‘Jan Siebelink schreef geen biografie van zijn vader. Laat de roman vooral een roman blijven, en de film een film.’ Historicus Fred van Lieburg deed onderzoek naar de geschiedenis achter de bestseller ‘Knielen op een bed violen’, waarvan de filmversie nu in de bioscopen draait.

STEUN RO

Dominee Poort, oefenaar Huib Steffen en colporteur Jozef Mieras zijn voor talloze Nederlanders bekende personages geworden sinds ze figureren in ‘Knielen op een bed violen’. Jan Siebelink beschrijft hoe diep het orthodox-gereformeerde ge­loof van zijn vader ingreep in het gezin waarin hij opgroeide. Fred van Lieburg, hoogleraar religiegeschiedenis aan de Vrije Universiteit in Amster­dam, wijdde aan de roman een historische studie. Die verscheen in 2008 bij De Bezige Bij in Amsterdam onder de titel ‘Het punt des tijds’. Bij Aspekt in Soesterberg verschijnt nu een heruitgave: ‘Jan Siebelink en de geschiedenis achter Knielen op een bed violen’.

Van Lieburg dook in de archie­ven en sprak met familieleden. ‘Vaak voelde ik mij een voyeur in een familieverleden dat mij niet aangaat. Steeds overwon de uitdaging om het stuk religiegeschiedenis dat Jan Siebelink aan zo’n groot publiek heeft meege­geven, professioneel te ontrafelen. Ook wilde ik, eerlijk gezegd, de beeldvorming over een enge sekte die via obscure predikers aanhangers probeert te ronselen, een beetje rechtzetten. Literatuur is ook in deze roman verbeelding van de werkelijkheid.’

Familiegeschiedenis

Van Lieburg schreef vooral ‘een toelichting bij de roman’. ‘Het gaat mij er niet om Jan Siebelink te corrigeren. Ik vertel vooral een familiegeschie­denis die uitloopt op een telg die dat verhaal in een roman heeft gegoten. Uiteindelijk is het gewoon een Gelders familieverhaal met veel religie er in. Dat is wel extra interessant, om­dat het enerzijds om zo’n populair boek gaat, anderzijds omdat het een verborgen cultuur beschrijft, aan de rafelrand van het ortho­doxe protestantisme.’

Ook in het geval van ‘Knielen op een bed violen’ moet literatuur niet worden verward met geschiedschrijving, aldus Van Lie­burg. ‘Vanuit zijn geheugen, zijn emotie, zijn verbeeldingskracht en met zijn schrijversgeest, beïn­vloed door het decadentisme uit de Franse literatuur met zijn nadruk op het sombere, het onontkoom­bare, het noodlottige, heeft Jan Siebelink draden in het levens­verhaal van zijn vader samengeknoopt tot een boeiend drama.’

Soms klopt het weer wonderwel, zegt Van Lieburg. ‘Ik heb keihard kunnen maken wie die vrome schipper was die in Lathum, bij Velp ‘aan de overkant van de ri­vier’, de opa van Jan Siebelink in aanraking bracht met het bevindelijk-gereformeerde denken. Die man leeft in de herinnering van de familie Siebelink totaal niet. Jan Siebelink hoorde – zonder een naam te vernemen – over hem van een oude inwoonster van Lathum. Het was een mooie vondst om de naam van de schipper aan te tref­fen in het bevolkingsregister van Angerlo, omdat hij een dochter voor een paar jaar bij opa Siebelink in de kost deed. Die schipper, Roelof Germanus, kwam uit Hoogeveen, dus niet uit Emden zoals de schipper uit de roman.’

