Reportage uit Ghana over galamsey, het zonder vergunning zoeken en winnen van goud.

STEUN RO

Bij galamsey is de grens tussen traditie en criminaliteit flinterdun. Een bezoek aan het schimmige gebied van legale en illegale goudzoekers in Ghana. “Het goud hoort bij de grond en komt altijd terug.”

KIBI – Na een voettocht van ruim een uur breekt de dichte vegetatie open en maken de cacaobossen plaats voor een uitgestrekte woestenij van omwoelde roodbruine grond, grint en stenen. Dit is het zichtbare resultaat van de zogenoemde kleinschalige goudwinning in Ghana.

Het desolate terrein ligt in de bufferzone rond het Attawa Forest-natuurreservaat, in de regio Akyem Abuakwa in zuidoostelijk Ghana. Alfred, de gids uit het nabijgelegen dorp Sagyimase, wijst op grote kuilen omzoomd door opgeworpen bergen ruige grond, de meeste meerdere meters hoog. “Het mijnbedrijf had, toen ze hier stopten met goudwinning, de kuilen moeten dichtgooien en het terrein vlak moeten maken. Het heeft dat niet gedaan”, vertelt hij.

Het dorp Sagyimase
Het dorp Sagyimase, aan de rand van het Attawa Forest,heeft zo’n 1500 inwoners.

Alfred is een twintiger, die tot enkele jaren terug illegaal naar goud zocht. Hij heeft daardoor een uitgebreide kennis over het goud zoeken in de regio en weet de weg naar degenen die nog steeds doen aan galamsey, zoals de Ghanezen de niet-officiële goudwinning noemen. Het woord zou een samentrekking zijn van gather them and sell them; of van het wat ruigere grab ‘m and sell ‘m.

Zelf is Alfred met galamsey gestopt, omdat hij meer wil doen met zijn leven. Hij hoopt iets te kunnen gaan bereiken in de muziek. Hij leeft echter van incidentele baantjes, vooral in de bouw en helpt bij het werk op de cacao-aanplant van zijn familie.

Gevaarlijk

Zelfs na egalisatie van verlaten mijnkuilen, duurt het zeker vijf jaar tot de grond zich voldoende heeft hersteld voor boeren om er opnieuw cacaobomen te planten. “Hier blijft de grond nu waardeloos, en het is ook gevaarlijk”, zegt Alfred over het kapotgegraven terrein. In veel kuilen staat een diepe laag water, met daaromheen wat spaarzame vegetatie. “Als mensen erin vallen, komen ze er niet meer uit en verdrinken.” Alfred weet geen aantallen, maar mensen in Kibi, de hoofdplaats in de streek, weten te vertellen dat de laatste jaren zo’n twintig mensen die niet konden zwemmen, in de kuilen zijn gestorven; vooral kinderen.

De kuilen zijn vermoedelijk gegraven in 2017, in de laatste maanden voordat de bijna twee jaar durende mining ban inging. Doordat de Ghanese regering dit algehele verbod op kleinschalige goudwinning tevoren had aangekondigd, probeerden mijnbedrijven op de valreep nog zoveel mogelijk goud uit de bodem te halen. Daarbij lapten ze de regels meer dan gebruikelijk aan hun laars. Egalisatie van uitgeputte mijnen kwam er helemaal niet meer aan te pas.

Een van de gevaarlijke met water gevulde kuilen waarin soms mensen verdrinken.

Officieel diende de mining ban om een eind te maken aan de illegale goudwinning. Goudwinning is van oudsher voor veel Ghanezen een secundaire inkomstenbron. Goudexport is een van de belangrijkste inkomstenbronnen voor het land, dat in de koloniale tijd bekend stond als de Goudkust. Om zowel de productie van goud als de werkgelegenheid te stimuleren, kreeg het land in de jaren ’80 van de vorige eeuw relatief soepele regelgeving voor kleinschalige mijnbouw. Ghanese personen en kleine ondernemingen konden relatief gemakkelijk concessies krijgen voor goudwinning op stukken grond.

