Deel 2 van mijn feuilleton over Colombia; Een hels paradijs. Over het land waar God de klootzakken neerzette. En waarin een derde hoofdpersoon ten tonele wordt gevoerd: ex–president Álvaro Uribe.

STEUN RO

Met mijn impulsieve beslissing om naar Havana te vliegen ben ik het slachtoffer geworden van mijn eigen enthousiasme. Toen president Juan Manuel Santos een paar maanden eerder de vredesbesprekingen in Colombia aangekondigde, was ik als een kind zo blij. Na tien jaar wonen in dit land snakte ik net als de meeste Colombianen naar het eind van de oorlog. Maar onderhandelingen leken lange tijd verder weg dan ooit.

Wie het woord vrede in de mond durfde te nemen, werd voor landverrader uitgemaakt. Acht jaar onder Santos’ militaristische en autoritaire voorganger Álvaro Uribe (2002-2010) hadden een verplichte liefde voor het leger – de helden van het vaderland – doen groeien die voor velen vanzelfsprekend was, maar voor veel anderen ook verstikkend. Ik gruwelde ervan. De onthullingen over misdaden gepleegd door het leger namen in die jaren hand over hand toe. De guerrilla heeft veel bloed aan haar handen, maar het leger, dat de bevolking zou moeten beschermen tegen alle gewapende groepen die er in Colombia rondlopen, minstens even veel.

In de tang

De regering Uribe kraaide jarenlang victorie. Volgens het ministerie van defensie was de guerrilla gedecimeerd. Bij bosjes gaven gedemotiveerde guerrillero's zich over aan het leger, als we de militaire propaganda mochten geloven. Ze zouden zo in het nauw gedreven zijn dat ze hoe langer hoe meer van de buitenwereld waren afgesloten en moesten eten wat ze toevallig in de jungle tegenkwamen: apen, wortels van bomen en planten. Het leger had de FARC zo in de tang, met moderne spionage- en afluistertechnieken uit de Verenigde Staten, dat de verschillende guerrilla-eenheden niet meer met elkaar konden communiceren, zo werd het ministerie van defensie niet moe te verkondigen. De FARC konden elkaar niet meer bellen, omdat het leger ze afluisterde: ze moesten boodschappers sturen, net als in de negentiende eeuw, toen Simón Bolívar Colombia en zijn buurlanden bevrijdde van de Spanjaarden.

Steeds meer wegen in Colombia, waar jarenlang geen mens zich waagde in verband met ontvoeringsgevaar, waren veilig geworden. De rijken konden weer naar hun fincas, hun buitenhuizen op het platteland. Er heerste een triomfantelijke stemming. Uribe was aan het winnen.

Toch gebeurde het nog al te vaak dat eenheden van leger of politie in een hinderlaag van de guerrilla liepen. Iets liep er in die succesvolle veldtocht tegen de 'narcoterroristen', zoals de regering de rebellen gretig noemde, niet helemaal op rolletjes.

Snelkookpan

Er kwamen ook steeds vaker analyses naar buiten van non-gouvernementele organisaties die tot de conclusie kwamen dat de FARC zich in sommige gebieden waren aan het versterken, terwijl de regering bleef volhouden dat het eind nabij was. Deze NGO’s werden dan ook prompt uitgemaakt voor ‘collaborateurs van de FARC’.

Toen Alan Jara, gouverneur van de provincie Meta en acht jaar ontvoerd door de FARC, in februari 2009 werd vrijgelaten, vertelde hij dat zijn  ontvoerders gewoon wekelijks hun boodschappen naar hun kampement lieten komen. Op een dag suggereerde hij hun bij wijze van grap dat koken met een snelkookpan een stuk sneller ging. Hij was er binnen een mum van tijd. Dit ging recht in tegen de verhalen die de legerleiding wereldkundig maakte.

Dus kreeg Jara met deze onthullingen de ergste verwensingen naar zijn hoofd en er werd zelfs gespeculeerd dat hij het Stockholm-syndroom had opgelopen, dat hij zich identificeerde met zijn ontvoerders. Maar Jara, die ik kort na zijn vrijlating in Meta’s hoofdstad Villavicencio sprak, had ze nog prima op een rijtje. Hij had zijn gevangenschap met een buitengewoon goed aanpassingsvermogen aan de harde omstandigheden in de jungle goed doorstaan, maar had bepaald geen sympathie voor de FARC ontwikkeld. “Ik kom uit die streek en ik weet hoe je in een rivier moet zwemmen”, vertelde hij me thuis op de bank met zijn karakteristieke grijns.

