Ze groeien steeds vaker samen op: op school, op straat en in de collegebanken. Jongeren met verschillende achtergronden, Nederlands, Turks, Marokkaans, Antilliaans, Surinaams, Kaapverdisch. Zij kennen elkaars achtergrond en gewoontes, maar mengen eigenlijk nauwelijks. ‘Je moet het niet mooier maken dan het is.’

STEUN RO

Ze zijn de eerste gemengde generatie. Jonge autochtone Nederlanders, Turken, Marokkanen, Surinamers, Antillianen, Kaapverdiërs, vooral die in en rond de grote steden in de Randstad, weten niet beter dan dat veel van hun leeftijdgenoten er afwijkende gewoontes op nahouden, aanhanger zijn van een andere religie, verschillend omgaan met hun ouders en verdere familie.

In sommige delen van Nederland groeit dus de eerste werkelijk multi-etnische generatie op. Maar is het ook een echt multiculturele generatie? Mengen ze ook privé, die jongeren met al die culturele achtergronden? Zijn ze met elkaar bevriend, komen ze bij elkaar over de vloer, knopen ze met elkaar relaties aan? Of blijven ze het liefst onder elkaar, afgeschermd binnen de eigen groep? Elsevier zocht ze op, in de Randstad en daarbuiten.

‘Kijk,’ zegt Zihni Özdil (30), als hij de kantine inloopt van de Erasmus Universiteit in Rotterdam, waar hij werkt. In de halflege ruimte zitten studenten in groepjes bij elkaar te praten en te lunchen. Autochtoon bij autochtoon, Marokkanen bij Marokkanen, Turken bij Turken. Özdil: ‘Ze mengen niet.’

Özdil, historicus, wetenschappelijk docent en van Turkse afkomst, bespeurt die mentaliteit vooral onder Turkse jongeren: ‘Ze blijven het liefst onder elkaar.’ Opvallend. Van jonge Turken wordt vaak gedacht dat zij beter integreren dan, bijvoorbeeld, Marokkanen of Antillianen, omdat Turken minder overlast veroorzaken. Maar deze aanname klopt niet. Jonge Turken beheersen de Nederlandse taal slechter dan andere groepen, ook slechter dan Marokkanen. En Turkse tieners richten zich massaal op het land van herkomst van hun ouders. Niet op Nederland.

Deze bewust gezochte segregatie ergert Özdil. ‘Ik sprak laatst op een demonstratie tegen bezuinigingen in het onderwijs. Van de Turkse studentenvereniging Mozaik, die honderden leden heeft, was daar niemand. Die Turkse studenten houden zich bezig met Turkse politiek, met de ramadan en met de vraag of Turkije wel of niet genocide heeft gepleegd op de Armeniërs.’

Özdil wil maar zeggen: op deze manier word je als student met buitenlandse wortels nooit een betrokken burger van Nederland. Gevolg? ‘Ze studeren af en komen niet aan de bak. Omdat ze het Nederlands te slecht beheersen en geen netwerk hebben. En dan klagen ze over discriminatie.’

Geboren en getogen

Hoe komt het dat deze Turkse jongeren zo weinig binding voelen met Nederland? Özdil is niet het type dat snel klaagt, maar hij houdt Nederlanders medeverantwoordelijk. Een van de redenen, denkt hij, is de manier waarop Nederland met migranten omgaat. ‘Nederlanders tolereren immigranten zolang ze geen overlast veroorzaken. Anders klinkt het: die buitenlanders moeten terug naar hun eigen land. Maar ik wil niet getolereerd worden, ik wil geaccepteerd worden. Als Nederlander. Want hier ben ik geboren en getogen.’

Heeft Özdil gelijk? Ervaren veel kinderen uit migrantenmilieus te grote hindernissen om zich thuis te kunnen voelen in Nederland? En bestaat ook onder de nieuwe generatie jongeren een kloof tussen ‘wij, de Nederlanders’ en ‘zij, de buitenlanders’?

