Filmmaker Sinan Can schuwt het gevaar niet. Hij maakt hartverscheurende documentaires over de gruwelen van IS in Syrië en Irak. Dit weekend gaat zijn nieuwste documentaire ‘De verloren kinderen van het kalifaat’ in première. Een ontroerend gesprek over hoe je dat eigenlijk doet: de oorlog uit een filmmaker halen.

STEUN RO

Een week nadat Sinan Can terug kwam uit de geruïneerde stad Mosul in Irak, wandelde hij door de ruïnes van oude Romeins kasteel in Nijmegen. ‘Het contrast kon niet groter. Ik heb in Mosul de meest afschuwelijke dingen gezien. Dode mensen onder het puin. Een dood kind op straat. Ik besefte hoe ongelooflijk bevoorrecht ik ben om in veiligheid in deze prachtige stad te mogen leven.’

Can (40) is opvallend monter op deze frisse vrijdagochtend. Hij lacht veel, nipt ontspannen van zijn cappuccino in Grand Café de Vereeniging aan het Nijmeegse Keizer Karelplein. Een ouder echtpaar luistert met gespitste oren mee als hij vertelt over de gruwelijkheden die hij zag op zijn laatste reis door het voormalige IS-kalifaat. En hoe die het geloof in de grenzen van slechtheid hardnekkig hebben getart.

Maar somber of zwaarmoedig is de filmmaker niet. Ja, hij had het een paar weken moeilijk toen hij terugkwam, maar voelt zich inmiddels ‘opgeladen als een Duracel-konijn’. Met pretoogjes en een royale lach brengt hij lichtheid in het gesprek. Omdat hij zich zo bevoorrecht voelt en dankbaar. Of misschien omdat hij éigenlijk niet teveel wil praten over hoe die gruwelijke reis voor hem persoonlijk was. ‘Ik ben maar een passant. Ik vertel veel liever de verhalen van de mensen daar. Dat zijn de helden. Niet ik.’

Impact

Can komt uit een echte Nijmeegse familie. Zijn opa, metaalarbeider van beroep, trok 54 jaar geleden naar Nijmegen vanuit Turkije. ‘Hij is hier zo warm ontvangen, daar ben ik de stad heel dankbaar voor. Kleinzoon Sinan groeide op in Bottendaal, die ‘ontzettend prettige wijk’ waar men van fenomenen als racisme en discriminatie nog niet had gehoord. Can woont er nog steeds. ‘Ik had een fantastische jeugd in de Bottendaal, veel buiten met de jongens, en ik had het geluk op te groeien in een heel warm en hecht gezin.’ Een jeugd, betuigt hij, die hij iedereen gunt.

Zijn ouders omschrijft hij als progressieve en tolerante wereldburgers. ‘Twee mensen die ontzettend veel van elkaar houden’. Moeder was voorzitter van de vrouwenvereniging, vader actief in de Turkse arbeidersbeweging. Van burgemeester Guusje ter Horst ontvingen ze ooit een lintje voor hun jarenlange inzet. Hij vertelt het met trots. Respect voor anderen was key in huize Can. ‘Als ik ‘flikker’ zei tegen mijn broer werd ik meteen op de vingers getikt. Homo’s of anderen discrimineren was echt faux-pas.’

Hij had de politiek in kunnen gaan. Misschien wel geschiedenisleraar willen worden. Maar het werd de journalistiek. Can: ‘In 1993 werd in Turkije de onderzoeksjournalist Uğur Mumcu vermoord, die de banden blootlegde tussen de Turkse staat en terreur. Het was een ongekend moedige man omdat hij wist dat hij het niet ging overleven. Ik was zestien en het had een giga-impact op mij.’ Het was het laatste duwtje in de richting van een carrière in de journalistiek. In zijn werkkamer hangt een portret van Mumcu en als hij twijfelt aan zichzelf of zich zorgen maakt, is één blik genoeg: ‘Ja, jij durfde ook, denk ik dan.’

Uit duizenden

Can ging documentaires maken. Verhalen vertellen. Over gevoelige kwesties zoals de Armeense genocide. Over het lot van kinderen die Nederland worden uitgezet. Hij won prijzen voor zijn werk en werd zelfs uitgeroepen tot Journalist voor de Vrede. Maar meer dan eens was hij zijn eigen leven niet zeker. Hij overleefde een bomaanslag, werd beschoten door de Taliban.