Video: Alan Jara is vrijgelaten 

Het werd, naarmate de tweede ambtstermijn van Álvaro Uribe (2006-2010) vorderde, steeds duidelijker dat geen van de partijen de oorlog zou kunnen winnen. Waarom nog zoveel mensen in de kracht van hun leven laten doodgaan als het toch geen zoden aan de dijk zet?

Op handen gedragen

Die avond dat ik in mijn woonkamer in Barranquilla luisterde naar Santos’ aankondiging van de vredesonderhandelingen in Havana, voelde ik tot mijn verbazing de tranen in mijn ogen prikken. De altijd wat hakkelende Santos sprak ook nog eens als een echt staatsman, vol overtuiging. We moesten wel op een historisch moment beland zijn.

Maar ik was al aan het vertrekken uit Colombia en had mijn zinnen gezet op Brazilië, waar ik met het Wereldkampioenschap voetbal in 2014 en de Olympische Spelen in 2016 als correspondente veel werk zou kunnen doen.

Dat waren redenen die me naar Brazilië trokken. Maar er waren nog belangrijkere redenen om uit Colombia weg te willen: precies dat waar Álvaro Uribe voor stond en waar hij het volk acht jaar mee om de oren had geslagen. Gij zult de FARC haten en het leger liefhebben. Wie niet voor mij is, is tegen mij en dus een terrorist.

Deze haatdragende president werd door veel Colombianen aanbeden. Eindelijk iemand die actie ondernam en er voor zou zorgen dat de problemen van het land zouden worden opgelost. Volgens peilingen schommelde zijn populariteit tijdens zijn twee ambtsperioden rond de tachtig procent, ongekend hoog dus. Weinig presidenten in Latijns Amerika hebben dat voor elkaar gekregen. Maar ik kon dat land en die mensen, die haat en oorlog zo cultiveerden, niet meer verdragen.

Hoe snel sloeg mijn stemming door Santos’ aankondiging van de vredesgesprekken toch weer om. Het raakte me. Voor het eerst in tien jaar voelde ik optimisme over de toekomst van Colombia, dat in zijn ruim tweehonderdjarige geschiedenis meer oorlog heeft gekend dan vrede.

De regering en de FARC hadden een gedetailleerde agenda gemaakt over de te bespreken onderwerpen. Het was duidelijk dat ze elkaar serieus namen en dat schepte hoop. Als de vrede zou worden getekend, zou Colombia kunnen uitgroeien tot het paradijs dat het in wezen is: een land dat gezegend is met een prachtige natuur en een grote biodiversiteit, veel bodemschatten, vruchtbare grond waar alles wat je kunt bedenken groeit. Een land waar ook nog eens de mooiste mensen wonen, die heerlijke muziek maken en die bijna allemaal kunnen dansen.

Niet goed bij je hoofd

Een veelgehoorde grap in Colombia is dat de duivel zich bij God beklaagde over al die heerlijkheden die Hij bij zijn schepping in het land had gestopt. Het was niet eerlijk ten opzichte van de rest van de wereld. “Wacht maar, je zult zien wat ik daar voor klootzakken neerzet”, sprak God geruststellend.

Het lijkt wel alsof de Colombianen die grap ook werkelijk geloven. Je bent niet goed bij je hoofd als je mensen zo maar vertrouwt. De eerste regel voor wonen in Colombia is dan ook No dar papaya (Geen papaya geven) ofwel: mensen niet de kans geven misbruik van je te maken. Om vrede te sluiten moeten Colombianen dus ook domweg in elkaar gaan geloven, met andere woorden niet bij voorbaat ervan uitgaan dat de ander een klootzak is. Dat is des te moeilijker als de ene Colombiaan een guerrillero is en de ander een militair.

De FARC hebben nog een extra probleem omdat ze door de regeringen Uribe acht jaar lang met succes zijn neergezet als bloeddorstige narcoterroristen, die het ideaal van een rechtvaardige samenleving op marxistische grondslag al lang achter zich hebben gelaten en zich verrijken met drugshandel. Ze kampen dus met een enorm imagoprobleem en wantrouwen de pers tot op het bot. Voor een deel is dat terecht, want veel media in Colombia en ook daarbuiten hebben de Colombiaanse regering vrij kritiekloos gevolgd in haar oorlog tegen de FARC.

