Steeds vaker worden taken van journalisten en traditionele mediabedrijven overgenomen door nieuwe technologie. Robots schrijven berichten. De vrije meningsuiting wordt door techbedrijven bevochten. En Facebook bepaalt wie wanneer welk nieuws onder ogen krijgt. Petra ter Doest brengt de belangrijkste vragen en antwoorden in kaart.

STEUN RO

Kan de journalistiek worden overgenomen door technologiebedrijven en hun software? Dat lijkt misschien een wat ruim gestelde vraag maar er zijn interessante discussies, met name in de VS, waarbij telkens de vraag opdoemt of een bepaalde taak die tot nog toe door journalisten en/of de traditionele mediabedrijven werd uitgevoerd ook bij techbedrijven in goede handen is.

De taken waar het in dit overzicht over gaat zijn: het distribueren van nieuws, het verdedigen van rechten op vrije meningsuiting en informatie en het schrijven van nieuwsverhalen. De bijbehorende vragen zijn:

Vraag 1: Aan wie kunnen we de distributie van nieuws beter toevertrouwen: aan mediabedrijven of aan technologiebedrijven?

Vraag 2: Bij wie zijn rechten op vrije meningsuiting en op informatie beter af? Bij mediabedrijven of bij technologiebedrijven?

Vraag 3. Wie kun je beter berichten laten schrijven: robots of journalisten?

(Alle citaten waarop dit stuk is gebaseerd, kun je bekijken in de mattermap die bij dit artikel is afgebeeld. Klik op de afbeelding.)

Vraag 1: Aan wie kunnen we de distributie van nieuws beter toevertrouwen: aan mediabedrijven of aan technologiebedrijven?

Het is vooral Emily Bell – voorheen redacteur van The Guardian, tegenwoordig directeur van het Tow Centrum voor digitale journalistiek van Columbia University – die deze discussie met kracht heeft aangezwengeld. Haar stelling: Het publieke domein wordt beheerd door een klein aantal ondernemingen in Silicon Valley. Zij bepalen steeds vaker welk nieuws en welke beelden het publiek onder ogen krijgt. Bijvoorbeeld: nieuwsliefhebbers die tijdens de schietpartij in augustus 2014 in Ferguson verwachtten dat hun Facebookfeed vol met nieuws hierover zou staan, zagen voornamelijk ‘icebuckets’ voorbij komen. De samenstelling van een newsfeed komt door het algoritme, zegt Bell en wijst op het artikel dat socioloog Zeynep Tufekci schreef over Ferguson. Bell wijst ook op Dick Costolo, de CEO van Twitter die bevestigde dat zijn netwerk actief video’s verwijderde van de onthoofding van James Foley door IS . ‘Achter elke tweek van een algoritme door een sociaal netwerk zit een journalistieke beslissing.’

Facebook experiment

Anderen die net als Bell bezorgd zijn, zoals Micah Sifry van ‘Personal Democracy Media’ zijn extra gealarmeerd door het uitgelekte experiment van Facebook in 2012 met newsfeeds rondom de verkiezingen. ‘Een Facebook analist vertelde later dat de betrokkenheid van burgers en de opkomst van kiezers hierdoor aantoonbaar waren versterkt.’ Manipulatie van de nieuwsfeed dus. En wat als het nu eens niet om een experiment gaat? Jonathan Zittrain van Harvard Law School beschreef in juni vorig jaar in de New Republic hoe Mark Zuckerberg van Facebook, als hij dat zou willen, bij verkiezingen een bepaalde kandidaat kan pushen, door kiezers die de kandidaat ook steunen extra prikkels te geven om te gaan stemmen.

Traditionele mediabedrijven en journalisten hebben natuurlijk net zo goed hun politieke voorkeuren. Maar zegt Bell, bij hen is wel sprake van ‘een cultuur van editorial filtering’, opgebouwd in eeuwen van debat over de waarden van een krant of bedrijf. Die cultuur en openheid dreigen te verdwijnen, nu nieuws los raakt van papier en uitgevers. Ook zegt ze: ‘Verantwoording afleggen maakt geen deel uit van de cultuur van Silicon Valley.’

