Afgelopen augustus sloot de Venezolaanse president Maduro de grens met Colombia, en zette anderhalfduizend Colombianen zijn land uit. Nog eens twintigduizend vertrokken zelf, uit angst. Onder de teruggekeerden zijn vele Colombianen die in eerste instantie de oorlog in hun land hadden ontvlucht.

STEUN RO

CUCUTA, 24 November 2015 – In El Tarra, het dorp waar de 28-jarige Luisa Garida opgroeide, was het leven goed. Het was een kleine plek, schoon en georganiseerd, met vriendelijke mensen. Het dorp lag weliswaar in guerrilla gebied, maar omdat Garida’s twee neven daar bij hoorden hoefde zij er niet bang voor te zijn. Haar neven vroegen haar geregeld om mee te doen, maar dat vertikte ze: vanuit haar evangelische scholing geloofde ze niet dat zij het recht had te kiezen tussen leven en dood. Dat recht was in Gods handen.

Snel daarna zou ze met haar eigen ogen ervaren wat het betekende als mensen wel die keuze zouden maken. Ze was veertien toen de paramilitairen in het dorp aankwamen. Zij hadden lijsten meegebracht, herinnert Garida zich. Daarmee verdeelden ze de mensen uit El Tarra in twee verschillende groepen: de ene groep mocht weg, de andere moest op de grond zitten met hun handen in hun nek, waarna ze van achteren neergeschoten werden. Garida herinnert zich dat ze op een gegeven moment een aantal paramilitairen zag voetballen met het hoofd van een kind. Daarna vluchtte ze weg uit Colombia.

Verslechterende economie Venezuela

Vijftien jaar lang woonde Garida in Venezuela. Ze werd moeder van drie: twee dochters en een zoon. Door de jaren heen zag ze de economie van het land uiteenvallen, totdat ze voor alles dat ze nodig had in de rij moest staan: luiers, rijst, vlees. Vanaf april vorig jaar mocht ze alleen nog boodschappen doen op woensdag, net als iedereen wiens sociale identificatienummer eindigde op een 5. Het was een maatregel genomen door president Maduro’s socialistische regering om de het logistieke probleem van de tekorten in het land te kunnen bevechten. Soms moest Garida al om vijf uur ’s ochtends in de rij staan, wat betekende dat ze op die dag veel minder tijd had voor haar eigen werk: het verstellen en versieren van spijkerbroeken.

In de rijen braken regelmatig gevechten uit tussen de geïrriteerde wachtenden. Maar de enige mogelijkheid om de rijen te vermijden, was om boodschappen op de zwarte markt te kopen: wat zou betekenen dat een luier al gauw 1.500 bolivar (2 euro) zou kosten, in plaats van 150 boliver (20 cent) voor twintig stuks in de staatssupermarkt.

Garida maakte nooit een geheim van haar afschuw van de Chavista beweging – de ideologie van de overleden Chavez, waarop Maduro zijn politiek in Venezuela baseerde sinds hij in april 2013 aan de macht was. Soms vroeg ze aan haar schoonfamilie waarom zij in vredesnaam voor die gek stemden, aangezien zij toch ook zagen dat het land kapot ging. Maar zij geloofden in hem, en dat Venezuela door de buitenwereld kapot wordt gemaakt.

Door gesubsidieerde producten Venezuela uit te smokkelen naar Colombia, valt een hoop geld te verdienen. In een Colombiaanse grensstad als Cúcuta, hoofdstad van de provincie Norte de Santander waar ook het dorpje El Tarra in ligt, lagen de supermarkten vol met Venezolaanse producten. Op de straten werd Venezolaanse benzine voor bodemprijzen verkocht. Dit verergerde alleen maar de logistieke problematiek die Venezuela al had.

Gesmokkeld Venezolaans melkpoeder in de Colombiaanse supermarkt. Beeld: Eline van Nes

Cocaïne smokkel hoogste niveau

Als Colombiaanse vluchtelinge die nooit officiële papieren had gekregen om in Venezuela te mogen blijven, net als veel Colombianen die net over de grens woonden, moest Garida voorzichtig zijn met wat ze zei. Ook al was de grensregio open voor iedereen, merkte ze een verschil. De staat begon Colombianen verantwoordelijk te stellen voor de lege supermarkten. Wanneer je meer dan twee kilo rijst of andere grote voorraden in je huis had, werd je beschuldigd smokkelaar te zijn. Jonge Colombiaanse mannen werden verdacht paramilitair of guerrilla te zijn, en alleen in Venezuela om even te pauzeren van de oorlog.

