De teloorgang van de sigaret

De rookvrije speelplaats is de volgende stap in wat uiteindelijk de totaal rookvrije maatschappij zal worden. We weten natuurlijk allemaal waarom. En we weten het bovendien al heel lang: roken is slecht, heel slecht zelfs. Je kunt er allerlei zeer nare ziektes van krijgen. Niet doen dus! Maar toch, maar toch… “Iets zo verrukkelijks als een Gauloise kon je natuurlijk het beste binnenshuis oproken, in een klein, goed afgesloten kamertje, zodat de uitgeblazen rook niet helemaal verloren ging voor de nooit voldane ademhaling van de ware sigarettenroker.” Aldus W.F. Hermans in De laatste roker.

Wie nu nog rookt is niet alleen een verslaafde zielenpiet, maar bovendien een onfatsoenlijke a-sociaal. Het is een persoon die het best gemeden kan worden en als men zich noodgedwongen toch in rokerskringen moet bewegen, dan graag zo kort mogelijk.

Ach, arme roker. Even opsteken is tegenwoordig geen lolletje. Op straat mag het nog net en er is ook nog geen wet die het roken in eigen huis verbiedt. Maar verder? Op kantoor of in de fabriekshal is het onbekommerde roken al lang voorbij. In openbare gebouwen ook natuurlijk. Zelfs bij de koffieautomaat mag niet meer worden opgestoken. Een sigaret roken betekent vandaag de dag koukleumen voor de toegangsdeur, snel wat haaltjes en hop weer naar binnen.

In vliegtuig, bus en trein was het roken al lang afgeschaft, maar sinds een paar jaar mag er ook op het meest tochtige station niet zomaar worden gerookt. Alleen in de buurt van een asbak die verstopt zit in een paal en die al snel de bijnaam pafpaal kreeg, mag nu worden opgestoken. Op Schiphol is het roken uitgebannen en al twaalf jaar geleden werd het verboden in wat de laatste jaren toch al tot het rokersreservaat bij uitstek was geworden, het café.

Wie nu nog rookt heeft niet alleen te maken met allerlei territoriale verboden, ook sociaal wordt de roker uitgestoten. Rokers mollen namelijk niet alleen hun eigen gezondheid, zielig, zielig, zielig, maar via een enigszins discutabel “meeroken is schadelijk”, ook de gezondheid van anderen. Vooral ex-rokers zijn niet te beroerd dat de arme roker voortdurend hardhandig in te wrijven. Ook hier geldt dat bekeerlingen vaak fanatieker zijn dan mensen die in het geloof zijn opgegroeid.

De vrijwillige anti-rook brigade wordt in hun zendelingenwerk ondersteund door clubs als Stivoro (“voor een rookvrije toekomst”) en Clean Air Nederland, ooit onder leiding van de legendarische Fons Nijpels, zelf een ex-roker, en niet te beroerd om mensen die op tv roken ervan te betichten dat ze ‘paffend de huiskamer instappen van honderdduizenden kijkers’. Dat rook niet via tv-kabels naar huiskamers kan worden getransporteerd belette hem niet te spreken over ‘agressief onfatsoen’. Vanzelfsprekend richtte hij zijn pijlen meer dan eens op ‘de grootste asociaal van allemaal’ de fervente roker, de vermoorde Theo van Gogh.

Zeven centimeter zaligheid

Hoe anders waren de tijden in, zeg, het midden van de vorige eeuw, de dagen van het grote onbekommerde roken. Neem alleen een film als Casablanca, die tijdens de Tweede Wereldoorlog werd gemaakt. In het begin van Casablanca waarin Humphrey Bogart schitterde met Ingrid Bergman, glijdt nog voordat we zijn gezicht zien, de camera langs de hand van Bogart. Tussen duim en wijsvinger houdt hij de sigaret vast en met een bijna onzichtbaar tikje slaat hij de as af. Hij legt de sigaret op de asbak, maakt een notitie en pakt de sigaret weer op tussen duim en wijsvinger. Hij neemt een trek, inhaleert diep en blaast de rook langs zijn neus naar buiten. En geniet. Boven zijn hoofd wolkt de rook langzaam weg.

