Alles wat hip en langharig was in de jaren zestig las Hitweek, spreekbuis van alternatieve muziek en flower power. In 1969 ging Hitweek verder als Aloha. De toon veranderde, werd dogmatischer en minder vrolijk. In de kolommen van Aloha maakten de speelse sixties plaats voor de hardere jaren zeventig.

STEUN RO

‘Ik heb die rechercheurs tegen hun poten getrapt! Het hielp geen sodemieter, want met drie man drukten ze me terug in de stoel. Toen deed die ene mij de handboeien aan en klonk me vast aan de stoelspijlen. Met hun drieën drukten ze m’n hoofd naar achteren. Toen kwam die schoft van een kapper. Met de tondeuse haalde hij alles eraf, het werd ongelijk langs de oren weggeschoren!’

Begin oktober 1965 doet Hitweek-redacteur Peter Muller op indringende wijze verslag van de behandeling die een 15-jarige scholier ten deel is gevallen. Na een kleine wetsovertreding is de jongen naar het politiebureau gebracht en onder dwang van zijn lange haar beroofd. Dit incident staat niet op zichzelf, vindt Muller. In Hitweek schrijft hij bijna wekelijks over jongens die om hun haardracht van school zijn gestuurd of ontslagen. De jonge redacteur publiceert zwarte lijsten van bedrijven, directeuren en restaurants die jongens met ‘beat-kapsels’ discrimineren. Naming and shaming, lang voordat iemand van die uitdrukking heeft gehoord.

Tegen de bevoogding

Vijftig jaar later geniet Hitweek een legendarische status. Het zijn de prettig anarchistische schrijfsel, zoals die van Muller, die van Hitweek een geliefd verzamelobject maken. Geen blad ademt zo de sfeer van de Nederlandse sixties als de krant die van 17 september 1965 tot 25 april 1969 verscheen.

Eigenlijk was Hitweek al bij de lancering legendarisch. Voor het eerst werd een blad voor jongeren ook echt dóór jongeren gemaakt. Tot dan toe was er vooral óver tieners geschreven, wat resulteerde in nogal betuttelende stukjes, zeker als het ging om popmuziek. Het leek geen toeval dat de eerste popjournalist van Nederland Skip Voogd heette. Hitweek kwam tegen de ‘bevoogding’ in verzet. ‘We zijn van mening dat ouderen bang voor ons, tieners, zijn,’ schreven Muller (1946) en medeoprichter Willem de Ridder (1939) in het eerste nummer. ‘We worden als kleuters toegesproken (…) Het is ontstellend hoeveel tieners (wat ’n rotwoord) er rondlopen met geniale ideeën, plannen, verhalen, foto’s. Het overgrote merendeel blijft echter rondlopen, want er schijnt weinig plaats voor onze initiatieven in deze volwassenenmaatschappij te zijn. Met Hitweek willen we daar iets aan doen. Dit is jouw en ons blad. ‘

Sixties in de provincie

Hitweek schreef wekelijks over alles wat jongeren bezighield. In de eerste plaats was dat popmuziek, maar ook maatschappelijke kwesties en seksualiteit kwamen aan bod. De kracht van de krant was dat iedereen kopij kon inzenden. Zodoende werd niet alleen verslag gedaan van wat er in de hippe hoofdstad gebeurde, maar ook in de provincie. Dat er in de ‘dode’ stad Alkmaar nooit iets voor jongeren georganiseerd werd. Of dat een schooldirecteur in Nijmegen had ontdekt dat leerlingen tijdens een schoolexcursie condooms hadden gekocht: ‘Deze handeling (het kopen van voorbehoedsmiddelen) is uitgelekt en verschillende ouders belden mij hierover op en spraken hun walging en afkeuring uit,’ schreef hij in een brief aan de ouders. ‘U begrijpt zeker wel dat ik het hierbij niet laat en mijn bestuur hierin zal kennen. Hangende dit nader overleg en onderzoek kan ik uw zoon niet langer hier op school handhaven.’ Tegen dergelijke ouderwetse ‘regenten’ kwam Hitweek in opstand. Het blad werd daarom lang niet in elk gezin en op elke school geduld. Veel jongeren lazen de krant stiekem.

willem
Willem de Ridder (1939), oprichter van Hitweek en Aloha.

