De Groninger publicist Johan van Gelder schrijft al jaar en dag over de Tweede Wereldoorlog. Vooral het Joodse thema is voor hem belangrijk, omdat zijn familie daar onderdeel van is geweest. In eigen kring werd daar niet of nauwelijks over gesproken.

STEUN RO

Dit artikel lees je gratis. Als het bevalt kun je onderaan een kleine bijdrage doen, zodat ik dit soort artikelen kan blijven schrijven

Zijn interesse werd geprikkeld, toen iemand in het buitenland hem vroeg wie zijn overgrootvader was en hij het antwoord schuldig moest blijven. In feite wist hij niets over de achtergronden van zijn familie.

Met Dodenherdenking in aantocht denkt hij terug aan eind jaren negentig, toen hij na de nodige omzwervingen terugkeerde naar zijn geboortestad Groningen. In zijn geheugen stond nog steeds de naam Izak geprent, zijn overgrootvader die hij nooit had gekend en die borg bleek te staan voor een eeuwenoude geschiedenis.

Hij kwam erachter dat Izak lag begraven op de Joodse begraafplaats in Groningen en met hem er nog meer familieleden lagen. Hij begon steeds meer voor hem te leven, toen hij ontdekte dat hij een natuurlijke dood was gestorven, maar zijn vrouw Betje Abrahams met een groot aantal kinderen was achtergebleven en met een fruithandel inkomsten probeerde te vergaren.

Haar leven kreeg een extra dimensie, toen bleek dat zij op bejaarde leeftijd tijdens de Tweede Wereldoorlog vanuit haar woning aan de Hardewikerstraat was gedeporteerd en vermoord in Theresienstadt.

Van Gelder kwam steeds meer te weten, toen hij de stamboom begon te ontrafelen en vele uren doorbracht op het Rijks – en Gemeentearchief. Hij interviewde vele overlevenden in binnen – en buitenland. Dat leidde tot ruim twintig publicaties.

In samenwerking met verre familieleden in Argentinië en de Verenigde Staten ontstond er een stamboomboek met 7700 familieleden die verspreid over de wereld leefden. Er waren echter ook vele donkere bladzijden van familieleden, die in de Duitse vernietigingskampen in Oost-Europa waren vermoord. En werden complete gezinnen uitgeroeid. Dit drama heeft Van Gelder hoewel hij als publicist gewend is zo objectief en abstract mogelijk verslag te doen emotioneel wel geraakt en tot een groot onbegrip geleid wat mensen elkaar kunnen aandoen.

Met zijn onthullingen heeft Van Gelder voor de nodige beroering gezorgd. Zijn boek ‘De Papieren Oorlog’ leidde tot landelijk nieuws, toen hij in het archief van de burgemeester de lijsten vond van de Politie Opsporing Dienst (POD) met namen van verdachte Groningers die met de Duitsers hadden geheuld. Dat werd hem in zoverre kwalijk genomen, dat het om vuile lijsten ging, waarop dan wel verdachten stonden, maar die nog niet waren veroordeeld. Die kritiek onderving Van Gelder door te stellen dat dat ook geen voorwaarde is geweest om de lijsten niet te publiceren, omdat zo ook het werk van de POD kon worden beoordeeld.

Maar volgens Van Gelder waren er ook schone lijsten met de namen van NSB’ers en ‘foute’ politieagenten, die hadden meegeholpen de Joden uit de stad te verdrijven. De rol van burgemeester Cort van der Linden is volgens Van Gelder onderbelicht gebleven. Hij mocht dan wel niet ‘fout’ zijn geweest, wel werkte hij te lang mee om de anti-Joodse maatregelen door te voeren in zijn stad en was het te veel eer om hem in het ‘Gulden Boek’ van de gemeente Groningen te vermelden.

In de hoeveelheid informatie haalden de media er volgens de schrijver een vermeende verzetsvrouw uit, die een Joods jongetje zou hebben gered uit het ziekenhuis. Zij was lid van de NSB geweest en dat zou als dekmantel hebben moeten werken.

