Het stoerste dier ter wereld krijgt steeds meer fans. Terecht, want beerdiertjes kunnen alles wat wij niet kunnen. Bovendien hebben hun verbluffende geheimen grote gevolgen voor de mensheid.

STEUN RO

Ooit kreeg ik van vrouwenweekblad Libelle de opdracht om een natuurencyclopedie van tien pagina’s schrijven over het dierenleven in de tuin. Na inlevering van de vrucht van mijn arbeid werd ik door de redactie gebeld. Of de regenworm geschrapt kon worden, want dat was zo’n vieze glibber. De régenworm schrappen?! Weten jullie dan niet wie er -gratis en voor niks- het èchte zware werk doet in al die Nederlandse tuintjes? “Kan wel zijn,” antwoordde de redactrice op gedecideerde toon. “Maar hij is gewoon te vies en te eng. Dus die willen we niet.”

Er viel niet tegenop te argumenteren. Bovendien moest niet alleen de regenworm er aan geloven, maar ook de pissebed (“Getver! Die naam kan ècht niet!”), de vleermuis (“Brrr! Griezelig, dat geflapper…”) en uiteraard kwam ook de oorkruiper niet door de ballotage (“Jasses!”).

In 1773 ontdekt

En dan had ik het nog niet eens over het beerdiertje gehad! Ik wist destijds namelijk nog niet dat dit dier bestond. Terwijl Johann August Ephraim Goeze hem toch al in 1773 had ontdekt en beerdiertjes al 600 miljoen jaar in royale aantallen de aarde bevolken.

Inmiddels zijn er zo’n duizend soorten beerdiertjes beschreven, die allemaal worden gerekend tot de zelfstandige Tradigraden-stam. Ze zijn van niemand familie, maar hun naaste buren in de evolutionaire levensboom zijn de fruitvliegjes en  nematoden, die er allebei volslagen anders uitzien dan het beerdiertje.

De meeste beerdiertjes zijn vegetariërs en eten vooral mos, maar sommige soorten eten graag bacteriën en raderdiertjes. Hun schattige naam is pure misleiding: het betreft hier bepaald geen Winnie The Poeh-achtige goedzakjes! Van dichtbij zien ze er nogal eng uit. Er moet een microscoop aan te pas komen om hun ongunstige tronies te zien, maar bepaalde soorten meten anderhalve millimeter en zijn dus ook met het blote oog waarneembaar.

Ze hebben acht kromme, sponzige pootjes met scherpe klauwen eraan en ze leggen overdadig gedecoreerde eieren. Hun lijfjes zijn bezaaid met onsmakelijke schilfers proteïne, chitine en lipiden en de mannetjes hebben maar één gonade (geslachtsklier). Ze leven drie tot dertig maanden, en in die tijd vervellen ze maximaal twaalf keer. In hun afgedankte huid leggen de vrouwtjes tot dertig protserig versierde eitjes, die vervolgens door de mannetjes worden toegedekt met een laag sperma.

Schijndood

Niet schrikken, maar op het moment dat je dit leest, bevinden levende beerdiertjes zich op hooguit tien meter afstand bij je vandaan. Ze wonen namelijk volop in je tuin: in mosranden tussen tegels, in korstmossen op daken, in de aarde, onder stenen en op alle andere zompige plekjes rond je huis. Of liever gezegd: op alle zompige plekjes van heel zompig Nederland en aangrenzende contreien.

Verder doen ze het ook erg goed onder poolijs, op de top van de Himalaya, in de diepzee, en op alle continenten in grazige weiden, in hete bronnen, in gewone meren en tuinvijvers (gezellig met zo’n 25.000 individuutjes per liter water), in duinen, op stranden en in regenwouden.

Beerdiertjes doorstaan met gemak extreme omstandigheden waar elk ander dier onherroepelijk aan zou bezwijken. Zo kunnen ze vier jaar lang in een toestand van schijndood (cryptobiose) overleven, zonder een druppel water. Hun stofwisseling valt dan zo goed als stil en hun lichaamsvocht wordt teruggebracht tot 1%.

In deze uitgedroogde staat is een beerdiertje niet langer als zodanig herkenbaar. Hij ziet er uit als een droog korreltje, dat zich gemakkelijk door de wind naar andere –hopelijk betere- plaatsen laat voeren. Maar zodra je wat water over zo’n verschrompeld korreltje giet, komt het beerdiertje binnen een paar minuten weer tot leven en gaat het onbekommerd verder met zijn eigen dingetjes. Fluitend, stel ik me zo voor.

De ruimte in

Als ze schijndood zijn, kun je de ergste dingen uithalen met beerdiertjes.