Gebrek aan leiding

De kracht van Hitweek was meteen de zwakte. Er was nauwelijks een redactie en geen hoofdredacteur. Er werd nooit een redactionele koers bepaald. Niemand kreeg betaald. Dat de krant toch een behoorlijk niveau haalde, was te danken aan de (belangenloze) inzet van een vaste kern, onder wie de latere PvdA-politicus André van der Louw, VARA-gidsredacteur Wim Bloemendaal, VPRO-radiomakers Wim Noordhoek en Jan Donkers, en Willem de Ridder.

Het gebrek aan leiding zorgde er ook voor dat het nooit duidelijk werd wat Hitweek wilde zijn. Moest de krant vooral over pop­mu­ziek, en alles tussen Armand (‘Ben ik te min’) en Frank Zappa schrijven? Of diende Hitweek zich meer te richten op politieke onderwerpen? En voor wie was Hitweek eigenlijk? Waren dat de tieners waarover de beginselverklaring sprak? Of toch meer de twintigers waartoe het gros van de redactie zelf behoorde?

Echt wel ‘loose’

Ondanks de ‘relaxte’ sfeer op de redactie broeide het onderhuids. Al binnen een paar maanden stapte oprichter Peter Muller op. Er tekende zich een schisma af tussen de ‘rokers’ en de ‘drinkers’. De ‘rokers’ (idealisten) voelden zich aangetrokken tot Oosterse filosofieën, terwijl de ‘drinkers’ (studenten) meer bezig waren met (blues)muziek en van zweverigheid niet veel wilden weten. Iedereen kon vrijuit zijn eigen hobby’s en stokpaardjes uitventen. Geneeskundestudent Frits Boer deed vanuit San Francisco verslag van de Amerikaanse Westcoast-muziek en begon een medische rubriek. VRAAG: ‘Wanneer we stoned zijn kunnen wij onze knokkels niet meer laten knappen. Zoudt u dit fenomeen kunnen verklaren? ANTWOORD: Jullie zijn zo ontzettend “loose” dat zelfs jullie knokkels niet meer willen knappen.’

Doorstart

Het zware, onbetaalde werk viel niet lang vol te houden. De redactie van Hitweek hief het blad in april 1969 op om meteen een doorstart te maken met Aloha, dat tweewekelijks zou gaan verschijnen. Vooral Willem de Ridder, die vier tropenjaren toe was aan een lange vakantie, wilde de kolommen weer vullen met ingezonden kopij over alles wat er in het land gebeurde in het leven van progressieve jongeren. Opnieuw kwam er geen hoofdredacteur. Wel traden nieuwe namen tot de redactie van Aloha toe, onder wie Koos Zwart die beroemd werd met zijn rubriek over de prijzen van hashies en nederwiet (‘Beursberichten’). De gemiddelde leeftijd ging omhoog en toon en inhoud werden serieuzer. Popmuziek raakte op de achtergrond en Aloha kwam in politieker vaarwater. In 1970 werd het blad de officiële staatscourant van de ‘Oranjevrijstaat’, de anarchistische pseudo-republiek van Roel van Duyn. (Van Duyn was medeoprichter van de Provo-beweging, en daarna van de ludieke Kabouter-partij, die tegen het consumentisme en vóór het milieu was).

Overbodig geworden

Aloha was dogmatischer dan Hitweek. Ook kwam de aloude tegenstelling tussen mediteerders en actievoerders scherper aan het licht. Binnen de redactie ontstond verschil van mening over de toekomst van de krant en de doelgroep. Het gebrek aan leiding en visie verhinderde dat er keuzes werden gemaakt en de krant kabbelde voort. Toch was ook Aloha een spiegel van de tijd: artikelen en vormgeving laten zien hoe de flower power-generatie volwassen werd, maar ook hoe de onschuldige jaren zestig overgingen in de hardere jaren zeventig. Dit uitte zich bijvoorbeeld in een afwijzing van de westerse geneeskunst en een geloof in macrobiotiek en zelfmedicatie.

