Plannen voor een nieuw indianenreservaat aan de dichtbevolkte oostkust van Brazilië zetten de verhoudingen tussen landeigenaren en de oorspronkelijke bevolking al enige jaren op scherp. Hamvraag: zijn de Tupinambá-de-Olivença eigenlijk wel echte indianen?

STEUN RO

Niets in Olivença, een dromerig surfparadijsje in het diepe zuiden van de deelstaat Bahia, wijst erop dat het dorp en de omgeving al vier jaar het toneel zijn van een gewapend conflict. Er zitten geen kogelgaten in de verkeersborden, er staan geen strijdkreten op de muren en er wapperen geen rebellenvlaggen tussen de kokospalmen. Maar begin over het voorstel van de Braziliaanse regering om de plaatselijke indianenstam, de Tupinambá-de-Olivença, een eigen reservaat te geven en je krijgt een vloedgolf van opgekropte woede over je heen.

Tranen

Roberto de Castro is de eigenaar van een rubberplantage aan de rand van Olivença. Er springen tranen in zijn ogen als ik hem over het conflict vraag.

“Negenendertig families zijn al van hun land gejaagd. Het enige wat ze nu nog hebben zijn de kleren die ze aanhadden toen de indianen kwamen. Als ik hier geen gewapende mannen had rondlopen zat ik hier ook niet meer.”

Cacaoplantages moeten reservaat worden

In 2009 presenteerde de Braziliaanse regering een voorstel om in een gebied van 473 vierkante kilometer ten zuiden van de havenstad Ilhéus een reservaat te stichten voor de Tupinambá-de-Olivença. De gemeente Ilhéus, waartoe Olivença behoort, zou een kwart van haar totale landoppervlak, voornamelijk cacaoplantages, kwijtraken. De landeigenaren en hun werknemers, die vaak op de plantages wonen, zouden huis en inkomen verliezen. 

In het geval van een eventuele onteigening zal de overheid de landeigenaren compenseren, maar voor de meeste families in kwestie weegt een in termijnen te betalen kostenloosstelling niet op tegen de pijn van het verlies van land dat vaak al generaties lang in hun bezit is.

Landjepak

Als het voorstel het haalt – en daar is na vier jaar nog steeds geen duidelijkheid over – dan kan het nog jaren duren voor het reservaat daadwerkelijk bestaat. In Brazilië malen ambtelijke molens met een slakkengang. 

De Tupinambá-de-Olivença hadden geen zin om zo lang te wachten. In 2009, kort na de bekendmaking van de plannen voor het reservaat, begon de stam zich met geweld plantages die binnen de voorgestelde grenzen vielen toe te eigenen. Er werden op die manier negenendertig plantages in bezit genomen. Op deze stukken land staan nu drieëntwintig ‘inheemse nederzettingen’, zoals de Tupinambá-de-Olivença hun dorpjes noemen. De autoriteiten stonden voor een voldongen feit: volgens de Braziliaanse wet is het nagenoeg onmogelijk iemand uit een zelfgebouwd huis te zetten – zelfs als het land waarop het staat officieel (nog) niet van de bewoners is. De landeigenaren spreken van terreur en bezetting, de indianen noemen het herinbezitneming.

‘Verboden voor niet-indianen’

Ik sta onderaan een slingerpad dat door laag struweel omhoog leidt, een heuvel op. Aan een boomtak hangt een krakkemikkig houten bord. “Itapoã – inheemse nederzetting. Verboden voor niet-indianen.” Er is niemand te zien. Ik begin de klim naar boven.

Jamopoty staat de was te doen achter haar huis, dat net als alle andere hutjes aan weerszijden van de enige, ongeplaveide straat van Itapoã gemaakt is van kleileem in een raamwerk van takken. Ze draagt een zwart mouwloos hemd en een kort denimrokje. Jamopoty, of Valdelice Amaral, zoals ze op haar identiteitskaart heet, is een van de vijftien opperhoofden – caciques – van de Tupinambá-de-Olivença. 

“Hier waren ze van plan een vakantieparadijs voor rijkelui te bouwen,” zegt Jamopoty. “Nu wonen hier negenenzeventig indianenfamilies. Het is een harde strijd geweest.”

Geweld

Het is geen geheim dat beide partijen in het conflict de afgelopen jaren geweld hebben gebruikt. Jamopoty zelf wordt intimidatie ten laste gelegd en een andere cacique, Babau, zit wegens intimidatie, illegaal wapenbezit en brandstichting in een strengbewaakte gevangenis.

“Ik ben niet bang om gearresteerd te worden,” zegt Jamopoty. “Wel om spoorloos te verdwijnen. In één jaar tijd zijn er achttien jongens van onze stam vermoord. Door wie weten we niet. Misschien door de landeigenaren, misschien door de politie, wie zal het zeggen. Hoeveel jongens moeten nog het leven laten voor we ons reservaat krijgen?”