Binnen de Colombiaanse grensregio zijn veel paramilitairen, guerrilla’s en verschillende criminele organisaties actief. De regio is de belangrijkste smokkelroute voor cocaïne, wat geproduceerd wordt in Colombia en Peru maar via Venezuela verder naar de VS en Europa wordt vervoerd – een smokkelnetwerk dat functioneert vanwege corruptie op de hoogste niveaus. Dat laatste werd weer pijnlijk duidelijk toen afgelopen 10 november twee familieleden president Maduro op Haïti werden opgepakt met 800 kilo cocaïne in hun vliegtuig. Zij reisden met hun diplomatieke paspoorten.

Maar de deportaties begonnen. Ruwweg 1.500 Colombianen moesten gedwongen terugkeren naar hun moederland. Vele van hen werden midden in de nacht uit hun huizen gehaald, en mochten alleen een paar tassen met zich meebrengen. De crisis bereikte afgelopen augustus haar climax, toen Maduro besloot om de grens te sluiten voor onbepaalde tijd. Veel van de teruggekeerde Colombianen vertellen hoe huizen van Colombianen in Venezuela waren gemarkeerd met een T, wat stond voor tumbar – slopen.

Luisa Garida in het Centrum voor Migratie. Beeld: Eline van Nes

Gedeporteerd worden

Nadat de grens gesloten was, in september, kwam de Policía Técnico Judicial (PTJ), een speciale politie-eenheid in Venezuela, haar huis binnen. Haar handen werden achter haar rug gebonden en ze werd in elkaar geslagen. Ze zeiden dat zij in een smokkelnetwerk samenwerkte met de paramilitairen – waarvoor ze ooit zelf gevlucht was. Ze zeiden dat ze haar kinderen zouden afslachten. Ze hamen haar Colombiaanse identiteitskaart en haar medische documenten af. Het was iets dat niet alleen Garida overkwam: veel Colombianen vertellen hoe politie of leger in Venezuela hun identiteitspapieren of zelfs hun vluchtelingendocumenten verscheurden en weggooiden.

Garida behoorde tot de groep van ruim 20.000 Colombianen die Venezuela ‘vrijwillig’ verlieten nadat de deportaties gestart waren. Nu is zij in Cúcuta, net over de grens, waar ze tijdelijk verblijft in het Centrum voor Migratie. De enige familie die zij in Colombia heeft, zit in El Tarra, het dorpje dat ze ontvluchtte vanwege de gruwelijke moorden. Daar naartoe terugkeren is geen optie, het is nog altijd gebied waar strijd gaande is tussen paramilitairen en guerrilla’s.

De gemeente van Cúcuta heeft haar een klein huis aangeboden, waar ze haar leven opnieuw zal kunnen beginnen. Ze gaat ernaartoe, maar ze weet echter dat het in een wijk is waar ook paramilitairen actief zijn.

*De naam Luisa Garida is niet haar echte naam

KADER:

De Venezolaanse president Maduro heeft aangegeven dat de grenzen voor onbepaalde tijd dicht zullen zijn. Volgens hem is er een sterke vermindering in misdaad in de provincies in Venezuela die grenzen aan Colombia. In sommige gebieden is de vermindering van ‘terrorisme, kidnappings en moord’ tot 96%, volgens de president. Recent in Cúcuta aangekomen Venezolanen spreken daar anders over: volgens hen is de misdaad nog steeds even erg als voordat de grens gesloten werd. Officiële getallen zijn niet te verkrijgen.

Over de auteur:

Jurriaan van Eerten reist samen met fotografe Eline van Nes door Latijns-Amerika. Zij maken reportages die op een persoonlijke manier het alledaagse leven verbeelden.

Lees ook:

Nederlandse foto’s sleutel in zoektocht naar Colombiaanse vermisten

    Jurriaan van Eerten (1983) is freelance journalist. Zijn werk is o.a. gepubliceerd in Het Parool, Trouw, Vice en Al Jazeera English. Samen met fotografe Eline van Nes maakt hij human-interest verhalen over Latijns-Amerika. Zij willen niet de politicus op wie gestemd wordt belichten, maar juist de persoon die het stemvakje inkleurt.