Volgens Van Gelder wordt bij dit verhaal vergeten, dat de vrouw twee andere jongetjes niet heeft gered. Zij kreeg een medaille voor haar verzetsdaad, maar de ambassade van Israël heeft hem destijds laten weten dat als bekend was geweest dat zij lid was geweest van de NSB zij die medaille niet zou hebben gekregen.

De Dodenherdenking is voor Van Gelder een schijnvertoning geworden, toen hij zag hoe het gemeentebestuur van Groningen een krans legde bij het Joods moment om de slachtoffers van de Holocaust te gedenken. Juist omdat de gemeente zelf had meegewerkt aan de deportaties en dat nooit heeft willen erkennen.

Dat gebeurde pas 75 jaar na dato toen premier Rutte vorig jaar zijn excuus aanbood en burgemeester Koen Schuiling van de gemeente Groningen in zijn voetsporen trad. Rijkelijk laat, zo was de algemene opvatting.

Ook ontdekte hij dat veel mensen naar een stuk steen keken en geen flauw benul hadden wie die mensen nou eigenlijk zijn geweest waren, die met behulp van de Nederlandse bureaucraten waren vermoord.

Om het steen te laten veranderen in mensen besloot Van Gelder alle namen van vermoorde Joodse Groningers in de gemeente Groningen in een boek te zetten. Het boek kreeg als titel ‘De vernietiging, Ieder mens heeft een naam’ mee. En die naam is het laatste nog wat er over is. Een graf ontbreekt.

Om die herinnering aan de uitgeroeide Joodse gemeenschap levendig te houden, heeft hij het initiatief genomen in de Folkingestraat een struikeldrempel te laten leggen door de Duitse kunstenaar Gunter Demnig, die is bedoeld voor alle Joden in Groningen, die de oorlog niet hebben overleefd en in het bijzonder de familie Van Gelder. De drempel, de enige in Nederland, is in het trottoir gelegd voor de woning van Rachel de Groot-Van Gelder, die vandaar is afgevoerd en vermoord in Sobibor. Vele Stadjers zagen daar overigens het laatste levenslicht. De drempel is volgens Van Gelder een litteken in de geschiedenis van Nederland.

Schrijven over de Joodse geschiedenis heeft Van Gelder af en toe in een lastig parket gebracht. Dat uitte zich in (dreigende) rechtszaken en negatieve reacties onder meer vanuit het bestuur van de Nederlands-Israëlitische Gemeente en de niet-Joodse Stichting Folkingestraat Synagoge, die de synagoge als cultuurcentrum exploiteert in de strijd tegen antisemitisme.

Het kwam zover dat er een vloek over de boeken van Van Gelder werd uitgesproken en Folkingestraat Synagoge met een stem verschil besloot zijn boek over het honderdjarig bestaan van de synagoge in 2006 niet in de winkel te leggen.

Volgens Van Gelder is de Tweede Wereldoorlog lange tijd een taboe geweest in die kringen en was men het er niet mee eens dat die zou worden doorbroken. Zijn boek over het eeuwfeest van de synagoge zorgde voor een diepgaand conflict met het bestuur van de Nederlands-Israëlitische Gemeente, dat wraak nam op een boek waar het een financiële bijdrage voor beschikbaar stelde om de uitgave mogelijk te maken.

De kiem daarvan lag in het feit dat de secretaris een beveiliger in het oor fluisterde de tas van zijn vrouw te inspecteren om te kijken of daar boeken in zouden liggen. Dat gebeurde en public tijdens de receptie. Op de vraag waarom hij dat deed, antwoordde de man dat er sprake zou zijn van een ‘dispuut’. Iets wat nooit met Van Gelder was besproken. Bij navraag ontkende het bestuur die opdracht te hebben gegeven, terwijl dat toch met eigen ogen was waargenomen. De vlam sloeg in de pan.

Het bestuur royeerde hem als lid. Van Gelder zegt: ‘De opperrabbijn vertelde mij dat de toon van het boek het bestuur niet zou hebben bevallen. Maar dat is vreemd, want alleen de opperrabbijn heeft inzage gehad in het manuscript, omdat hij had toegezegd een voorwoord te zullen schrijven.’

