Veel gehate Duitse wetten werden na de bevrijding zo snel mogelijk afgeschaft. Maar in de vijf jaar dat Hitler bij ons de baas was, werden ook besluiten genomen die men na de oorlog eigenlijk niet zo onverstandig vond. Deze Duitse maatregelen bleven gewoon van kracht, soms tot op de dag van vandaag.

STEUN RO

Een andere tijd

Ingevoerd: 15 mei 1940
Afgeschaft: 1946
Heringevoerd: 1977

Op 15 mei 1940 schreven de kranten: “Met ingang van heden is de Duitsche Zomertijd ingevoerd. De klok moet dus 1 UUR EN 40 MINUTEN worden vooruitgezet.” Dat ons land bezet was, merkten de Nederlanders als eerste aan ogenschijnlijk kleine dingen. Bij ons gold sinds 1909 de Amsterdamse tijd, die veertig minuten achterliep bij de Midden Europese Tijd, die Duitsland gebruikte. Omdat bij de Duitsers de zomertijd al was begonnen (bij ons nog niet), moesten de Nederlanders de dag na de capitulatie hun klokken maar liefst 100 minuten vooruitzetten. De dag duurde dus bijna twee uur korter! Nederland kende de zomertijd sinds 1916. Duitsland had hem, na de Eerste Wereldoorlog afgeschaft maar in 1940 heringevoerd als oorlogsmaatregel. Doordat het later donker werd, zou er minder energie gebruikt worden. De zomertijd bleef tweeëneenhalf jaar onafgebroken van kracht, tot 2 november 1942, waardoor het in de winters van 1940/41 en 1941/42 pas om half tien ‘s morgens licht werd. Daarna liep de zomertijd van april tot oktober. Nederland schafte de zomertijd na de bevrijding af op verzoek van de boeren. “De arbeid in den land- en tuinbouw en in de veehouderij zou door een vervroeging van den tijd thans extra worden belast”, heette het. Maar terug naar de Amsterdamse Tijd ging Nederland niet. Want dan zou de klok nog eens 40 minuten extra terug moeten. En dat zou het elektriciteitsgebruik in de avond te veel hebben opgejaagd. (Er was kolenschaarste). Toen Nederland in 1977, na de oliecrisis, opnieuw zuinig met energie moest zijn, kwam de zomertijd terug.

Fietsers van rechts geen voorrang

Ingevoerd:  8 oktober 1941
Afgeschaft:  1 mei 2001

Na de Duitse inval reden er door het benzineverbod nauwelijks nog auto’s op straat. Nederlanders pakten massaal de fiets, wat tot chaos in het verkeer leidde. Op 24 juni 1940 schreef het Algemeen Handelsblad: “Bij voortduring blijkt, dat een groot deel van het Nederlandse publiek in de mening verkeert, dat met het wegvallen van bijna het gehele autoverkeer ook de plicht om de geldende verkeersvoorschriften op te volgen verdwenen is. Fietsers rijden onbezorgd midden op straat, voetgangers steken kris en kras over.” De nieuwe Wegenverkeersregeling, naar Duits voorbeeld, betekent dat fietsers geen voorrang meer hadden op sneller (bedoeld werd: militair!) verkeer. In kranten werd het uitgelegd: “Daar in Duitschland een auto voorrang heeft boven fietsers, is de Duitsche chauffeur niet gewend op van rechts komende fietsers te letten. Voorrang geven dus!” Ook nieuw was het voorsorteren: “Als in Duitschland een voertuig links af wil slaan, dan gaat het tevoren reeds naar den linkerkant van de rijbaan en het verkeer dat rechtuit moet, gaat er rechts langs. In Nederland gaan dergelijke voertuigen zich rechts van de rijbaan opstellen om te wachten.”

Na de oorlog waren de Nederlanders zo aan de nieuwe verkeersregels gewend, dat ze gehandhaafd bleven. Sinds 1 mei 2001 hebben fietsers van rechts weer voorrang. Mits het van links komende verkeer niet op een voorrangsweg rijdt uiteraard!

Kinderbijslag

Ingevoerd: 1 januari 1941
Afgeschaft: nooit

De Duitsers wilden in de eerste bezettingsjaren hun menselijke gezicht tonen. Daarom werden een aantal populaire regelingen ingevoerd zoals de kinderbijslag (voor werkenden) vanaf het derde kind (jonger dan 15 jaar). Hoewel een kinderbijslagswet al voor de oorlog in de maak was, verschilde de Duitse maatregel van de Nederlandse wetsvoorstellen, vooral op het gebied van financiering. Het doel van beide regelingen was echter gelijk: het stimuleren van het aantal geboortes. Maar anders dan in nazi-Duitsland kwam er in Nederland geen onderscheiding voor vrouwen met veel kroost. Na 1945 kregen ouders ook voor hun eerste en tweede kind een financiële vergoeding. Tot 1995 liep de bijslag op bij elk nieuw geboren kind, waardoor het hebben van grote gezinnen financieel voordelig was. (Tegenstanders spraken van een ‘fokpremie’). Caraïbisch Nederland (Bonaire, Sint Eustatius en Saba) kent pas sinds 2016 officieel kinderbijslag. Daarvoor was het een belastingvoordeel onder de naam ‘kindertoeslag’.

