Minder, minder, minder? Niet in tijdschriftenland.

STEUN RO

Vorige maand nam onze plaatselijke Bruna-uitbater afscheid. Na 40 jaar had hij het wel gezien. Eén van de dingen die hij gezien had, was de enorme groei van het tijdschriftenschap: van enkele tientallen naar honderden tijdschriften.

Dat is curieus nieuws voor wie de saneringsplannen gevolgd heeft: Sanoma, Audax, Weekbladpers en ANWB stoten titels af. Oplages dalen en de overblijvers vervangen vaste redacteuren door freelancers. Meer tijdschriften? Het lijkt vooral minder, minder en minder.

Verspreide oplage

In 2013 lieten 216 publiekstijdschriften hun verspreide oplage meten door het HOI, dus inclusief gratis titels en inclusief de gratis oplage van betaalde tijdschriften (over de betaalde oplage hebben we het verderop). In 2000 waren dat er 189 – wat op een kleine toename in 2013 duidt (+27), maar die schijn bedriegt. Het is namelijk een komen en gaan van titels. Totaal kwamen er tussen 2000 en 2013 zo’n 450 titels op de markt; de helft heeft in de afgelopen jaren het loodje gelegd. Van de 216 tijdschriften uit 2013, bestond de helft in 2000 nog niet.

Terwijl het aantal titels steeg, is de oplage met een kwart afgenomen. In dit geval rekenen met de jaaroplage (gemiddelde oplage maal het aantal verschenen nummers) om de vergelijking tussen titels mogelijk te maken. Autoweek en Beau Monde hebben allebei een verspreide oplage per nummer van ruim 70.000 in 2013 maar de jaaroplage van Autoweek (3,7 miljoen) is hoger dan die van Beau Monde (1,2 miljoen).

De totale jaaroplage in 2000 was 640 miljoen (189 titels, gemiddeld per titel 3,3 miljoen), in 2013 ging het om 470 miljoen (216 titels, gemiddeld 2,2 miljoen per titel). Het hoogtepunt van de oplage lag in 2003 toen de jaaroplage bijna de grens van 800 miljoen haalde. De verspreide jaaroplage van Autoweek en Beau Monde was in 2000 dan ook fiks hoger: 6,8 miljoen voor Autoweek, 2 miljoen voor Beau Monde.

De titels in 2013 meer concurrentie dan in 2000, en hun oplage is lager. In die verspreide oplage zitten sponsored magazines als Allerhande maar ook het gratis deel van de oplage van betaalde bladen. Hoe zit het dan met die betaalde oplage?

Betaalde oplage

De betaalde oplage daalt permanent vanaf 2000. Toen ging het om een jaaroplage van ruim 600 miljoen, in 2103 was dat gedaald met ruim 40 procent tot 350 miljoen. De tijdschriftsector lijkt de teruggang in betaalde oplage te compenseren door het uitbrengen van gratis bladen en het opschroeven van de gratis oplage. Nu brengen gratis bladen ook advertentiegeld op, maar dus geen lezersinkomsten.

Als we kijken naar hoe de gemiddelde betaalde jaaroplage per titel zich ontwikkelt, worden de problemen pas echt zichtbaar. In 2000 was dat 3,4 miljoen; in 2013 de helft daarvan: 1,7 miljoen. Autoweek ging van een gemiddelde betaalde oplage per nummer van 128.000 naar 71.000; Beau Monde ging van 149.000 naar 52.000.

De lezer heeft er de afgelopen decennia veel opties bijgekregen: internet, smartphones, tablets, digitale tv met tientallen kanalen. Maar die lezer heeft nog steeds maar één portemonnee en niet meer dan 24 uur per dag – en dan moet er ook nog een geslapen en gewerkt worden.

Tijdschriften zoeken het vooral in kostenbeheersing: een lagere overhead en een kleine kernredactie aangevuld met een legertje freelancers. Maar de vraag is of dat genoeg is. Het schap is nog steeds overvol.

    Lector Piet Bakker analyseert ontwikkelingen in de mediawereld.