Kenners van oude geestelijke lite­ratuur hebben hun twijfels bij de passages waarin vader Siebelink ‘De navolging van Christus’ van de vijftiende-eeuwse ‘moderne devoot’ Thomas a Kempis leest. Dat boek zou in zijn tijd niet beschikbaar zijn geweest. Van Lieburg ontdekte dat de redactie van het tijdschrift ‘De vriend van oud en jong’ er omstreeks 1930 een goedkope, handzame volksuitgave van had uitgebracht. ‘Toen ik Jan Siebelink een exemplaar liet zien, reageerde hij verrast: Ja, dat is het, die had m’n vader. Vader Siebelink las ‘De Navolging’ dus wel degelijk.’

Geen enge sekte

Op andere fronten behoeft het beeld dat Siebelink junior heeft opgeroepen bijstelling, concludeert Van Lieburg. ‘De beweging rond de orthodoxe dominee Paauwe die in ‘Knielen op een bed violen’ zou zijn geschetst was geen enge sekte van oefenaars en colporteurs. Paauwe had helemaal geen missionaire club om zich heen. Hij preekte her en der in het land en aanhangers kwamen dan naar hem toe, maar dat was het. In de roman lijkt het dat drie van die paauweanen de hele levensgang van hoofdpersoon Hans Sievez rondom hem zijn. In werkelijk­heid is zo’n lange lijn er niet ge­weest. Wel waren er figuren die daadwerkelijk tot het netwerk van zowel vader als groot­vader Siebelink hebben behoord.’

Met die grootvader is het volgens Van Lieburg begonnen. ‘Een boer, die aan­vankelijk, ook als notabel, volop meedeed in de doorsnee-hervormde cultuur in de Liemers, een gebied dat helemaal buiten de orthodox-protestantse ‘bijbelgordel’ valt en waar in de negentien­de eeuw de vrijzinnige ‘moderne richting’ schering en inslag was. Via schipper Germanus kwam hij onder invloed van de bevindelijke stroming, met veel tamtam stapte hij uit de plaatselijke kerk en op zondag ging hij preken van Paau­we lezen.’

Oefenaar Huib Steffen, in wer­kelijkheid een zwager van vader Siebelink, oom Huib Melissen uit Barneveld, verschijnt in ‘Knielen op een bed violen’ steeds op het toneel. Van Lieburg: ‘Voor vader Sie­belink, in de roman Hans Sievez, was Melissen een inspirator, voor wie hij ongelooflijk veel respect en bewondering had, een ideaal­figuur die in geloofservaring en spreekvaardigheid veel verder was dan hij. Melissen was een aardige man, hoor ik van de familie Sie­belink. De relaties waren goed, maar voor de jonge Siebelinks, Jan en zijn broers, was oom Huib, godsdienstig wat dominant, toch wel de man achter de opvattingen van hun vader, waarmee ze het niet eens waren.’

Voor een van de andere vaste be­zoekers van Sievez stond Hendrik Gerlofsma model, een boekencolporteur die kind aan huis was bij de familie Siebelink in Velp. Hij behoorde ab­soluut niet tot de paauweaanse beweging, zegt Van Lieburg.

Breed uitgesponnen

Sommige momenten in ‘Knielen op een bed violen’ hebben zich in werkelijkheid nooit voorgedaan, stelt de historicus. ‘Laat de roman vooral een roman blijven, en de film nu een film.’ De ‘vierschaar­-scène’ in een boerenschuur bij Lunteren bijvoorbeeld acht Van Lieburg ‘niet aannemelijk’. De laatste uren van vader Siebelink zijn in elk geval anders verlopen dan zijn zoon heeft beschreven. ‘Rondom het sterfbed stonden geen acht zwarte sekteleden. Me­lissen en Gerlofsma zijn er zeker niet bij geweest, die waren toen al overleden. Steven van den Brink, een jeugdvriend van Melissen die hem opvolgde als voorman van een ‘broederkring’ in Barneveld, is wel een aantal keren ‘s avonds in Velp op bezoek geweest, ver­gezeld van een ander lid van de kring. Jan Siebelink heeft de beel­den daarvan breed uitgesponnen. De zonen Siebelink stonden volop in het moderne leven en dan troffen ze thuis bij hun stervende vader die twee mannetjes uit Barneveld aan. Dat zijn er in de roman een paar meer geworden. Van den Brink, iemand met een sterke hang naar het ne­gatieve, sprak blijkbaar lange ge­beden uit, met beklemmende taal waar de jonge Siebelinks niet veel van moesten hebben.’