De manco’s van de regelgeving en vooral het gebrek aan handhaving erop, werden vanaf 2008 duidelijk zichtbaar. De mondiale financiële crisis joeg de goudprijs omhoog en Ghana kreeg te maken met een ware goldrush. Buitenlandse investeerders lieerden zich met wat officieel kleine Ghanese bedrijfjes waren, en voorzagen die van machinerie om de kleinschalige goudwinning grootschalig aan te pakken. Daarnaast gingen particuliere mijnbedrijven ook illegaal met graafmachines en bulldozers aan de slag op gronden waarvoor – aan anderen – concessies waren uitgegeven. Ongerustheid over de hierdoor aangerichte schade aan milieu en natuur – en daarmee aan de drinkwatervoorzieningen – groeide. Ook leggen media en andere waarnemers verbanden tussen de machinale galamsey en andere vormen van criminaliteit, zoals roofovervallen, witwassen en prostitutie.

Een mijnonderneming is aan het werk bij de rivier de Birim, zo’n 500 meter verwijderd van de verlaten mijnkuilen. Tijdens de wandeling ernaartoe overstemt het geraas van de graafmachine, de mechanische trommel en de waterpompen alle geluiden van het bos. De mijn ligt naast een dam van rode grond aan een van twee stroompjes waarin de Birim zich hier splitst, en bestaat uit een ongeveer 60 meter lange productielijn. Zo’n twaalf mensen zijn er aan het werk, onder leiding van een toezichthouder die zich tegen de brandende zon beschermt met een paraplu. Overal op de grond liggen pompen en dikke slangen waardoor het uit de rivier opgepompte water naar de diverse locaties in de productielijn stroomt.

De graafmachine vormt het begin van de lijn en werpt de opgegraven grond op een stellage. Een band voert vervolgens het rode zand en

Arbeiders in een mijn.
Arbeiders aan het werk in een volgens hun opzichter legale mijn. Sinds de jaren ’90 trekken mensen uit alle delen van Ghana naar het goudrijke Akyem Abuakwa om – legaal of illegaal – als goudwinner in een bestaan te kunnen voorzien.

de stenen naar de snel roterende trommel waarop uit een buis met veel kracht water spuit. Drie mannen bewerken de grond op de trommel intensief met een soort knuppels om de grotere stukken gouderts uit de grond gezeefd te krijgen. Het is zwaar werk in het permanente oorverdovende geratel van de trommel met stenen. Toch zeggen ze desgevraagd het een goede baan te vinden. Hun dagloon is zo’n 50 cedi – omgerekend ongeveer 8,5 euro, al is de koopkracht daarvan in Ghana substantieel hoger dan in Europa – .

De in de trommel bewerkte grond komt vervolgens terecht in uitgegraven rechthoekig bassins waar arbeiders met behulp van kunststof matten en bakken ook de laatste restjes minuscule gouderts eruit zeven.

De opzichter benadrukt dat dit een volledig legale operatie is van een mijnbedrijf, dat werkt voor de concessiehouder. Alleen de graafmachine is niet van het mijnbedrijf, die huurt het van een andere firma. Ze werken nu drie maanden op deze plek en gaan er door tot de leiding van het mijnbedrijf vindt dat de opbrengst te laag is geworden. Dan gooien ze de kuilen dicht en gaan aan het werk op een andere plek. Het gebruikte water spuiten ze het land op om te verdampen, zodat de rivier niet vervuild raakt. Zo doen ze alles volgens het boekje, stelt de opzichter.

Alfred trekt dit laatste in twijfel. “Wat zij met de rivier doen, mag helemaal niet volgens de vergunning. Er blijft helemaal niets van over.” In tegenstelling tot Alfreds bewering, stelt de opzichter dat dit een kunstmatige aftakking is van de Birim, maar verdere vragen daarover waardeert hij allerminst. “Jullie zijn toch geen controleurs van de regering”, vraagt hij wantrouwig, waarna hij geen enkele vraag over de mijnoperatie meer beantwoordt.

