag weer terug te keren en dit om te zetten in nieuwe kansen. Aan de hand van mijn verhaal na mijn werkzaamheden bij de KNVB, krijgt de lezer hier een duidelijk beeld bij. Het is aan de ene kant een herstelboek en aan de andere kant een ontwikkelboek. Wij praten in ons leven pas over tegenslag als het geweest is. Ik geloof erin dat ieder mens kan terugkomen van een tegenslag, als hij/zij echt wil. Het gaat er namelijk om hoe je met pech omgaat en dat staat op een simpele, begrijpelijke wijze omschreven. Met twee poten op de grond. Een tegenslag omzetten in een kans. En daarin durf ik mij ook kwetsbaar op te stellen.”

Danny van der Linden (1983) is in het dagelijks leven werkzaam als journalist en verslaggever voor diverse media. Hoewel hij over diverse onderwerpen schrijft, ligt zijn hart bij de sportjournalistiek.