Op het katholieke St. Nicolaaslyceum in Amsterdam hebben leerlingen ruimschoots ervaring met dit soort vragen. Hier lopen jongeren rond uit meer dan dertig etnische groepen. Er is veel veranderd sinds de tijd dat twee beroemde oud-leerlingen – Dennis Bergkamp en Louis van Gaal – naar deze school gingen. Foto’s van de voetbalcoryfeeën hangen aan een muur.

Hem valt het grote aantal allochtone leerlingen niet op, zegt Jeffrey Nengerman (17). ‘Ze zijn er gewoon.’ Jeffrey, een Nederlandse jongen met alerte ogen, zit in de vijfde klas van het vwo. Zijn basisschool was ook sterk gemengd, vertelt hij. Multi-etnisch: hij heeft het nooit anders meegemaakt. Klasgenoten als de Marokkaanse Chaima Ahammout (16), de Hindoestaans-Surinaamse Madhuvi Ramcharan (17) of Meral Utlu (17), half-Turks, half-Nederlands, zijn in Jeffrey’s ogen net zo Nederlands als hij. Nou ja, bijna dan.

De scholieren zitten na afloop van de lessen bij elkaar in een gespreksruimte van de school. Zo soepel als in Jeffrey’s geval verloopt het contact tussen leerlingen uit verschillende culturen niet altijd. Martijn Koopman (17), eveneens uit vwo-5, groeide op in Amsterdam Oud-Zuid, tussen blanke kinderen. Hij moest in het begin best wennen aan de vele allochtone kinderen op het St. Nicolaaslyceum, zegt hij. ‘Hun gedrag is anders, ze praten anders. Het is lastiger om contact met ze te krijgen.’

Ook voor de Marokkaans-Nederlandse Chaima was de overgang naar de middelbare school een hele stap. Eigenlijk maakte zij pas op het St. Nicolaaslyceum voor het eerst echt kennis met multi-etnisch Nederland. Ze zat op een zwarte basisschool en had tot dan toe nooit intensief contact gehad met autochtone Nederlanders. ‘Niet in de buurt en niet in de klas. Ik maakte me vooraf zorgen: stel dat ik niet met blanke kinderen kan opschieten?’

Chaima moest erg wennen. ‘Bij Nederlanders is alles zo anders.’ Maar dat was enkele jaren geleden. Ze zit nu in vwo-5 en haar aanvankelijke schuchterheid heeft ze allang afgeworpen. Als Chaima poseert voor de fotograaf, stoort het haar niet als een van de blanke jongens een arm om haar heen slaat.

Meral is een van Chaima’s beste vriendinnen. Ze is half-Turks, maar met haar lange blonde haren, blanke huid en blauwe ogen vermoedt niemand de mediterrane invloed van vaders kant. Meral maakte bewust de overstap naar een gemengde school. Ze kwam van het ‘witte’ Vossius Gymnasium, waar ze de sfeer niet leuk vond. ‘Daar was ik met mijn Turkse achtergrond een uitzondering. Ik voelde me er niet thuis. Deze school past veel beter bij me.’

Door het intensieve dagelijkse contact kennen deze scholieren elkaars eigenaardigheden en gebruiken. Toch verbazen zij zich soms nog over bepaalde dingen. Zo besloot Chaima een tijdje geleden om voortaan een hoofddoek te dragen. Ze kreeg prompt meer respect van Marokkaanse jongens – wat bij haar klasgenoten verontwaardigde reacties opriep (‘Wat een hypocrieten!’).

Na een tijdje legde ze de hoofddoek weer af. ‘Ik was er niet klaar voor,’ zegt Chaima nu. ‘De stap was te groot.’ Voor Madhuvi, een vlot pratende Hindoestaanse, was die tijdelijke hoofddoek ‘wel wennen’. ‘Ik dacht: huh, sinds wanneer draagt Chaima een hoofddoek?’