Onduidelijk blijft daardoor of het mijnbedrijf op deze plek met kwik het goud van het erts scheidt. Er zijn geen werkzaamheden te zien die daarop duiden, maar Alfred bezweert dat de mijnbedrijven dat wel degelijk op de winningsplaatsen doen.

Graafmachine en productielijn
Zwaar werk in een oorverdovend lawaai.

De wetgeving in Ghana voor kleinschalige mijnbouw had nog een ander manco. De kosten verbonden aan het verkrijgen van een concessie zijn veel te hoog voor de echt kleine goudwinners: de boeren en arbeiders die van oudsher handmatige goudwinning bedreven om hun schamele inkomens aan te vullen. Zij bleven ongeacht hoe de wet luidde, altijd doorgaan met hun eigen traditionele vorm van galamsey. Die is volgens de wet dan wel illegaal, maar in hun eigen ogen volkomen legitiem. Juist Akyem Abuakwa kent een traditie hierin die zeker zeshonderd jaar teruggaat. Galamsey geldt er als een onlosmakelijk onderdeel van het bestaan.

Een voorbeeld van deze galamsey is een halve kilometer verderop te zien. Daar is een ander klein mijnbedrijf bezig in hetzelfde concessiegebied. De opzichter hier is een jongeman, van achterin de twintig. Zijn verhaal over de ‘legale’ operatie komt overeen met dat van die op de eerdere locatie: het water pompen ze uit de rivier en daarna de oude kuilen in; die zullen ze dichtgooien als hier niet meer genoeg goud uit de grond komt.

Maar dit mijnbedrijf vindt de laatste fase in de productielijn – het uitfilteren van de laatste kleine stukjes gouderts – niet rendabel. De graafmachine gooit regelmatig de grond die bij de trommel is gezeefd, op een berg afgewerkte grond naast de productielijn. Op de achterkant van die berg zijn zeven jongemannen aan het werk. Vanuit een kuil aan de voet van de bergen pompt een motorpomp water omhoog, dat een van de mannen met een grote slang spuit in een geul die van bovenaan de berg loopt naar de kuil beneden. Zo circuleert het water.

In de geul slaat een van de mannen met een pikhouweel de stenen los. De anderen staan in de geul met zeefmatten te werken of in de kuil met goudpannen zand te wassen. Vooral de man met het houweel staat enorm te buffelen. Regelmatig spuit degene die de slang vasthoudt hem nat, waarop de hele groep uitbundig lacht.

Dit zijn galamseyers, geeft Alfred aan. Zij zoeken naar de kleine goudresten die het mijnbedrijf niet de moeite waard vindt. “Doordat deze galamseyers bijna op dezelfde plek werken als het mijnbedrijf, lijkt hun werk legaal en lopen ze niet veel kans dat de politie hen zal betrappen.”

Vriendengroepen

Het zijn vriendengroepen vertelt hij. “Ze spreken onderling af om op bepaalde dagen te gaan goud zoeken, eigenlijk als een uitje.” Dit is de vorm van galamsey die Alfred vroeger ook bedreef. Hij kan duidelijk goed opschieten met de mannen die hier nu aan het goud zoeken zijn. “Ik mis het ook wel”, geeft hij toe. “Niet alleen de verdiensten, maar ook gewoon de lol die je hebt.”

Goudzoeker Will
Will vormt het sluitstuk van de productielijn van de groep galamseyers. Het zakje met de buit bungelt uit zijn mond.

Toch is ook de opbrengst belangrijk, als neveninkomst. “Voor landbouw moet je eerst investeren en werken. De opbrengst komt pas veel later, en in de tussentijd heb je geen geld, terwijl je dat wel nodig hebt”, legt Alfred uit. “Je hebt daarnaast dus ook snel geld nodig. Met galamsey ga je werken en heb je je geld meteen aan het eind van de dag.”