De bewoners van de inheemse nederzetting zien er niet anders uit dan hun buren in het dorpje Olivença of de stad Ilhéus; je ziet er hetzelfde scala aan huidskleuren, haartypen en gezichten dat je overal in het noordoosten van Brazilië tegenkomt. De bewoners van Itapoã dragen dezelfde goedkope, felgekleurde kunststof kleding die armen in heel Brazilië dragen. Ik hoor alleen maar Portugees.

Dit is wat het geplande reservaat in Olivença zo controversieel maakt. De Tupinambá-de-Olivença werden pas in 2004 door FUNAI, het Braziliaanse staatsorgaan voor indianenzaken, als indianenstam erkend. Nog altijd is de origine van de stam onderwerp van speculatie; een nieuwe antropologische studie, de derde in tien jaar, is onlangs van start gegaan. De vraag of de Tupinambá-de-Olivença eigenlijk wel echte indianen zijn is het sterkste argument van de landeigenaren.

Als ik hem in Ilhéus ontmoet noemt Luiz Henrique Uaquim, de president van de plaatselijke landbouwcoöperatie, de Tupinambá-de-Olivença ‘als indianen verklede bandieten’. “Ze planten zich blijkbaar ook sneller voort dan konijnen,” voegt hij er smalend aan toe. “In 2001 waren er 1.200 Tupinambá-de-Olivença. In 2009 waren er opeens 6.900.”

Uaquim laat me vervolgens een lijst zien met meer dan drieduizend namen van mensen die volgens de administratie van de Tupinambá-de-Olivença tot de stam behoren maar van wie FUNASA, het staatsorgaan dat verantwoordelijk is voor de gratis medische zorg voor alle Braziliaaanse indianen, nog nooit heeft gehoord. 

‘Ons geduld raakt op’

Als ik Jamopoty naar de controverse rond de afkomst van haar stam vraag antwoordt haar man, Taquari. Voor de tweede keer in vierentwintig uur tijd zie ik een volwassen man huilen van woede.

“Is het onze schuld dat de blanken onze voorouders vermoord en verkracht hebben? Dat ze onze cultuur, onze godsdienst en onze taal vernietigd hebben? Goed, nu leren we onze taal uit boeken. We bouwen onze tradities weer op, ook met behulp van boeken. We hebben geen keus, want ons erfgoed is kapotgemaakt. Maar dat maakt ons niet minder indiaans.”

Met zijn koperkleurige huid, zijn hoge jukbeenderen en zijn nauwe ogen lijkt Taquari van iedereen die ik in Itapoã ontmoet het meest op het stereotype van de Braziliaanse indiaan. Maar Taquari is geen Tupinambá-de-Olivença. Hij is een Patoxó-indiaan uit het uiterste zuiden van Bahia, en een veteraan in de strijd voor de rechten van inheemse volkeren.

“Dit land is van ons, niet van de mensen die zich vandaag de dag Brazilianen noemen,” zegt Taquari. “Van de oorspronkelijke bewoners van Brazilië zijn er nu minder dan een miljoen over. We willen maar een piepklein deel van al het land dat ons werd afgenomen, maar ons geduld raakt op. We zijn klaar voor de strijd. Als het nodig is beginnen we een guerrillaoorlog in het oerwoud.”

Jamopoty hangt – voorlopig – een andere filosofie aan.

“Ik ben meer van de dialoog,” zegt ze. “Maar zelfs mijn geduld heeft grenzen.”

Filmploeg

Aan het eind van de enige straat van Itapoã verschijnt een auto. Een minuut later stapt er een filmploeg uit São Paulo uit. Jamopoty en Taquari verontschuldigen zich en gaan hun huis in. Als ze weer tevoorschijn komen draagt Jamopoty een lange rok van palmbladeren over haar denimrokje en een haarband van kralen. Om haar hals en over haar schouder hangen lange kralenkettingen. Taquari draagt een tooi met zwarte, rode, groene en blauwe veren. In zijn linkerhand houdt hij een boog.

Nieuwe ontwikkeling

Uit recente berichten in de Braziliaanse pers blijkt dat indianenstammen zoals de Tupinambá-de-Olivença, die een aanvraag voor een eigen reservaat hebben lopen, niet meer hoeven te rekenen op de steun van de regering van president Dilma Rousseff. Rousseff, die volgend jaar een tweede ambtstermijn in de wacht hoopt te slepen, stelt het belang van de landbouw boven de landrechten van inheemse volkeren en heeft volgens persbureau Reuters het bureau voor indianenzaken FUNAI opdracht gegeven voorlopig geen aanvragen voor nieuwe indianenreservaten goed te keuren.

Alex Hijmans (1975) is internationaal correspondent en schrijver. Zijn standplaats is Salvador, de derde stad van Brazilie, waar hij in een volksbuurt woont en verder kijkt dan voetbal, samba en zogenaamde Wirtschaftswunderen. Hij schrijft, net zoals weleer voor de papieren De Pers, journalistieke reportages en persoonlijke columns. Met veel beeld en altijd met de blik van een local.

Geef een reactie