Indonesië is een veelzijdig land waar bijna de gehele bevolking op het grootste eiland Java moslim is, de buitenkant steenrijk lijkt maar daarachter niets is wat het lijkt. Kinderen van amper vijf jaar oud worden in de straten van Jakarta als bedelmachines ingezet om op het geweten van de toerist in te spelen, homo’s spreken in het geheim af in shoppingmalls die na sluitingstijd veranderen in discotheken en de seksindustrie op toeristenoord Bali viert er hoogtij. Vooral als blanke man ben je hoofdprooi.

STEUN RO

Jakarta is een grote metropool waarin taxichauffeurs de dienst uitmaken. Het is voor de, meestal geen tot weinig Engels sprekende, oudere mannen een waar gevecht om toeristen aan zich te binden en de concurrentie een stap voor te zijn. De inkomstenbron zet zichzelf immers niet in werking. Nadat mijn reisgenoot Patrick en ik voor omgerekend zo’n 35 euro de man een tijdelijk visum voor Indonesië hebben gekocht (de tussenstop in Kuala Lumpur, Maleisië telde niet omdat we de douanepost daar niet hebben verlaten) stappen we het vliegveld van Jakarta uit. Het tropische klimaat slaat ons direct als een mokerslag in het gezicht en voor we goed en wel tien meter hebben gelopen, worden we al aangeklampt door een taxichauffeur. De eerste in een lange rij die tijdens ons verblijf in de hoofdstad op Java nog zou volgen. Deze blijkt dan wel weer Engels te spreken. Sterker nog, in Heerhugowaard woont zijn lievelingstante. Die heeft hem woorden geleerd als ‘ja’, ‘nee’ en ‘hallo’, aldus de docent Nederlands in de dop. ‘Welkom in Indonesia, can I bring you guys to your destination?’, klinkt het, terwijl hij alvast mijn backpacktas aan-, dan wel afpakt. ‘Misschien is een vast prijsje afspreken wel handig’, oppert Patrick. Toeristen naaien is immers op veel plekken in de wereld een favoriete bezigheid van plaatselijke chauffeurs. Achteraf blijkt dat een verstandige keuze, want er moet ruim een uur worden gezocht naar het prestigieuze Oakwood Hotel. Een verblijf waar we direct een ruim appartement met zwembad van zo’n honderd vierkante meter voor drie dagen vastleggen. Gezien de lage valutawaarde van de rupiah spreken we aan de receptie dan ook ons nieuwe motto uit: ‘Geld moet rollen!’ Later tijdens ons verblijf zouden we dat verstandig licht, maar zeker niet te heftig aanpassen. Alleen zou dat redenen hebben die we op dit deel van de reis nog niet konden bevroeden. De leukste bijkomstigheid is echter toch het grappige feit dat we ons tijdens deze vakantie miljonair mogen noemen. Maar omdat 1 miljoen rupiah ongeveer 70 euro bedraagt, draagt hoogstwaarschijnlijk de gehele bevolking van Indonesië die ‘titel’.