Het is niet dat hij sympathiek staat tegenover de goudhandelaren die het gevonden goud van de galamseyers kopen. “Ze verkopen het voor meer dan twee keer zo veel op de goudmarkt. Maar galamseyers kunnen niet zelf de markt op gaan. De hoeveelheden goud die ze vinden, zijn daarvoor te klein.”

Maar ze vinden altijd wel wat, zegt Will. Will lijkt de leider van de groep. Hij staat in het water onderaan de geul waar hij het neergespoelde zand in een goudpan wast. Daarbij hangt een smoezelig plastic zakje – van een merk drinkwater dat je in Kibi in kraampjes langs de straat kan kopen – uit zijn mond. Als hij praat, neemt hij het even in zijn hand. ,, We doen dit niet op de gok. We vinden op een dag als vandaag meestal voor zo’n 150 cedi aan goud. Dat delen we.’’

De galamseyers werken dus niet op basis van ‘wat je vindt mag je houden’. Ook krijgt niet iedereen bij de verdeling evenveel. Wie alleen spierkracht levert, krijgt minder dan degenen die hebben geïnvesteerd in het benodigde materiaal: de pomp, de scheppen, de matten en de goudpannen. Na een dag zwoegen in de zon houden ze er 20 tot 30 cedi de man aan over.

Dan is het raak. Will wenkt. Hij heeft in zijn pan duidelijk geelglinsterende korreltjes uit het rivierzand weten te filteren. Ze liggen nu in een dun laagje water onder in de metalen pan. Rustig komen een paar goudzoekers om Will heen staan om een blik erop te werpen. Een van hen neemt de pan over en giet het restje water met goudsplinters voorzichtig in het door Wil opengehouden waterzakje. “Het mijnbedrijf heeft dit als afval weggegooid, dus het is geen diefstal”, verklaart deze. Dan klemt hij het zakje met de opbrengst weer tussen zijn tanden. Tien minuten na de vondst zijn de zeven mannen alweer met hun houweel en pannen aan het werk.

De illegale mijn van ‘Oom’ gezien vanaf de overkant van de Birim. De begroeiing op de voorgrond onttrekt het enkele meters lager gelegen riviertje aan het oog.

De tocht voert verder de bosschages in. Twee keer is het nodig de kronkelende Birim te doorwaden. Alfred leidt de weg naar een plek waar op enkele meters van de rivieroever een flink stuk van de begroeiing is weggebrand. Over de zwartgeblakerde helling is een sleuf gegraven naar de waterkant beneden. Daar ligt een dieselpomp te brommen. De machine pompt het water omhoog, waar het uit een slang de sleuf in spuit. Ook in deze sleuf liggen groene matten, en drie mannen – een wat oudere van rond de 35 jaar en twee twintigers – verrichten er dezelfde soort werkzaamheden als de zeven goudzoekers in het kielzog van de legale mijnoperatie. Dit is echter een volledig illegale mijn. Alfred spreekt de wat oudere man aan met ‘Oom’. ‘Oom’ is in het dagelijks leven cacaoboer. “Maar nu, in het droge seizoen, is er als cacaoboer niet veel te doen”, vertelt deze. “Om de eindjes aan elkaar te kunnen knopen, gaan we een of twee dagen per week op zoek naar goud.”

Op deze plek is het drietal gisteren begonnen met het wegbranden van de struiken en het graven van de geul. Daarvoor hebben ze het gebied eerst uitgebreid onderzocht. “Het heeft geen zin zomaar ergens te gaan graven. We gaan pas aan de slag als we ergens stenen hebben gevonden waarin we goud bespeuren.”

Oom
‘Oom’ in de sleuf die hij en zijn helpers voor de goudwinning hebben gegraven.