De Nederlandse 5-vwo’er Jeffrey heeft ‘niets met religie’. Hij zal dan ook niet snel verliefd worden op een moslimmeisje, bekent hij. Niet dat de Nederlandse jongens bij de moslima’s een kans maken. Chaima en ook Siham Ouaddi (16), een Marokkaans-Nederlandse met een dikke bos bruine krullen, willen, zoals veruit de meeste meisjes van Marokkaanse en Turkse afkomst, ooit trouwen met een islamitische partner. Siham: ‘Met zo’n man deel je dezelfde normen en waarden.’ Medescholier Martijn snapt dit wel. Om diezelfde reden (‘Je begrijpt elkaar beter’) wil hij een autochtone vriendin. ‘Een Nederlands meisje past meer bij mijn manier van doen.’

Zo schuren de verschillende werelden van deze jongeren langs elkaar in de praktijk van de school. Er bestaat een zekere wederzijdse nieuwsgierigheid en er is begrip voor elkaar: wil een moslimmeisje een hoofddoek dragen, dan moet ze dat doen.

Maar hebben ze ook gemengde vriendengroepen? Jeffrey heeft een paar allochtone vrienden. ‘Jongens die aangepast zijn. Mijn beste vriend is Filipijns.’ En Siham is bevriend met een Surinaamse jongen. Maar die komt niet bij haar thuis. Vreemde jongens komen sowieso zelden bij moslimmeisjes over de vloer – tot de dag dat ze om hun hand komen vragen. Siham: ‘We spreken op andere plekken af.’

Jeffrey en Siham zijn uitzonderingen. De meeste jongeren – niet alleen de Turkse –trekken zich in hun vrije tijd terug in de eigen etnische groep. ‘Je moet het niet mooier maken dan het is,’ zegt scholiere Meral. ‘Turkse meisjes klitten bij elkaar en praten onderling Turks. En de Marokkaanse jongens gaan bijna alleen met elkaar om.’

Kloof

Dit doen ze, naar eigen zeggen, niet zozeer omdat tussen allochtonen en autochtonen nog altijd een enorme kloof zou gapen zoals universitair docent Zihni Özdil in Rotterdam suggereerde. Of omdat allochtone jongeren zich in Nederland niet thuis zouden voelen. Maar gewoon, omdat het wel zo makkelijk is. Ons kent ons nu eenmaal het beste.

Zo’n 200 kilometer verderop in het noorden, in Groningen, ziet multicultureel Nederland er heel anders uit. ‘Ik fietste als scholier elke dag van mijn woonplaats Marum naar de middelbare school in Drachten,’ zegt de Groninger rechtenstudent Erik Homan (18). ‘Door weer en wind en in een groepje: drie kwartier heen, drie kwartier terug. We kwamen langs koeien en landerijen en ik zag niet één allochtoon.’ Met z’n vieren hebben ze zich verzameld in een populair café op de Grote Markt van de stad Groningen: drie jongens, één meisje. Allemaal komen ze uit het noorden en studeren ze rechten.

Asielzoekers

Deze jongeren maken een heel ander proces van socialisatie door dan hun generatiegenoten in de Randstad. In vergelijking met de Rotterdamse Erasmus Universiteit of de Vrije Universiteit in Amsterdam is het aantal niet-westerse allochtonen op de Rijksuniversiteit Groningen gering. En de weinige ‘buitenlandse’ leerlingen op hun vroegere basis- en middelbare scholen in Marum, Drachten, Franeker en Groningen, waren geen kinderen van gastarbeiders, maar van asielzoekers, die in centra in de periferie van Nederland worden ondergebracht: Armeniërs, Irakezen, Somaliërs, Afghanen.

Dus was voor Sybren Spoelstra (19) uit Drachten de schok groot toen hij in een Groninger supermarkt voor het eerst meisjes met een hoofddoek achter de kassa zag. ‘In Friesland krijg je toch een bepaald beeld mee van buitenlanders. Niet echt positief,’ zegt hij. ‘Ik kende een jongen, die had een buitenlandse vriend. Die vriend mocht niet bij z’n oma over de vloer komen.’