Het conflict heeft volgens Van Gelder het wanbeleid van het bestuur blootgelegd. Het bestuur zette de leden buitenspel en lokte een juridische procedure uit. Het bestuur onttrok ruim twintigduizend euro aan de gemeentekas en besloot de kerkelijke belasting voor de leden te verhogen en verantwoordde zich pas jaren later voor zijn daden, waarbij het zichzelf indekte.’

‘De schuld wordt bij mij neergelegd’, zegt Van Gelder, maar het zou beter zijn als het bestuur de hand in eigen boezem zou steken en was opgestapt. De manier waarop het bestuur ‘onpersoonlijk en onjoods’ optreedt en de zwartmakerij waaraan het zich bezondigt, vindt Van Gelder niet representatief voor een Nederlands-Israëlitische Gemeente met een Holocaustgeschiedenis. Het gaat naar zijn mening sowieso al niet goed met de NIG Groningen. De cijfers die bij de Belastingdienst zijn opgegeven als Algemeen Nut Beogende Instelling kleuren rood. En dat geldt ook voor andere Joodse gemeenten in Nederland.

‘Als publicist moet je voorzichtig zijn om lid te zijn van wat voor instelling dan ook, want het kan ook tegen je worden gebruikt. Maar de vrijheid van meningsuiting vind ik toch wel wat belangrijker dan het lidmaatschap van wat dan ook.

Dit royement is uniek in de 277 jaar dat de Nederlands-Israëlitische Gemeente officieel bestaat. Er is weleens iemand met een gebedenboek op zijn hoofd geslagen, maar een royement stond nog niet vermeld in de archieven. Hoe dank ook. Je blijft lid van een gemeente, omdat dat is gebaseerd op je identiteit en niet op je talenten, een zakelijk geschil, of dat je een advocaat, hoogleraar, schoenenhandelaar of putjesschepper bent, of homo of lesbisch. Wat dat laatste betreft ook niet in orthodox Nederland.

Het bestuur manifesteerde zich volgens een Tweede Kamerlid met een bestuurlijke achtergrond in de Joodse gemeenschap die ik heb gesproken hierover als ‘krankzinnig en idioot’.

Van Gelder: ‘Helaas wordt hierin ook de corruptie van een opperrabbijn aangetoond die meent dat het stemrecht ook ingeleverd kan worden, omdat er toch nauwelijks wordt vergaderd. Met een dergelijke uitspraak roept hij een associatie op met een NSB’er, die zijn kiesrecht heeft verloren. Op de as van de familieleden is dat werkelijk buiten de orde en is zo’n man niet meer dan een schertsfiguur De schande die er ook uitspreekt is, dat hij een bestuur steunt dat ouders onder druk wil zetten door de schoolrabbijn in te fluisteren de kinderen geen Joods onderwijs meer te geven.’

Een (gezins) royement vindt Van Gelder een teken van zwakte van een amateuristisch bestuur, dat naar dat middel grijpt. Zeker als het zich de absolute macht toe-eigent door zich te beroepen op artikel 60 dat stelt dat een bestuur beslissingen mag nemen, waarin het reglement niet voorziet en iemand zijn stemrecht zou kunnen ontnemen.

‘Met leugens en verdraaiingen kun je zo misbruik maken van je religieuze macht. En dan jezelf op de borst kloppen met een Koninklijke Onderscheiding. Het nadeel is dat zoiets vertekend, onvolledig en onzorgvuldig in de rechtsliteratuur terechtkomt. Zoiets blijft ook kleven aan een ellendige oorlogsgeschiedenis, waar we op 4 en 5 mei bij stilstaan. Het schrijven zal ik er echter niet om laten. Daar hoort ook mijn eigen sores bij.’ Zo besluit hij.

 

Waardeer dit artikel!

Dit artikel las je gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je jouw waardering laten zien door een kleine bijdrage te doen.

Zie hier voor meer informatie!

Mijn gekozen waardering € -