Ondanks de jetlag die zowel Patrick en ik in onze lijven voelden, vonden we dat op een zaterdagavond in Jakarta een kleine clubtour niet mocht ontbreken. Veel discotheken bevinden zich in de kelders of bovenste verdiepingen van hotels en zijn daarom veelal alleen voor de lokale bevolking goed te vinden. Dankzij de app Tinder (het is heus) en onze zelf toegekende briljante communicatieskills kwamen we echter al snel op deze plekken terecht. Clubs als Blowfish en de Exodus deden we aan, maar ook gaybar Apollo werd niet overgeslagen. Een bar op de tweede verdieping van een grote shoppingmall. ‘Lachen man, dat moet je toch een keer gezien hebben en je wordt er heus niet verkracht’, verzekerde ik Patrick. Enigszins als een boer met kiespijn stemde hij in mee te gaan en die instelling bleek gegrond. ‘Is that your boyfriend?’, vraagt een jongen met gemillimeterd haar hem al direct bij de ingang, mij aanwijzend en dicht in Patrick’s aura vertoevend. ‘No, he’s not’, is zijn antwoord met een moeilijk gezicht. ‘Tja, sukkel, dat moet je nu juist niet zeggen’, lach ik. ‘Nu zijn de rapen helemaal gaar!’ En inderdaad: de zogenaamde don juan glundert direct van oor tot oor, maar druipt uiteindelijk toch teleurgesteld af als we hem duidelijk maken dat hij moet opzouten. Het duurt vervolgens een minuut of tien voordat Patrick zich op zijn gemak voelt en dan toegeeft het toch wel prijzenswaardig te vinden hoe alle mensen van hetzelfde geslacht hier compleet zichzelf kunnen zijn. We glimlachen eerst en fronzen onze wenkbrauwen daarna als we twee losbandige Europeanen als halve Britney Spears op de bar aan een paal zien dansen. De hoogste tijd om weer weg te gaan, maar niet voordat Patrick me vraagt welke van de vrouwen nu eigenlijk stiekem man zijn. Ik moet het antwoord zo nu en dan schuldig blijven. Zeker gezien het aantal manvrouwen dat zich op Tinder introduceert als zogenoemde ‘shemale’. Not really our cup of tea naast al het prachtige vrouwelijk schoon (en daarnaast ook de mooie mannen) die we op onze weg in de Indonesische hoofdstad tegenkomen. En vooral voor homo’s is het ongelooflijk hoe seks georiënteerd de stad is. Als westerling zou je zonder moeite een hotelkamer kunnen boeken en de geïnteresseerde jongens non-stop laten aanrukken. Ik ben verbaasd over het aantal mannen dat, voornamelijk via apps, aanbieden eens af te spreken voor ‘fun’, zoals die dekmantel zo mooi heet.

Vijf doden per dag

Een dag later bezoeken we één van de gigantische shoppingmalls waar Jakarta vol mee staat. We groeten de beveiliging van het hotel, die op elke straathoek elke steen met honden lijkt te bewaken, en stappen in alweer een taxi. Ze kosten immers vrijwel niets. Voor een ritje van een half uur betaalden we nog geen honderdduizend rupiah, oftewel een eurootje of zeven. Het winkelcentrum lijkt in niets op de kleinere variant die we daarvoor aandeden en waar de winkeltjes op elkaar gedrukt staan als een enorme opbergbox. Echt een stad in een stad dus. In de grote mall van een stuk of acht verdiepingen komen we behalve winkels ook restaurants, een bioscoop en een indoor ijsbaan tegen. Ach ja, waarom ook niet? We bezoeken ook nog even het koninklijk paleis met een taxichauffeur die noodgedwongen weer in eigen land woont na enkele jaren als chef-kok in Amerika te hebben gewerkt. ‘Ik had het er reuze naar mijn zin, maar mijn visum liep af’, aldus de opvallend vrolijke man. ‘Toen kon ik kiezen: zelf een ticket terug betalen of dertig dagen de cel in en dan op kosten van de Amerikaanse staat alsnog terug naar eigen land. Ik koos voor de eerste optie en ben hier toen aan het werk gegaan als taxichauffeur bij de Blue Bird Group. Als kok was ik namelijk ineens zogenaamd te oud.’ In het verkeer van Jakarta heersen de scooters (sommige vrouwen nemen er doodleuk hun pasgeboren baby op mee) en in het mierennest op de weg zijn ongelukken niet uitzonderlijk. Alleen al in de hoofdstad vallen gemiddeld zo’n vijf doden per dag op de weg, dus de taxi’s die we nemen zijn geen overbodige luxe. Rond het gebied van het streng beveiligde paleis worden we nog nadrukkelijker aangekeken dan daarvoor al het geval was, maar nu vooral met boze blikken. ‘Wat komen die rijke stinkerds uit Europa hier doen en valt er misschien iets uit hun tassen te jatten?’, lijken ze te denken. Arm en rijk leeft hier door elkaar en mensen wonen in stenen huizen of houten hutjes. Op straat klampt een klein jongetje van tien me aan en drukt een papiertje met onleesbare tekst in mijn handen. Vervolgens roept hij: ‘Money, money.’ Verderop zit een ventje van een jaar of zeven gehurkt op straat met zijn zusje van drie in zijn armen en steekt zijn hand naar me uit op het moment dat hij me ziet. Wanhopig smeekt hij in zijn eigen taal om wat geld. Iets waar ik overigens een blok verder een klein meisje in grote hoeveelheden mee zie lopen. Een dik pak papier klemt ze stevig in haar handen en ik ga er niet vanuit dat dit haar wekelijkse zakgeld is. Ouders sturen hun kleuters de straat op om inkomsten te genereren.