Verplicht ziekenfonds

Ingevoerd: 1 november 1941
Afgeschaft: 1 januari 2006

Nog zo’n sociale maatregel was het verplichte ziekenfonds. Ziekenfondsen bestonden in Nederland al vanaf eind 18e eeuw, maar deelname was niet verplicht en de toelatingseisen waren streng. Zodoende zat eind 19e eeuw slechts 10% van de Nederlanders bij een ziekenfonds. De Duitsers bepaalden dat elke werknemer onder een bepaalde inkomensgrens zich moest aansluiten bij een ziekenfonds en zo verzekerd zou zijn tegen hoge medische kosten. Er was ook een economisch motief: zonder verplichte premieafdracht hadden Nederlanders een concurrentievoordeel en konden zij goedkoper produceren dan Duitse werknemers! Met het Ziekenfondsenbesluit 1941 steeg het aantal ziekenfondsverzekerden in Nederland van 45% naar 63%. De rest van de werkenden was particulier verzekerd. Deze verhouding zou min of meer zo blijven tot 2006, toen de ziekenfondsverzekering en particuliere verzekering werden vervangen door een centrale basisverzekering voor iedere Nederlander.

Friese waddeneilanden

Ingevoerd: 1 september 1942
Afgeschaft: nooit

Dat het uitgestorven dialect van Vlieland vooral op de dialecten van Texel en Noord-Holland leek, is geen toeval. Tot 1942 hoorde het Waddeneiland namelijk bij de provincie (Noord-)Holland, net als Terschelling. Friese nationalisten zagen na de Duitse inval hun kans schoon. Zij zochten naar ‘een historische rechtvaardiging’ om Vlieland en Terschelling bij Friesland te voegen, schrijven Jan Houter en Anne Doedens in hun Geschiedenis van Vlieland. ‘Men vond die in het gegeven, dat [Vlieland] al van 1807 tot 1813 tot Friesland behoord had. Onzinnige ras- en taaloverwegingen moesten de casus voor provinciale herindeling versterken.’ 8 Rijkscommissaris Seyss Inquart was genoeg overtuigd om Vlieland en Terschelling bij Friesland te voegen. Los van nationalistische argumenten zat in dat besluit wel logica. Door de komst van de Afsluitdijk in 1932, die veel Noord-Hollandse havens van open zee had afgesloten, waren de eilanden al veel meer op Friesland dan op Noord-Holland gericht geweest. Zo vielen Vlieland en Terschelling onder de rechtbank van Leeuwarden en werden beide eilanden bevoorraad vanuit Harlingen. Na de oorlog werd de Duitse herindeling niet teruggedraaid. Vlieland en Terschelling waren het hiermee eens, mits Friesland maar dezelfde financiële bijdrage betaalde als Noord-Holland had gedaan! En dus werden beide eilanden Fries. Maar Vlieland is niet tweetalig, zoals de rest van de provincie.

Kijk- en luistergeld

Ingevoerd: 1 januari 1941
Afgeschaft: 1 januari 2000

Tot de oorlog werden radio-uitzendingen betaald uit de contributie van de leden van de omroepverenigingen. Wie geen lid was, kon dus ‘gratis’ luisteren. Eind 1940 voerden de Duitsers een verplichte omroepbijdrage voor radiobezitters van 9 gulden per jaar. Na de oorlog werd deze maatregel gehandhaafd. Vanaf 1956 kwam daar kijkgeld bij voor televisie. Niet elke Nederland betaalde zijn verplichte omroepbijdrage van harte. „Na het overzien van de die treurige verzorging van onze televisieprogramma’s in de laatste tijd is toch de vraag gerechtvaardigd wat er met mijn f 30.– kijkgeld wordt uitgevoerd”, aldus een brief in de Telegraaf van 4 september 1956. Deze klacht zou tot het einde van het kijk- en luistergeld steeds opnieuw weerklinken, vooral als de verplichte bijdrage weer eens werd verhoogd. Voor sommigen was het ‘bedroevende niveau’ van de Hilversumse omroepen reden tot een boycot. Anderen waagden de gok om ‘zwart’ te kijken. Maar wie geen kijk- en luistergeld betaalde (begin jaren negentig waren dat naar schatting zo’n 400.000 gezinnen), riskeerde een boete van maximaal 5000 gulden. Met dreigende tv-spotjes – ‘Kijk je zwart dan zit je fout’ – probeerde de overheid zwartkijkers angst aan te jagen. Maar hoger dan een paar honderd gulden was de straf doorgaans niet. Het in beslag nemen van toestellen behoorde na de jaren zestig tot het verleden en ook werd er geen celstraf meer geëist. Maar een zwartkijker die in 1986 in een ruzie over de omroepbijdrage een controleur neerstak, moest vijf jaar de cel in. Sinds 2000 wordt de publieke omroep uit de belasting betaald en betaalt iedereen dus mee. Ook wie nooit radio luistert of naar NPO 1, 2 of 3 kijkt!

