Ooit heette de telefoon in de volksmond lulijzer. Maar de telefoon wordt steeds minder gebruikt voor mondelinge communicatie. Dataverkeer verdringt de menselijke stem. Dat roept filosofische vragen op.

STEUN RO

De afgelopen vijf jaar heeft er een stille revolutie plaatsgevonden, op straat, in het zakelijk verkeer en in de sociale wereld. De mobiele telefoon heeft de samenleving volledig in haar greep, maar wie belt er tegenwoordig nog echt? En dan bedoel ik om eens uitgebreid met iemand van gedachten te wisselen. De mobiele telefoon is populairder dan ooit, maar steeds minder vanwege de functie waarvoor zij oorspronkelijk is uitgevonden. Dat zouden de uitvinders van het spraakapparaat dat ‘telefoon’ ging heten anderhalve eeuw nooit vermoed hebben.

Het dataverkeer heeft het mondelinge telefoongesprek overschaduwd. Het is opvallend dat over dat proces niet eens zo veel cijfers bestaan. Wel over de toename van het mobiele dataverkeer. Dat zal in 2018 190 maal de omvang hebben van wat het hele internetverkeer in 2000 bedroeg, volgens een voorspelling van Cisco. Het aantal 'gewone gesprekken' blijft ongeveer gelijk, blijkt uit onderzoek van het CBS en ACM (Autoriteit Consument & Markt). Vooral jongeren bellen elkaar steeds minder.

 De telefoon is een schrijf- en kijkding geworden, steeds minder een praatding.

Dat is sinds de komst van 4G nog sterker geworden. Als je met tientallen mensen tegelijk de communicatie moet onderhouden, meestal via de sociale media en andere internetberichtendiensten, ga je niet al te veel tijd steken in tijdrovende telefoongesprekken. De telefoon is een schrijf- en kijkding geworden, steeds minder een praatding; 53 procent van het huidige mobiele dataverkeer bestaat uit video's. Sterft het telefoongesprek straks uit naarmate de generatie die nu nog regelmatig naar de telefoon grijpt uitsterft?

In de trein

Die veranderingen hebben sociale consequenties. In de eerste plaats is de openbare ruimte er nu al door veranderd. Vergelijk de situatie van heden in een gemiddelde forenzentrein met die van vijf tot zeven jaar geleden. Het is tegenwoordig stil in de trein; passagiers staan, zitten of hangen met neerwaarts gerichte blik, de telefoon in de hand en de duimen druk bewegend of vegend met de wijsvinger. Slechts een enkeling praat. Rond 2005 was dat geheel anders. Toen praatte iedereen met opwaartse of horizontale naar buiten gerichte blik, terwijl een enkeling te midden van alle geklets probeerde te lezen. En wat voor de trein geldt, geldt voor de openbare ruimte in het algemeen: het is er een stuk minder lawaaierig geworden.

Wat voor de trein geldt, geldt voor de openbare ruimte in het algemeen: het is minder lawaaierig geworden.

Wat je ook nog zelden ziet zijn mensen die over straat met luid misbaar door hun telefoon lopen te foeteren of gewoon druk in privégesprek zijn verwikkeld. Ja, ze zijn er wel, maar meestal hebben ze dan een oortje in. En er zijn van die straatbellers in elk geval een stuk minder. Moeders achter kinderwagens, scholieren op de fiets, automobilisten aan het stuur – die zie je wel veel. Maar hun praten is vervangen door kijken. De fatsoenlijkheiddrempel om je smartphone in gezelschap te gebruiken is volgens mij ook verlaagd. Nu er geen gesprekken hardop gevoerd hoeven te worden, maar alleen berichtjes doorgegeven, mag dat. Iedereen doet het..

Lulijzer

Ooit heette de telefoon, in de streek waar ik vandaan kom althans, ‘lulijzer’. Dat ‘ijzer’ was bij wijze van spreken, de term duidde  op de stevige omvang van het apparaat. Ik kan me vriendjes herinneren van wie de moeder, lulijzer aan het oor, altijd op het bankstel zat geplakt als je bij hen thuis kwam, zuchtend van empathie (‘Ja Toos, het is toch wat!’) of luid schaterend, al naar gelang haar karakter. Ze zaten daar nog, als je na een uurtje spelen weer weg ging. Zelf maakte ik mijn wiskundesommen wel per telefoon, in overleg met een slim vriendje. Zolang je maar lokaal belde kostte dat helemaal niets. En wie herinnert zich nog de babbelboxen, waar je als eenzame om een praatje verlegen zittende ziel terecht kon en de exploitant een fortuin bezorgde?