Bogart was als roker niet alleen. Wat zou er van James Dean zijn overgebleven in Rebel without a cause als hij geen sigaret in zijn vuisten had kunnen klemmen. En hoe zou de liefde er hebben uitgezien zonder Marlene Dietrich en Greta Garbo die traag hun ijle rookwolken uitbliezen?

Niet alleen in de film vierde de sigaret hoogtij ook op andere terreinen van de schone kunsten bleek het een onontbeerlijk attribuut. Neem alleen al de literatuur. In Bekentenissen van Zeno van Italo Svevo, rookt Zeno voortdurend zijn laatste sigaret, voor hem kennelijk een voorwaarde zo lijkt het tot optimale genotbevrediging. “Denk eraan: niet roken! Een enorme rusteloosheid beving me. Ik dacht: ‘Omdat het slecht voor me is zal ik nooit meer roken, maar eerst wil ik het nog één keer voor het laatst doen.’ Ik stak een sigaret op en voelde me op slag bevrijd van mijn onrust.”

En om eens een willekeurig ander voorbeeld te noemen: het was volstrekt onvoorstelbaar om de Franse schrijver en filosoof Jean-Paul Sartre aan te treffen zonder Gauloise in de hand. ‘Een leven zonder sigaretten is iets minder de moeite van het leven waard’, vond hij.

Willem Frederik Hermans die z’n hele leven rookte, schreef in de bundel De laatste roker, het verhaal van een oude man die zelfs illegaal geen “zeven centimeter nicotine, teer en zaligheid” kan krijgen. In een wat lichter genre kwam de sigaret ook aan bod. “Zit m’n dasje goed/ zit m’n jasje goed/ is m’n pochetje d’r/ m’n sigaretje d’r/ vader gaat op stap”, rijmde Toon Hermans en niemand die er aanstoot aan nam.

Doctors smoke Camel

De advertentiemakers voor de sigaret waren in de jaren van het grote onbekommerde roken ook lekker op dreef. In de Verenigde Staten domineerden decennialang drie merken de markt: Chesterfield, Lucky Strike en Camel. De reclame-uitingen van die drie ademden nog een sfeer van onbedorven plezier. They statisfy riep Chesterfield en Lucky Strike haalde ook al geen halsbrekende toeren uit met Reach for a Lucky. Bekoorlijke langbenige blondines vleiden zich tegen zonsondergang op de rotsen, handen om de knieën geklemd, terwijl ze de man die naast hen zat en die een sigaret opstak in het oor fluisterden: Blow some my way.

Camel pakte het anders aan en zette alle troeven op hun eenbultige kameel. The camels are comin!, I walk a mile for a camel en het legendarische More doctors smoke Camel than any other cigarette. Op het New Yorkse Times Square installeerde de Camel-fabrikant een spectaculair billboard met een rokende kameel die elke vier seconden een pufje rook omhoog liet kringelen.

Caballero, net als Tivoli (i lov’ iT) product van eigen bodem was simpelweg “anders dan andere”. Levensgenieters als Ramses Shaffy en acteurs als Jeroen Krabbé en Henk van Ulsen werden de ambassadeurs van Caballero, hoewel Van Ulsen later verklaarde zelf helemaal niet te roken. Het merk had bovendien een imagoprobleem. Een pakje kostte maar tachtig cent tegen een pakje sigaretten van een ander merk een gulden. De uitstraling van Caballero was daardoor goedkoop. In plaats van twintig sigaretten stopte de fabrikant voortaan 25 sigaretten in een pakje en verhoogde de prijs naar een gulden. Probleem opgelost.

North State, een ander populair merk in die dagen, schreef geschiedenis door een wedstrijd uit te schrijven voor de beste slogan voor hun sigaret. “Ik loop m’n poten uit m’n reet/ voor een North State” won niet, maar was wel op afstand de beste slagzin.