Algoritme van een journalist

De technologiebedrijven verdedigen zich tegen deze aantijgingen met het argument dat technologie juist neutraal is. Dat ze zich juist helemaal niet met politiek willen bemoeien en dat het ook niet in hun belang is. Dit standpunt wordt bijvoorbeeld verwoord door Dave Winer, een developer van software op het gebied van blogging en rss. ‘Wat een algoritme oplevert, hangt af van hoe je als gebruiker het algoritme hebt getraind. Dus als je van nieuws houdt zoals ik, krijg je op de dag van de schietpartij in Ferguson, heel veel nieuws over Ferguson onder ogen.’ Hij vervolgt: ‘Journalisten hebben net zo goed een ondoorzichtig algoritme. Hun gebruikers hebben geen idee hoe zij beslissen wat wel nieuws is en wat niet.’ Hij raadt journalisten aan om snel te gaan samenwerken met sociale netwerken, nu het nog kan. ‘Facebook is nog niet echt begonnen aan nieuws, maar ze zijn wel actief bezig met de ontwikkeling van nieuwe technologie op dit gebied.’

Schermafbeelding 2015-05-15 om 15.34.36

Vraag 2: Bij wie zijn de rechten op vrije meningsuiting en informatie beter af: bij mediabedrijven of bij technologiebedrijven?

Niet zo lang geleden was een mediabedrijf als de ‘New York Times’ in de VS een drijvende kracht achter de grote rechtzaken rondom vrije meningsuiting en het recht op informatie. Maar een ambitieuze jurist kan nu beter bij Google of een ander techbedrijf gaan werken, schreef internet-jurist Marvin Ammori in Harvard Review of Law. ‘Het zijn hun juristen die over 50 jaar zullen worden herinnerd om hun invloed op de vrijheid van meningsuiting.’ Dat klopt, vindt ook Jeff Roberts, freelance journalist en specialist op het gebied van internetrecht en techniek, al was het maar vanwege het geld. ‘De meeste kranten zijn een schaduw van hun vroegere zelf, hun juridische budgetten zijn net zo uitgebeend als de advertentiebijlagen die hen ooit zo rijk maakten.’
Niet alleen hun geldbuidel maakt techbedrijven tot geschikte voorvechters van het vrije woord, vindt Ammori. ‘Vrije meningsuiting raakt ook aan de kern van hun core business.’ Hij somt op: Google wil iedereen toegang geven tot informatie. WordPress wil het publiceren democratiseren en Facebook wil de wereld open en meer connected maken.’

Lokale censuur

Maar Roberts en andere techjournalisten zoals Mathew Ingram zijn niet zo overtuigd van de goede bedoelingen van de techbedrijven. Als het om toegang tot informatie gaat, wijst Roberts  op juridische conflicten tussen Google en Apple en reguliere nieuwsmedia waarbij de techbedrijven belangrijke juridische documenten niet openbaar wilden maken. En in het buitenland zijn de sociale netwerken helemaal niet de grote verdedigers van de vrijheid van meningsuiting. ‘Twitter heeft een vorm van lokale censuur ontwikkeld waarbij inwoners van een land bepaalde tweets niet te zien krijgen,’ schrijft Ingram.