Deze galamsey-variant is riskanter dan goud halen uit een afvalberg van een mijnbedrijf, maar levert ook meer op. Volgens ‘Oom’ verdienen ze zo’n 100 cedi per man per dag. “Dat komt doordat wij goud zoeken op een plek waar nog niemand dat eerder heeft gedaan. Hier is dus nog veel goud.” Wel moesten ze eerst de investering terugverdienen. De dieselpomp heeft 1100 cedi gekost.

Het risico is dat de politie de goudzoekers betrapt en arresteert. Dan staan ‘Oom’ en zijn helpers in ieder geval hoge boetes te wachten, en mogelijk vele jaren cel. “Maar we zijn nog nooit betrapt, en er is ook niet veel controle”, vertelt ‘Oom’. Mocht de politie opdagen, dan zijn de goudzoekers niet van plan zich te verzetten. “Dan gaan we ervandoor, ja, met achterlating van alle spullen. Van andere galamseyers weet ik dat de politie hen heeft achtervolgd en het materiaal liet liggen. Dus nadat ze waren ontsnapt, konden ze alles gewoon ophalen. Maar in het ergste geval raken we alles kwijt.”

Gevoelig

Tijdens de mining ban richtte de Ghanese regering een speciale politie-eenheid op, Operation Vanguard, voor de bestrijding van illegale goudzoekers. Het verhinderde niet dat galamsey na het beëindigen van de ban in Ghana een gevoelig thema bleef. Veel Ghanezen verkondigen dat de ban de verkeerde doelgroep trof – traditionele goudzoekende boeren in plaats van illegale mijnbedrijven – , en dat de illegale mijnbouw die de echt ernstige milieuschade veroorzaakt, ongehinderd voortduurt.

De oppositie verwijt de regering van president Nana Akufo-Addo dat die de term ‘strijd tegen galamsey’ voornamelijk misbruikt om andere vormen van mismanagement en corruptie te verhullen. Ook klinkt de mening dat de overheid de strijd tegen galamsey nooit serieus zou hebben opgepakt, omdat de tienduizenden Ghanezen die voor hun bestaan ervan afhankelijk zijn, evenzoveel kiezers vertegenwoordigen.

De milieuschade lijkt evident. De weg terug naar Sagyimase voert over een uitgestrekte droge vlakte vol kuilen, waar bijna niets groeit. De droge geelrode grond is gescheurd en gebarsten. In de verte ronkt een graafmachine. “Een mijnbedrijf is daar kuilen aan het dichtmaken”, zegt Alfred. “Dat is het verplicht, zodat er over een paar jaar weer cacao kan groeien. En als de cacao terug is, komt ook het goud weer terug.”

Desolaat landschap
Het desolate landschap op de terugweg naar Sagyimase.

Alfred doet een poging het ongeloof over deze laatste opmerking weg te nemen. “Het goud hoort bij de grond. Het is er altijd geweest, en zal er altijd zijn”, verwoordt hij een lokale overtuiging. “Maar ondertussen… moet je hier oppassen waar je loopt.” Hij raapt een grote steen op en gooit die op een stuk spiegelglad zand. De kei zakt snel en geluidloos weg onder het oppervlak van het drijfzand, en laat geen spoor na.

Deze reportage is een bijkomend resultaat van een onderzoeksproject in Ghana in februari 2020. Om redenen van veiligheid en privacy zijn de namen Alfred en Will pseudoniemen. Tekst en foto’s: Chris Halkes

Waardeer dit artikel!

Dit artikel las je gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je jouw waardering laten zien door een kleine bijdrage te doen.

Zie hier voor meer informatie!

Mijn gekozen waardering € -
Chris Halkes is redacteur en privédetective, gevestigd in Goes in Zeeland. Op Reporters Online publiceert hij artikelen over juridische en regionale onderwerpen. Chris Halkes heeft tot 2019 bijna dertig jaar in de Bommelerwaard gewoond. Zijn regionale artikelen kunnen dus zowel over Zeeland als over het Gelderse Rivierengebied gaan. Persberichten en tips voor onderwerpen voor artikelen kunt u mailen naar info@chrishalkes.nl.