Pas aan het eind van Uribe’s tweede ambtstermijn begon ook de volgzamere pers een kritischer houding aan te nemen ten opzichte van de president. Er waren toen ook al zo veel schandalen losgebarsten over illegale afluisterpraktijken in gang gezet door het kantoor van de president, executies door het leger van onschuldige burgers die zogenaamd guerrillero’s waren en nep-demobilisaties van gewapende milities, dat onvoorwaardelijke aanbidding onhoudbaar was geworden.

Nu is het dus ook tijd voor een evenwichtiger beeld van de guerrilla, die bloed aan haar handen heeft, meer dan ze nog wil toegeven, maar ook niet zo veel als de regering heeft willen doen geloven.

Video: Tanja Nijmeijer alias Alexandra Nariño presenteert samen met een kameraad het nieuws 

Verraden

Al die gevoeligheden, al dat wantrouwen aan alle kanten, ik kende het na tien jaar Colombia maar al te goed, en toch nam ik zonder veel na te denken dat vliegtuig van Barranquilla naar Havana. Ik was zo blij met de vredesonderhandelingen dat ik dacht dat het nieuwe tijdperk al aangebroken was en dat ik gewoon met Tanja een mojito kon drinken in El Laguito, waar ik met mijn collega’s zo vaak tevergeefs bij de slagboom heb gestaan.

Twee jaar later, december 2014 schrijven we nu, blijkt dat het wantrouwen stukje bij beetje moet worden afgebroken en dat er ook serieuze tegenkrachten zijn tegen het vredesproces. De FARC voelen zich nog steeds miskend en hebben hun eigen nieuwsservice opgericht onder het motto ‘We breken het hek af dat de media om ons heen hebben gezet.’

Ex-president Álvaro Uribe voelt zich verraden door president Juan Manuel Santos. Die was nota bene president geworden met de belofte Uribe’s beleid voor te zetten en is nu met de FARC in gesprek. Hoewel Uribe’s steun onder de bevolking afbrokkelt, weet hij nog steeds veel mensen tegen het vredesproces te mobiliseren. Ook zijn er signalen dat de militairen niet als één blok achter Santos staan. En dat is gevaarlijk. Colombia blijft voorlopig nog een wespennest.

Is er verzoening tussen al die partijen mogelijk – ik heb ze nog niet eens allemaal ten tonele gevoerd, er komen er nog wat in de volgende delen van dit feuilleton – en komt Colombia onder zijn vloek uit dat iedereen een klootzak is?

We gaan eerst naar Medellín in deel 3. Het is 1988: salsa!

Over dit feuilleton

Colombia is een prachtig land met een enorme potentie waar het nog steeds oorlog is, een hels paradijs dus. Ik vertel erover aan de hand van twee personen die er ongeveer tegelijkertijd aankwamen, ikzelf en Tanja Nijmeijer. Ik wilde weg uit het aangeharkte Nederland en was op zoek naar emotie en levenslust in een land dat me al veertien jaar mateloos boeide, Tanja wilde de revolutie en sociale gelijkheid brengen door zich aan te sluiten bij de linkse guerrillabeweging FARC. We hadden dus volstrekt tegengestelde bedoelingen.

Tanja werkte zich op van loopmeisje naar lid van de onderhandelingsdelegatie van de FARC in Havana. Al twee jaar onderhandelt de guerrilla daar met de Colombiaanse regering over een vredesakkoord. Ik raakte door het slepende conflict en het aanhoudende geweld steeds meer gedesillusioneerd en besloot mijn standplaats naar Brazilië te verplaatsen. Maar Colombia laat me niet los.

De onderhandelingen in Havana gaan met ups en downs, zo bleek onlangs nog, toen de FARC een generaal gevangen genomen bleken te hebben en de regering prompt de besprekingen opschortte. Maar de partijen zitten weer aan tafel, met het voornemen in 2015 toch echt een akkoord te sluiten. Een mooi moment om dit feuilleton te starten.

Deel 1 lees je hier of in Blendle, eLinea of Myjour.

    Wies Ubags (1962) werkt vanuit Brazilië voor oa het ANP. Ze is ook te horen op de Nederlandse en Belgische radio (vooral BNN, WNL en VRT).  Ze schrijft over ambitie in Latijns Amerika, in het klein en in het groot. Economische onderwerpen krijgen veel aandacht.