Vernietigde Facebookpagina's

En dan is er Facebook dat pagina’s verwijdert en de vrijheid van meningsuiting op het eigen platform inperkt op basis van regels waar gebruikers zich aan moeten houden. Zo mogen ze geen haat zaaien. Bij herhaalde klachten wordt een pagina verwijderd. Zo werden duizenden pagina’s van de Syrische oppositie geschrapt zonder verdere toelichting. Terwijl Facebook een primaire informatiebron is voor de Syriërs en alle betrokkenen bij de oorlog. ‘The Atlantic’ schrijft: ‘De communityregels van Facebook zijn bedoeld om cyberbullying en haatberichten op het persoonlijke vlak tegen te gaan maar in een burgeroorlog hebben zulke berichten direct invloed op het slagveld.’ Human rights organisatie SecDev heeft daarentegen begrip: ‘Het is terra incognita. Dit is het eerste conflict dat helemaal via sociale media wordt gedocumenteerd. Wij zijn zelf voortdurend met Syrië bezig en vinden het vaak ook lastig te bepalen wie nu weer bij wie hoort. Het is soms heel moeilijk vast te stellen wat er echt gaande is.’ Internetjurist Ammori wil de techbedrijven evenmin hard vallen: ‘Ze zijn niet perfect, net zoals de New York Times niet perfect is.’

Vraag 3. Wie kun je beter berichten laten schrijven: robots of journalisten?

Met het softwareprogramma Wordsmith worden naar schatting in 2015 meer dan één miljard artikelen geschreven, noteert journalist Kevin Roose in New York Magazine. Yahoo Sports maakt hiermee samenvattingen van football wedstrijden. Associated Press maakt er bijvoorbeeld financiële berichten mee. Het gaat om korte stukjes, gebaseerd op data zoals doelpunten, temperatuurstanden, aardschokken, aandelenkoersen of huizenprijzen. De berichten worden in no time geschreven, want automatisch gegenereerd. Ze bevatten veel minder fouten, aldus Automated Insights, het bedrijf achter Wordsmith, dan stukjes die door mensen zijn gemaakt en de lezers hebben er net zoveel vertrouwen in, aldus de Tilburgse docent en onderzoeker Hille van der Kaa, als stukjes die door journalisten zijn gemaakt.

Sneller en viraal

Lou Ferrara van AP wil de geautomatiseerde berichtgeving graag uitbreiden naar andere datarijke onderwerpen zoals verkiezingsnieuws en politieke peilingen. De aanleiding is simpelweg snelheid: Het is de enige manier om nog als eerste te zijn en Twitter en Facebook te verslaan. Een automatische journalist krijgt nog meer voordelen, zegt Van der Kaa: ‘We kunnen geautomatiseerde verslagen maken voor verschillende doelgroepen en we kunnen in de algoritmen virale elementen toevoegen waardoor een bericht sneller op Facebook wordt verspreid. ‘

De robotjournalist is dus vele malen sneller, kan doelgroepen op maat bedienen en is handig in virale verspreiding. Dat zijn grote voordelen maar het betekent niet dat menselijke journalisten overbodig worden. Van der Kaa denkt dat mensen altijd hun favoriete sportcommentator willen lezen of horen. Ook Kevin Roose twijfelt niet aan het nut van menselijke journalisten, al zullen ze wel meer kwaliteit moeten leveren. En dat kan ook best, denk hij: Ten eerst houden ze tijd over nu ze geen stomme, geestdodende stukjes meer hoeven te maken. En ze kunnen zelf gebruik maken van alle gemaakte data die voorkomen uit de robots en een echt goed stuk maken.

Nieuw werkterrein

Emily Bell ten slotte ziet een nieuw werkgebied waar journalisten snel hun tanden in moeten zetten. Haar oproep: ‘Doe verslag van de technologiesector … alsof het om het parlement zelf gaat. Misschien is er nog wel meer verve en helderheid voor nodig. Het is net zo interessant en wel 10.000 keer belangrijker.’

Aanvullingen

Mis je vragen en antwoorden in dit artikel? Laat het me weten. petra@petraterdoest.nl

    Petra ter Doest is gefascineerd door hoe publiceren verandert. Opeens 'moet' iedereen het, tegelijkertijd heeft niet iedereen de vaardigheden die zij als journalist heeft. Dus traint ze en helpt ze mensen daarbij. En de journalisten dan? Die moeten op zoek naar nieuwe toegevoegde waarde. Ook dat is een spannend proces.