Zwemdiploma’s

Ingevoerd: 15 oktober 1943
Afgeschaft: nooit

Vanaf het moment dat er zwemclubs in Nederland waren, in de tweede helft van de 19e eeuw, werden er zwemdiploma’s uitgereikt. Maar elke vereniging stelde eigen eisen. De Duitsers voerden tien uniforme diploma’s in. Er kwamen vaardigheidsdiploma’s, waarbij de zwemmer meer moest kunnen dan daarvoor. Ook werd schoolzwemdiploma’s voor oudere leerlingen ingevoerd en er kwam een diploma voor reddend zwemmen. Want: “ledere zwemmer moet ook redder kunnen zijn en moet dus trachten het reddersdiploma te behalen”, aldus de voorzitter van de Nederlandse Zwem en Reddingsbond in 1942. Nederlanders waren fanatieke zwemmers en dat veranderde niet tijdens de oorlogsjaren. Kranten publiceerden namen van geslaagden voor het zwemexamen en besteedden aandacht aan bijzondere prestaties. Zo viel op 14 juli 1943 te lezen: “De 15-jarige J. de Vos te Laren (N.-H.), die eenige jaren geleden een been heeft moeten missen, heeft thans, na een oefentijd van nog geen maand, het diploma B van den Nederlandschen zwem- en reddingshond behaald.” De minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen nam de Duitse zwemdiplomaregeling in mei 1946 nagenoeg ongewijzigd over.

Identificatieplicht

Ingevoerd: 1 november 1940
Afgeschaft: eind jaren 40
Heringevoerd:  1 juni 1994

Hoewel Nederland in 1813 een paspoortwet invoerde, hadden maar weinig mensen zo’n officieel document. In april 1941 voerden de Duitsers het Persoonsbewijs in voor alle Nederlanders boven de dertien jaar. Het document, ontworpen door de Nederlandse ambtenaar Lentz (na de oorlog veroordeeld tot drie jaar cel), gold als het veiligste van Europa. Het lukte het verzet nooit het goed na te maken. Loe de Jong noemde het Persoonsbewijs “een onmisbaar hulpmiddel voor het vervolgingsbeleid van de Duitse bezetter”.

Hoeveel ellende het Persoonsbewijs tijdens de oorlog ook had veroorzaakt, bij Koninklijk Besluit van 17 september 1944 werd besloten dat de ‘maatregelen met betrekking tot de invoering van een als algemeen identiteitsbewijs geldend Persoonsbewijs’ voorlopig zouden worden gehandhaafd. De facto bleef de identificatieplicht hiermee van kracht. Dit leverde onduidelijkheid op. Is ons Persoonsbewijs nog geldig? vroeg de Provinciale Drentsche en Asser courant zich eind 1946 af. “Zou de politie het eischen, dan zou zij daartoe zeker het rechte hebben”, aldus het hoofd van de Inspectie van de Bevolkingsregisters. “Edoch het is niet denkbaar, dat een politieambtenaar dit zal eischen, daar hij zelf maar al te goed weet, dat er teveel vervalschingen in omloop zijn.” In de jaren vijftig kregen alle Nederlanders een nieuw paspoort dat vijf jaar geldig was, maar niet verplicht hoefde te worden gedragen. Decennialang bleef een ‘identificatieplicht’ taboe. Pas in 1994 bepaalde de regering dat elke Nederlander zich moet kunnen legitimeren. Maar alleen in het geval van gegronde verdenking. Het gaat om een toonplicht, geen draagplicht. Zo wordt onwenselijke associaties met het ooit zo gehate Persoonsbewijs voorkomen.

Waardeer dit artikel!

Dit artikel las je gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je jouw waardering laten zien door een kleine bijdrage te doen.

Zie hier voor meer informatie!

Mijn gekozen waardering € -
Rutger Vahl (1972) is journalist en biograaf. Hij schrijft vooral over boeken, popmuziek, geschiedenis en de combinatie van die drie. Hij publiceerde ‘Cornelis Vreeswijk. De blues tussen Stockholm en IJmuiden’ (Nijgh & Van Ditmar, 2014), ‘Wally Tax. Leven en lijden van een outsider’ (Nijgh & Van Ditmar, 2015), 'Xandra Brood. Rock 'n' roll widow' (Nijgh & Van Ditmar, 2016), 'Laurie Langenbach. Brieven, dagboeken en een geheime liefde' (De Arbeiderspers, 2017) en ' Nu weet ik het zeker, ik hou van George Baker' (Nijgh & Van Ditmar, 2018). Momenteel werkt hij aan de biografie van Herman Brood.