Maar niets haalt het bij zijn reis naar Syrië en Irak afgelopen jaar. Voor zijn film ‘In het spoor van IS’ kwam hij terecht in het hart van de strijd tegen de Islamitische Staat. Can: ‘Ik was nog nooit in een stad geweest waar acht maanden lang was gevochten en die pas net was bevrijd. In Mosul was he-le-maal niks. Alles was vernietigd. Het leek op het decor van de film The Pianist en het voelde als een middelpunt van ellende. Lichamen die aan het ontbinden zijn bij 50 graden en waar ongedierte aan heeft gezeten. De geur van dood die maar niet uit mijn neus ging, onmogelijk te beschrijven maar ik zou ‘m uit duizenden herkennen.’

De filmmaker kwam kinderen tegen die verkracht waren, kinderen die onthoofdingen hebben moeten filmen. Hij zag kooien waarmee IS-strijders vrouwen hadden vervoerd alvorens ze als slavinnen te verkopen op de markt. Een kooi in een zwembad, waar mensen langzaam in verdronken. Een executieplaats waar ze 1500 mensen één voor één hadden doodgeschoten. ‘Ik dacht altijd dat slechtheid een grens had’, zegt Can. ‘Maar na deze reis weet ik dat dat niet zo is.’ De heftigheid van wat hij zag, uitte zich als fysieke pijn. Steken in het hart, een drukkende, snijdende pijn op zijn borst.

Prikkeldraad

Als heftigste moment beschrijft Can het afscheid van een weesmeisje van vier in een vluchtelingenkamp in Irak. ‘Ze liep overal achter ons aan, ze was heel aanhankelijk, gaf ons de hele tijd knuffels. Toen we weggingen liep ze mee tot aan het prikkeldraad van het kamp en zwaaide ze ons uit tot we uit beeld waren. Op zo’n moment zit je alle drie doodstil in de auto. We durfden niet om te kijken, anders braken we.

Voor mij voelde het alsof we niet alleen haar maar alle twee, drie miljoen Irakese weeskinderen achterlieten zonder ook maar iets voor hen te hebben betekend.’ Op zijn telefoon laat hij een foto van het meisje zien. ‘Dat vind ik van alles eigenlijk het ergste. Dat mijn documentaire de situatie van dat meisje niet verbetert. Het maakt me heel verdrietig.’

‘Kijk, ik ben geen thrillseeker’, zegt hij dan. ‘Ik ga er niet heen voor de kick maar om mensen te laten zien wat er gebeurt en daarmee misschien hun blik op dingen te veranderen. Ik wil dat het impact heeft. Dat vooroordelen kantelen. Dat mensen die giga anti-vluchtelingen zijn misschien gaan begrijpen waarom deze mensen vluchten. Ik vind dat zó belangrijk dat ik daar alle ellende voor over heb en het me alle risico’s waard is. Mijn werk is belangrijker dan mijn leven. Als ik over vijf jaar getraumatiseerd blijk, dan is het zo. En als ik morgen kom te overlijden dan hoop ik dat mijn werk door echoot. Dat mensen niet zeggen ‘wat was hij fantastisch’ maar dat ze zich door mijn films geïnspireerd voelen om óók iets te gaan doen.’

Sinan Can bestelt nog een thee. Het echtpaar achter ons zwijgt en kijkt wat naar buiten. De auto’s op het plein razen door. Can houdt van Nijmegen. Hier komt hij tot rust, elke keer weer. Wandelen door de stad helpt hem om het achter zich te laten. ‘Of je nu op de Waalkade loopt of langs de Valkhof-ruïne, door het Kronenburgpark of op de fiets richting de Ooijpolder, of je de heuvels afgaat in Berg en Dal of door het bosrijke gebied richting Duitsland rijdt: de geborgenheid van deze stad is mijn heelmeester.’

Sinan Can’s nieuwste documentaire ‘De verloren kinderen van het kalifaat’ is maandag 26 maart om 21:00 te zien op NPO2. 

Sonja Alferink is politicoloog en journalist.