Het specifieke taalgebruik van Sievez en zijn geloofsgenoten typeert Van Lieburg als ‘wat krom en in wer­kelijkheid niet zo gesproken’. ‘Siebelink heeft er wel wat bij verzonnen. Maar het roept zeker de sfeer op van een dreigende oudtestamentische God die zich op een mystieke manier laat ken­nen. Daarmee komt het blijkbaar ook bij niet-gelovigen aan, gezien de populariteit van de roman. Dat verhaal over dat visioen bij de appelboom is een verwijzing naar het esoterische, wat ze niet begrijpen, maar hen boeit als iets geheimzinnigs. Het verbaast he­dendaagse men­sen wel dat je zo in de greep van religie kunt komen dat je er de ganse dag door mee bezig bent, dat godsdienst zo’n claim legt op je hele leven, tot in je lectuur, je tijdsbesteding, je vriendennet­werk toe. Dat is veel Nederlan­ders vreemd geworden.’

Jaren zestig

Het succes van ‘Knielen op een bed violen’ denkt Van Lieburg ook te kunnen ver­klaren met andere elementen in de roman die blijkbaar een breed publiek aanspreken. ’De heim­wee naar de jaren vijftig bijvoor­beeld, de knusse huiselijke cul­tuur van die tijd zoals Siebelink die beschrijft. Herkenbaar voor velen is ook de spanning tussen loyaliteit tegenover je ouders op godsdienstig gebied en het zoe­ken van je eigen weg. In de jaren zestig heeft menigeen het godsdienstige van zich afgeschud, nu is er weer meer belangstelling voor. En ook de spanning die er kan zijn in een relatie, in een gezin, in een huwe­lijk kan herkenning oproepen bij de lezers. Ook leven er rond de roman wel associaties met enge sektes, met moslim-fun­damentalisten, met ronselaars die aanhangers zoeken en nergens voor terugdeinzen om mensen in hun net te vangen. Maar waarom zou Hans Sievez een godsdienstwaanzinnige zijn? Je zou hem eerder kunnen zien als een prettige individualist met eigen ideeën, die van zijn vrouw en zijn gezin ruimte kreeg om zijn eigen weg en vrijheid te volgen.’

Van Lieburg verzet zich tegen de gedachte dat de roman de leefwe­reld van SGP’ers en reformatorische christenen van nu zou schetsen. ‘Vader Sie­belink leefde nog helemaal voor de opbloei van de refo-cultuur. Dat heel puriteinse reformatori­sche levenspatroon met allerlei regeltjes kende hij niet. De verzuiling van de refo’s van de laatste vier decennia staat buiten de werkelijkheid van de roman. Daarin gaat het veel meer om hervormden en ge­reformeerden in een eenvoudige plattelandsomgeving die afstand hadden genomen van de grote kerkelijke cultuur. Het was meer los zand dan een beweging met veel structuur. De clubjes waar Melissen preekte waren losse groepjes en schuurkerkjes, een vriendennetwerkje eigenlijk.’

  • Fred van Lieburg, Jan Siebelink en de geschiedenis achter Knielen op een bed violen, uitgeverij Aspekt Soesterberg, ISBN 9789461539588, 222 pagina’s, €18.95.
Freelance journalist, onder andere werkzaam voor AD Amersfoortse Courant en Reformatorisch Dagblad, ruim 35 jaar ervaring in regionale dagbladjournalistiek op Veluwe en in Gelderse Vallei (Barneveldse Krant), schreef samen met fotojournalist Brand Overeem 'Geloven op de Veluwe' (1997).