Ook het veranderende journalistieke landschap werkte tegen Aloha. In 1971 had het blad een geduchte concurrent gekregen in muziekkrant OOR. Daar kwam bij dat zich bij reguliere bladen (zoals Haagse Post, De Nieuwe Linie en Vrij Nederland) een verjonging had voorgedaan en dat een aantal ex-journalisten van Hitweek en Aloha inmiddels op journalistieke sleutelposities zaten. Toen adverteerders wegliepen, begon een doodsstrijd die eindigde op 2 mei 1974.

Redelijk braaf

Zo kwam er een einde aan bijna tien jaar van bijzondere journalistiek. Nooit eerder hadden jongeren met zoveel succes zelf de pen gegrepen en geschreven over hun eigen leven. Hitweek en Aloha waren kweekvijvers van jong talent en veel medewerkers zouden doorbreken in journalistiek , politiek of kunst. (Herman Brood debuteerde als tekenaar in Aloha). Beide kranten gelden als het begin van een nieuwe vorm van journalistiek in Nederland. Toch moet de impact van met name Hitweek niet worden overschat. De oplage was zelden hoger dan 30.000 stuks en zelfs als elk nummer drie keer werd doorgegeven, komt het bereik nauwelijks boven de 100.000. Een veel breder jongerenpubliek trok Radio Veronica, dat het meer gematigde geluid van de ‘jaren zestig’ in Nederland verspreidde. Opvallend is dat Hitweek, een blad dat tegen de gevestigde orde inging, nooit voor de rechter werd gedaagd en zelfs niet door overijverige politiedienders uit het schap werd verwijderd, zoals wel gebeurde met Provo, het blad dat van 1965 tot 1967 verscheen en zich net als Hitweek tegen de gevestigde orde keerde. Wie denkt aan de talloze affaires van weblog GeenStijl – een hedendaagse vorm van anarchistische do-it-yourself-journalistiek door en voor jongeren – moet constateren dat Hitweek toch een redelijk braaf krantje was dat meestal netjes binnen de lijntjes kleurde.

Mocht iedereen meedoen?

Tot midden jaren zestig was Nederland een standsbewuste samenleving. Een arbeiderskind kon moeilijk doordringen tot de hogere maatschappelijke regionen, terwijl een academicus zich niet met ‘lagere cultuur’ hoorde bezig te houden. Hitweek ging daar tegenin. ‘Iedereen mag meedoen’ was het motto. Toch was de redactie heel homogeen. De meeste redacteuren kwamen uit betere en vrijzinnige milieus (Koos Zwart was de zoon van PvdA-minister Irene Vorrink). Hitweek en Aloha waren mannenbolwerken. De enige vrouw was ‘redactieassistente’ Marjolein Kuijsten; de enige vrouwelijke journaliste was Laurie Langenbach.. Aloha ging meer over seks dan Hitweek, en publiceerde nietsverhullende naaktfoto’s. Blote vrouwen en expliciet taalgebruik (‘Het leuke van neuken’ was de kop van een artikel) golden als het toppunt van bevrijding. Maar de seksuele revolutie was nog wel vooral een mannending, maken de foto’s in Aloha duidelijk.

Dit artikel verscheen eerder in Quest Historie, februari 2016.

Rutger Vahl (1972) is journalist en biograaf. Hij schrijft vooral over boeken, popmuziek, geschiedenis en de combinatie van die drie. Hij publiceerde ‘Cornelis Vreeswijk. De blues tussen Stockholm en IJmuiden’ (Nijgh & Van Ditmar, 2014), ‘Wally Tax. Leven en lijden van een outsider’ (Nijgh & Van Ditmar, 2015), 'Xandra Brood. Rock 'n' roll widow' (Nijgh & Van Ditmar, 2016), 'Laurie Langenbach. Brieven, dagboeken en een geheime liefde' (De Arbeiderspers, 2017) en ' Nu weet ik het zeker, ik hou van George Baker' (Nijgh & Van Ditmar, 2018). Momenteel werkt hij aan de biografie van Herman Brood.