In Nederland werd, anders dan in andere landen, veel shag gerookt. De populairste zelfgefabriekte sigaret was Drum. Drum was half zwaar net als Samson. De zware van Van Nelle (of van De Weduwe zoals de liefhebbers zeiden) bleef zelfs branden bij stormachtig weer op zee. Javaanse Jongens was voor een kleiner publiek, net als de shag genoemd naar de vuurtoren van Terschelling, Brandaris (omdat-ie zo zwaar is, riep iedereen er automatisch achteraan).

Het rollen van een sjekkie was een kunst op zich en het duurde even voordat je de techniek onder de knie had. Het vloeitje moest worden geladen met tabak en dan tussen duim en wijsvinger heen en weer worden gerold totdat de ideale vorm was gevonden. Voor de één was dat rechttoe rechtaan als een “echte” sigaret; voor de ander moest het een toeter worden.

De soort vloeipapier was eveneens belangrijk: hoe minder dik hoe beter. Mascotte was het dikst en werd om onverklaarbare reden vooral gebruikt door de rokers van de zware van Van Nelle.

Rode Rizla was aanvaardbaar, Blauwe Rizla uitstekend. Maar het best was rijstpapier dat zo dun was dat het draaien van een sjekkie een waar kunststukje werd.

Verboden vrucht

Maar waarom roken mensen? Het eenvoudige antwoord is: omdat ze verslaafd zijn aan nicotine. Maar dat antwoord is amper bevredigend. Iedereen die zijn eerste sigaret rookt vindt het vies en toch gingen we er mee door. Of zoals Italo Svevo schrijft in Bekentenissen van Zeno: “Mijn vader liet thuis dikwijls half opgerookte Virginiasigaretten op de rand van tafels of kasten liggen. Ik ging ze stiekem zitten oproken. Op het moment dat ik ze wegpakte ging er al een rilling van afschuw door me heen bij het vooruitzicht hoe misselijk ik ervan zou worden. Maar toch rookte ik, net zolang tot het koude zweet op mijn voorhoofd stond en mijn maag zich scheen om te draaien.”

Na verloop van tijd echter was de smerige smaak verdwenen en grepen we met de regelmaat van de klok naar dat kloeke doosje dat verstopt zat in jaszak, handtas of dat open bloot op de toog lag. Dat laatste was minder verstandig omdat je dan al snel te maken kreeg met lui die een sigaretje kwamen bietsen.

Voor menigeen was de eerste sigaret van de dag ook meteen één van de hoogtepunten. De langzaam naar binnen gezogen rook gaf een licht gevoel van duizeligheid en zorgde er even voor dat je sterretjes zag. Het was de meest ontspannen manier om de dag te beginnen.

Naast de fysieke sensatie was er het ritueel. Een journalist omschreef het ooit als volgt. ‘Het is wat het allemaal doet. Draaien, aansteken, aftikken, rook nakijken. Het is een troost.’ Anderen roemden het langzaam uit het pakje kloppen van een sigaret, waarna je er met het klikkende geluid van metaal op metaal met je Zippo er de brand in jaagt.

Roken was ook dat korte ogenblik van ontspanning. Het was de rustpauze tijdens het werk of een moment waarop je je gedachten kon laten afdwalen en de rookwolken nakijken. Daarbij: roken is iets doen zonder dat je iets doet.

De brand in een sigaret steken was in die jaren een sociaal geaccepteerd verschijnsel. Niemand dacht tijdens een vergadering aan een rookverbod. Dat woord bestond toen nog niet eens. Bij verjaarsvisites stond zelfs bij niet-rokers een glas op tafel met daarin sigaretten van verschillende merken, met en zonder filter.

Wat ons calvinistische Nederlanders misschien nog wel het meest aansprak, was dat roken een verboden vrucht is. Roken is genot en genieten is in de calvinistische cultuur uit den boze. Juist dat maakte het nog extra aantrekkelijk. Elke sigaret was als de verboden appel die Eva plukte in het paradijs.