Cecile Thiadens (18), een vrolijke Groningse die opgroeide in de stad, voelt af en toe een grote afstand. ‘Hoe die buitenlandse meisjes aan de kassa bij Albert Heijn met elkaar praten in hun eigen taal. Daar voel ik mij niet goed bij, het is best intimiderend.’

Dit vinden de jongens een beetje overdreven. Maar een incident waarbij Marokkaanse jongens betrokken waren, was voor Sybren voldoende aanleiding om bij de laatste Provinciale Statenverkiezingen op de PVV te stemmen. ‘Een groepje Marokkaanse supporters van V.V. Drachten gaf bij een voetbalwedstrijd de keeper van de tegenpartij klappen. En ze hadden een grote mond tegen de scheidsrechter. Maar wel luisteren naar de Marokkaanse grensrechter, hè.’

Boyd Postema (18) voetbalde bij een vereniging in de stad Groningen. Hij stapte over naar het nabijgelegen Bedum, onder meer omdat de moslims in zijn team elkaar de hele tijd opzochten. Hij vond er niets meer aan. Boyd: ‘Bij Bedum is de sfeer heel anders. Daar zit maar één Molukker in het elftal.’

Ondanks dergelijke ervaringen blijven ze onbevooroordeeld in hun observaties. Cecile heeft regelmatig contact met een paar Armeense medestudentes. Zij verbaast zich over hun verhalen. ‘Dat ze bijvoorbeeld niet aan hun vriendje mogen zitten als hun vader erbij is. Uit respect of zo. Daar kan ik me niets bij voorstellen.’ Dit soort contacten bewust opzoeken en intensiveren, dat doen ze niet.

De rechtenstudenten bestellen bier en cola en praten over de Randstad, waar het ‘druk en vol’ is en waar de Groningers maar zelden komen. Boyd: ‘Waarom zouden we naar Amsterdam of Rotterdam gaan? Alles wat interessant is, hebben we in Groningen ook.’ Hun gerichtheid op Groningen is voor deze jongeren vanzelfsprekend, net als het voor hen vanzelfsprekend is om een ‘blanke’ vriendengroep te hebben.

Sybren: ‘Het zou mooi zijn als we konden mengen met allochtonen, maar zij blijven altijd in hun eigen groepje. Dat schiet niet op. Zo belangrijk is dat contact voor ons nou ook weer niet.’ Zo blijven ook deze autochtone jongeren het liefst in eigen kring.

Polarisatie

Hoewel er weinig behoefte is aan intensief onderling contact, staan de allochtone en autochtone jongeren met wie Elsevier sprak, best open voor elkaar. En ze verlangen naar een andere toon in het debat over de multiculturele samenleving. Luchtiger, minder grimmig. Weg van de polarisatie, op zoek naar een nieuwe consensus.

‘Mijn generatie staat open in het leven,’ zegt de 26-jarige schrijver, muzikant en cabaretier Johan Fretz, in de Amsterdamse Jordaan. Fretz, zelf half-Surinaams, publiceerde onlangs het boek Fretz 2025 , waarin hij de verkiezingsdag beschrijft – 6 juli 2025 – waarop hij hoopt om premier van Nederland te worden. ‘Door onze eigen ervaringen hebben we een realistisch en genuanceerd beeld van de multiculturele samenleving.’

De jonge Hindoestaans-Surinaamse bestuurskundige en auteur Shantie Jagmohansingh (30) valt Fretz bij. In het verleden is de multiculturele samenleving door politici en beleidsmakers te vaak geïdealiseerd, zegt zij. ‘Maar je hoeft die samenleving ook niet overmatig en bijna automatisch te problematiseren, zoals nu gebeurt.’

Hoe kan demissionair vicepremier Maxime Verhagen (CDA) beweren dat de multiculturele samenleving is ‘mislukt’, vraagt ze zich af. ’De multiculturele samenleving bestáát. Het is niet een fenomeen dat je ongedaan kunt maken als het niet goed gaat.’