Radioactieve straling doet ze bijvoorbeeld helemaal niks: ze verdragen met gemak 5000 Gy. Gy staat hier voor Gray, een eenheid waarmee de fysische effecten van straling worden gemeten. Ter vergelijking: 10 tot 20 Gy is al genoeg om een mens te doden!

Ook lachen ze om extreme hitte en kou: ze verdragen temperaturen van 151 graden Celsius tot min 273 graden. Hevige druk deert hen al evenmin: sommige soorten overleven in cryptobiose een druk van 6000 atmosfeer. Dat is bijna zes keer zo veel als de waterdruk op de bodem van het allerdiepste punt in de diepzee: de Marianentrog van 11 kilometer diep.

In september 2007 stuurden wetenschappers van de European Space Agency een handvol beerdiertjes onbeschermd de ruimte in. Toen hun kooitje na twaalf volle dagen in het heelal weer naar de aarde werd teruggehaald, verkeerde het merendeel van hen -ondanks het verpletterende vacuüm buiten de dampkring- nog steeds in blakende gezondheid en produceerde daarna kerngezond nageslacht.

Eigen fanclub

De laatste jaren heeft het beerdiertje een enorme schare fans opgebouwd van wetenschappers en amateur-wetenschappers die de beerdiertjes liefkozend ‘tardies’ noemen. Beerdiertjes hebben al sinds 1974 hun eigen driejaarlijkse internationale conferenties, waar honderden gespecialiseerde wetenschappers zich in groepsverband over deze verontrustende diersoort buigen. Ze hebben in de wetenschap een idool-status. De vraag is echter: waartoe leidt dit alles?

Droge vaccins

Naar grensverleggende nieuwe uitvindingen. De uitdroog-techniek van schijndode beerdiertjes is inmiddels nauwkeurig onderzocht door wetenschappers. Daaruit bleek dat beerdiertjes in cryptobiose hun lichaamsvocht vervangen door een soort suikeroplossing die hun cellen beschermt tijdens de vochtloze slaapstand.

Precies zo’n suikeroplossing wordt sinds 2004 door het Amerikaanse bedrijf Biomatrica toegepast om vaccins goed te houden zonder ijskast. Tot dat moment kwamen lang niet alle levensreddende vaccins terecht bij de mensen die ze nodig hadden, vooral in ontwikkelingslanden. Simpelweg omdat die mensen in gebieden wonen waar de vaccins niet te koelen waren. Dankzij het beerdiertje kunnen er nu dus droge vaccins worden gemaakt, die pas actief worden wanneer ze in (het vocht van) een menselijk lichaam worden geïnjecteerd. De nieuwe technologie is toepasbaar op alle soorten vaccins.

Uiteraard heeft deze biomimicry-les van het beerdiertje verstrekkende consequenties! Volgens Biomatrica-directeur Rolf Muller werkt de beerdiertjestruc niet alleen voor vaccins, maar ook voor menselijk weefsel, cellen en DNA. Dat zou betekenen dat bijvoorbeeld donor organen veel langer bewaard kunnen worden, zonder dat de vitaliteit van het weefsel verloren gaat of het DNA beschadigd raakt. En zonder de kosten en risico’s van koeling. Een ijskast kan immers kapot gaan of plotseling van de stroom worden afgesneden.

De uitdroog-techniek van het beerdiertje is dus van grote betekenis voor de wereldwijde volksgezondheid. Het principe kan ook worden toegepast op sperma, zaden, bloed en voedsel. En wie weet zelfs op mensen, die in de toekomst wellicht als ingedroogde beerdiertjes veel langere ruimtereizen kunnen maken…

Overlevers

Is daarmee alles gezegd? Zeker niet. Zelfs als onervaren amateur is het me -met behulp van een microscoop- gelukt om zelf beerdiertjes te zien. Het enige wat ik nodig had, was een petrischaaltje met wat mos, dat ik voorzichtig besprenkelde met mineraalwater uit een fles. De beerdiertjes die zo uit het mos werden gespoeld, lieten zich gemakkelijk bekijken, traag bewegend met hun acht klauwtjes.

Maar ineens had ik het ongemakkelijke gevoel dat ze terug keken. Met stoutmoedige blik, ook al zag ik geen oogjes. Hun oorverdovend zwijgen confronteerde me met mijn diepste onzekerheden. Beerdiertjes zijn in feite de stoerste dieren ter wereld. Ze zijn voor geen enkele apocalyps bang. Kernoorlog, ijstijd, fatale opwarming of welk doemscenario dan ook: zij zullen overleven. Wij niet. Uiteindelijk zullen zij over de aarde heersen tot het einde der tijden. Had ik niet veel beter als beerdiertje geboren kunnen worden?

Journaliste met een zwak voor de natuur EN de menselijke natuur. Werkt(e) onder meer voor natuurmagazine Roots, Wereld Natuur Fonds, Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten en is mede-auteur van zeven boeken over de natuur.