Grotemensenwereld

De sigaret werd in de loop der jaren het vehikel van de vooruitgang. Sigaren, pijp en pruimtabak werd iets voor ouwe lullen: de jeugd was modern en rookte sigaretten. Het was een middel om je te onderscheiden van ouderen en aansluiting te vinden bij een groep gelijkgezinden. Het roken van een sigaret was het ultieme ritueel dat je was toegetreden tot de grotemensenwereld: kinderen rookten niet, volwassenen wel.

De sigaret werd de fakkel van de vrijheid. Iedereen kon roken waar en wanneer hij wilde. Voor vrouwen werd het een emancipatiemiddel. Net als de man had ook zij recht op het genot van een sigaret. Voor mannen was roken een middel om hun viriliteit te bewijzen en voor beide seksen was de sigaret omgeven met een waas van erotiek en zinnelijk genot, je zoog er graag je longen mee vol.

Nederland telde een aantal grote rokers die allemaal op één of andere manier uiting gaven aan het genot dat ze beleefden aan een sigaret. Henk Hofland, Willem Frederik Hermans, Simon Carmiggelt, Theo van Gogh, Annie M.G. Schmidt, Kees Fens en Martin van Amerongen behoorden daartoe. De eerste muntte het woord bukshag – shag van opgeraapte peuken, hoe mooi.

Ach arme roker, de mooie tijden van het onbekommerde paffen zijn definitief voorbij. Op zich is het helemaal niet zo slecht dat er een paar territoriale verboden zijn ingevoerd, maar de touwtjes worden nu wel erg aangetrokken: tot stikkens toe. De zoete geur van Bogart’s sigaret zal onze neus nooit meer zal bereiken. Het wachten is op een digitaal gekuiste versie van Casablanca waarin de acteur z’n sigaret is ontnomen en hij voortaan een beetje dommig voor zich uit zit te staren. Er zijn leden van de anti-rookpolitie die dat écht willen.

“Hij groef zijn aansteker uit het binnenzakje van zijn colbert, stak de sigaret in zijn mond en maakte vuur. Terwijl hij de eerste peilloos diep geïnhaleerde rookwolk uitblies, kwam een politiebusje vlak voor hem tot stilstand. De zijdeur schoof open en twee vrouwelijke agenten, een lange en een opvallend kortere, stapten uit. ‘Hey! Wat are you doing buster? Smoking? Come on! Quick!’ Ze pakten hem allebei bij een arm en duwden hem de auto in.”

Het zijn treurige tijden geworden voor de roker.

En dan nog dit:

Een paar beroemde (ex-)rokers

Gerrit Zalm. Toen hij stopte smeekte zijn naaste omgeving hem om weer te beginnen. De goedlachse minister van Financiën was veranderd in een nurkse chagrijn.

Johnny Depp, acteur. ‘Het is duidelijk dat het niet goed voor je is en ik raad het ook niemand aan. Maar iedereen moet er zijn eigen weg in kunnen vinden.’

Robert Jasper Grootveld, kettingroker. Organiseerde in de jaren zestig anti-rookmanifestaties bij Het Lieverdje op het Spui in Amsterdam en gaf daarmee het startschot voor provo.

Joe – everything gives you cancer – Jackson. Schreef Smoke, Lies and the Nanny State uit protest tegen het anti-rookbeleid in de VS.

BeginnenMetRoken.nl

Tegenwoordig is deze website te koop. Niemand wil ‘em meer. “Diep van binnen zijn we allemaal rokers. Zoals iedereen weet zijn rokers, socialer, gezelliger en hebben een beter seksleven.” Zo begon de site BeginnenMetRoken.nl die de bezoeker stapsgewijs op weg hielp een goede roker te worden. Het begon met “de voorbereiding” en vervolgde met “de aanloop”, “de ontbranding”, “het inhaleren”, en eindigde met “het uitmaken.”

“Na het grote zwelgen bent u klaar voor de reiniging.”