Jagmohansingh is een van degenen die pleiten voor een ‘jongere, elegantere en positievere’ kijk op de toekomst van de multiculturele samenleving. Voor zo’n blik bestaat volgens haar voldoende aanleiding, ondanks de ernstige problemen met criminele Marokkaanse en Antilliaanse jongens, met radicaliserende moslims, met achterstand en armoede onder immigranten. Om zich heen, in Rotterdam, ziet ze bijvoorbeeld de opkomst van een succesvolle, bontgekleurde middenklasse. ‘Ik voel zoveel energie om me heen van jonge mensen met verschillende achtergronden, geschiedenissen en culturen.’

Ze doelt onder anderen op jongeren als de Surinaams-Nederlandse pop- en soulzangeres Pam Feather (26), die met een groepje vrienden naar Theater LantarenVenster, op de Kop van Zuid, is gekomen, waar ze Nederland prijst ‘om de kansen die je hier krijgt’. Feathers vriendin Zaida Silva Coronel (27) is een Kaapverdische uit Portugal. Ze kwam via Madrid – waar ze opgroeide – op haar zeventiende naar Rotterdam en verbaasde zich over het grote aantal mensen uit verschillende culturen dat ze hier aantrof. ‘Ik ontmoette zelfs mensen uit landen waarvan ik nog nooit had gehoord. En ik merkte niets van racisme – wat in Madrid wel veel voorkomt.’

Breakdancer

Feather haalt met Martin Jacott (28), een Surinaamse achtergrondzanger uit haar band, en met haar vriend, Devris Pondaag (25), een breakdancer van Nederlands-Italiaans-Indonesische afkomst, herinneringen op aan hun jeugd in Rotterdam, Schiedam en Dordrecht. Feather, die toen nog Pamela Slagveer heette, leerde Turkse liedjes op straat in Rotterdam-Zuid. ‘En op school leerden we het volkslied van Suriname.’

Pondaag at op maandagen (‘Als mijn moeder er niet was’) bij de familie van een Turkse jongen. Hij leerde er woordjes als anne – Turks voor moeder. Pondaag: ‘Mijn beste vriend was een Somalische jongen, die op een dag zomaar verdween met z’n familie. En als we voetbalden op straat deden alle nationaliteiten mee.’

Jacott had in de Rotterdamse wijk het Oude Westen soortgelijke ervaringen. Hun vriendengroepen waren gemengd? Ja, zegt Jacott, maar er waren grenzen aan de vriendschap. Zodra de Turkse of Marokkaanse jongens in een groepje waren, benaderden ze hem, de Surinamer, anders, ‘afstandelijker’. Dan kreeg de loyaliteit aan de eigen etnische groep de overhand en werd er soms zelfs gevochten ‘om domme dingen’. De belangrijkste les die Martin op straat leerde: ‘Iedereen, uit welke cultuur ook, discrimineert elkaar een beetje.’

Het viel Feather laatst op, toen ze een foto van haar verjaardag bekeek, dat er maar twee blanken op haar feestje waren. Kennelijk ontkomen ook deze jongeren er niet aan: hoe grootstedelijk en ruimdenkend ze ook zijn, ook zij trekken het liefst op met vrienden in wie zij zich herkennen.

Wantrouwen

Veel jongeren realiseren zich nauwelijks dat zij een grotendeels gesegregeerd bestaan leiden. Maatschappelijk functioneren ze goed en privé voelen zij zich prettig in eigen kring. Maar er zijn ook jongeren als Zihni Özdil en Oukba Odriss (24), actief in de Marokkaanse gemeenschap in Venlo, die principiële bezwaren hebben tegen deze situatie.