Polderrook

Ook in Nederland werd lange tijd tabak verbouwd. Van 1850 tot het begin van de twintigste eeuw was er een bloeiende tabakscultuur rond de plaatsen Rhenen, Elst en Amerongen. Tegen de concurrentie uit warmere streken kon men echter niet op en de branche ging ter ziele. Er was een kleine opleving tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen tropische aanvoerlijnen waren afgesneden. Tot op de dag van vandaag staan er nog tabaksschuren in Elst en omgeving.

Productie

Wereldwijd worden er per jaar 6.000.000.000.000 (zesduizend miljard) sigaretten gerookt. Dat is goed voor een omzet van driehonderd miljard dollar per jaar, waarvan een slordige twintig miljard winst. De grootste tabaksproducent is China National Tobacco Corporation die een kwart van de productie voor z’n rekening neemt, met bekende merken als Zhong Hua en Hong Ta Shan. Op de tweede plaats staat Philip Morris (Marlboro) met 14 procent.

Dr. Meinsma

Was directeur van het Koningin Wilhelminafonds voor de kankerbestrijding en een begrip in de jaren zeventig. De antirookridder sloeg regelmatig nogal wild om zich heen en kreeg zelfs vanuit de medische wereld nauwelijks steun. Philip Morris was dik tevreden over hem. “Meinsma geniet in de media een zekere beruchtheid die vooral gebaseerd is op zijn nogal emotioneel geladen uitingen. Per saldo wordt hij gezien als een fanatiekeling die niet erg serieus wordt genomen”, schreef Philip Morris.

Dik verdienen

Volgens de meest recente cijfers van het CBS is tabak sinds 2000 drie keer zo duur geworden. Alleen al dit jaar is de prijs verhoogd met twintig procent. Meer dan driekwart van de prijs van een pakje sigaretten bestaat uit belastingen en accijns. In Nederland kost een pakje tegenwoordig zo’n acht euro. Daar krijg je in Birma of Mongolië tien pakjes voor. In Bhutan is de verkoop van sigaretten verboden en in Australië betaal je 26 euro voor een pakje. Om maar eens wat te noemen.

Amerikaanse soldaten

Tot ver in de jaren vijftig was Amerika de onbetwiste bakermat van de sigarettenproductie en het roken. Vanzelfsprekend werd ook het buitenland bestookt door de Amerikaanse sigarettenmakers. Hoewel er in Europa al eerder sigaretten werden gerookt, met name in Spanje, was het Amerika dat er voor zou zorgen dat een eeuw later de hele wereld het witte slanke rolletje tabak verpakt in maagdelijk wit had omhelsde.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd Jan Soldaat aan het front ruimhartig voorzien van rookwaar door onder andere het Army Girls Transport Tobacco Fund. In het zich van de dood zorgde het sigaretje voor een gelukzalig moment van ontspanning. Zelfs de Amerikaanse opperbevelhebber generaal John Joseph Pershing wierp zich in de strijd: ‘U vraagt mij wat we nodig hebben om een oorlog te winnen? Mijn antwoord is tabak, net zo goed als kogels.’

De grote doorbraak in Europa kwam echter na de Tweede Wereldoorlog. The American way of life kwam verpakt in de ransel van de Amerikaanse soldaten naar de Oude Wereld. De sigaret hoorde net als de auto en later de tv op een natuurlijke manier bij die American way. Iedereen wilde graag met de overwinnaar worden geassocieerd en hoe kon dat beter dan met het opsteken van een sigaretje? Een auto was immers veel te duur en de tv was er nog niet eens. Amerikaanse soldaten deelden massaal hun Lucky’s, Camels en Chesterfields uit en in het na de oorlog bezette Duitsland vervingen sigaretten voor langere tijd zelfs het geld als universeel ruilmiddel.

Mijn gekozen waardering € -

Ik schrijf over alles wat mijn nieuwsgierigheid wekt. Dat is veel. Vaak kom ik uit bij verborgen hoeken van de geschiedenis, maar soms ook bij het persoonlijke verhaal. Het alledaagse leven èn het drama. Actueel, maar soms ook wat minder. Wel altijd goed geschreven en een plezier om te lezen.