Hoogopgeleid en goedgebekt staan zij te popelen om een zinvolle bijdrage te leveren aan de Nederlandse samenleving. Ze willen zich helemaal niet terugtrekken in de eigen etnische groep, maar juist de kwalificatie ‘allochtoon’ afleggen. Zij willen als volwaardige burgers van Nederland worden benaderd en ze moedigen jongeren uit eigen kring aan om diezelfde weg af te leggen. Odriss is student aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen. Hij spreekt met een zachte g en voelt zich ‘misschien wel meer Limburger dan Geert Wilders’. Hoewel hij stuit op veel wantrouwen van de autochtone bevolking – ‘Sinds de opkomst van de PVV groeten zelfs onze buren mij minder vaak’ – wijst Oudriss andere Marokkaanse jongeren erop dat ze zich niet moeten afzonderen. Ze moeten deelnemen aan de Nederlandse samenleving, net als hij.

Dit is het type ‘Nederlanderschap’ dat de jonge historicus Thierry Baudet (29) voor ogen staat als hij spreekt over ‘multicultureel nationalisme’. Ook Baudet, die zelf Frans en Indonesisch bloed heeft, wil de multiculturele segregatie (‘Waarin we niets meer met elkaar delen’) overstijgen. Hij denkt dit te bereiken door hier aanwezige immigranten enerzijds welkom te heten en hen anderzijds te wijzen op de verantwoordelijkheden die horen bij het Nederlands burgerschap. Zoals: beheersing van de taal, kennis van de nationale geschiedenis, loyaliteit aan de Nederlandse rechtsstaat.

Ongetwijfeld is een meerderheid van de jonge allochtonen bereid om die loyaliteit uit te spreken. Maar cijfers van Forum, het Instituut voor Multiculturele Vraagstukken, wijzen uit dat er veel tijd overheen zal gaan voordat vooral Turken en Marokkanen zichzelf in de eerste plaats als Nederlander zullen identificeren.

Ook in die statistieken zie je de gesegregeerde werkelijkheid terug: van de jonge Turken beschouwt slechts 19 procent zich als Nederlander, van de Marokkanen 23 procent. Politici hoeven over die cijfers niet per se te somberen. Diezelfde jonge Turken en Marokkanen zeggen best tevreden te zijn met de Nederlandse samenleving – respectievelijk 52 procent en 45 procent. Daarmee zijn ze tevredener zelfs dan autochtone jongeren. Die zijn voor tweederde óntevreden.

Ook opvallend: alle ondervraagde groepen – Nederlanders, Marokkanen, Turken, Surinamers en Antillianen – zijn met zo’n 84 procent tevreden met hun vriendenkring. Veilig onder elkaar in multi-etnisch Nederland.

Nauwelijks gemengd
Interetnische contacten tussen jongeren in vrije tijd nemen af
Nederland is een multi-etnisch land, maar mengen doen de verschillende groepen beperkt, zo ook de jongeren. Van de 16,7 miljoen Nederlanders zijn 1,5 miljoen westerse, en 1,9 miljoen niet-westerse allochtonen. Turken (389.000), Marokkanen (356.000), Surinamers (345.000) en Antillianen (141.000) vormen de grootste groepen niet-westerse allochtonen. Zij wonen vooral in de steden: Rotterdam (36,7 procent), Amsterdam (35 procent) en Den Haag (33,9 procent). Hoewel allochtone jongeren vaker dan voorheen hoger onderwijs volgen, neemt het aantal vrijetijdscontacten met autochtonen af. Tot frustratie leidt dit niet. Alle groepen blijken tevreden met hun vrienden.

Verschenen in: Elsevier

Wierd Duk schrijft over Berlijn, de hipste stad van Europa, en bericht over Duitsland, het machtigste land in de Europese Unie, en over Rusland, het ingewikkeldste land tussen Europa en Azië. Hij was correspondent in Rusland en verslaggever voor de GPD en Elsevier. Laat op radio en tv regelmatig zijn licht schijnen over actuele internationale ontwikkelingen. Schreef de boeken ‘Poetin: straatvechter bedreigt wereldorde’ (Prometheus/Bert Bakker) en 'Merkel: koningin van Europa' (Prometheus/Bert Bakker). In 2016 verschijnt 'De Beul en de Heilige: een geschiedenis uit Auschwitz' (Prometheus/Bert Bakker).

Geef een antwoord