Auteursrechtenbureaus moeten kapitalen verdienen met het innen van gelden voor wachtmuziekjes.

Een tweede ontwikkeling is dat in de zakelijke wereld het telefoongesprek ver naar de achtergrond is gedrongen. De meeste communicatie gaat per e-mail. Helpdesken en klantenservice-afdelingen proberen directe bellers zoveel mogelijk van het lijf te houden. Auteursrechtenbureaus verdienen kapitalen met het innen van gelden voor wachtmuziekjes. De kans dat je direct verbonden wordt met een medewerker is maar heel klein. Elk bedrijf heeft zijn lijst met FAQ's, de meeste gestelde vragen. Dat scheelt weer dure arbeidskrachten die steeds hetzelfde moeten uitleggen over de telefoon. Maar jou bellen ze wel  De telefonische colportage is een van de plagen van deze tijd. 

Hoofdrolspeler

Op kantoren en krantenredacties was de telefoon lange tijd de hoofdrolspeler. Telefoons rinkelden de hele dag en maar zelden vond je een collega die niet aan het toestel zat vastgekleefd. Velen hadden zelfs speciale beugels die op de schouder gezet konden worden om de hoorn te ondersteunen, zodat het hoofd niet scheef op de romp kon groeien van al dat gebel. Journalistieke verslaggeving ging voor een groot deel per telefoon, het andere deel speelde zich ter plaatse af. Dat is totaal anders geworden. Veel journalisten opereren per mail. Voorlichtingsorganisaties en woordvoerder mailen of twitteren hun quotes door, wat voor hen grote voordelen heeft (controle op de tekst) en het de journalist die in tijdnood verkeert erg makkelijk maakt. Iemand direct bellen zodat je wat doorvragen kunt wordt moeilijker en moeilijker.

Op het toneel is het halve telefoongesprek een beproefd middel in komedies.

In films en televisieseries zijn de veranderingen inmiddels ook doorgedrongen. Telefoongesprekken werden in het verleden nogal eens gebruikt om middels halve dialogen nieuwe ontwikkelingen in de plot te laten zien. ‘O schat, moet je weer overwerken vanavond? Dat is al de derde keer van de week! Wat jammer nou.’ Op het toneel is het halve telefoongesprek een beproefd middel in komedies. Bijvoorbeeld bij het laatste dialoogje, wanneer de huisvriend van het echtpaar naast de telefonerende echtgenote staat met zijn broek op de enkels. Maar dit is ouderwetse beeldtaal aan het worden. Het sms-je en whatsapp-je hebben in actuele tv-series het mondelinge telefoongesprek al verdrongen.

Gutenbergtijdperk

Zal na de geschreven brief het gewone, intermenselijke telefoongesprek ook steeds meer naar de achtergrond gedrongen worden? Het lijkt erop. De vraag is in elk geval voer voor speculanten. Filosofisch gezien zit er een interessante kant aan. Sinds Socrates is het levende gesprek een onderwerp van belang. Dat weten we omdat Plato die levende gesprekken – paradoxaal genoeg – opschreef, wat weer aanleiding vormde voor een scherp debat over het belang van het geheugen en de menselijke ontmoeting.

De grote mediasocioloog uit de jaren zestig Marshall McLuhan voorzag met de doorbraak van de electronische media ook een hernieuwing en revitalisering van de orale cultuur ten opzichte van wat hij het Gutenbergtijdperk noemde.
Dat Gutenbergtijdperk is inderdaag wel voorbij. Maar of de directe en levendige communicatie daarbij wint is de vraag. Gelezen wordt er misschien meer dan ooit, maar de menselijke stem verliest zijn reikwijdte steeds meer. McLuhan’s droom is niet uitgekomen. Op vele websites is onder de aanduiding ‘contact’ vaak alleen nog een emailadres te vinden.

Dr. Jan-Hendrik Bakker, journalist en filosoof. Specialist in media, literatuur en de moderne stedelijke cultuur waaronder architectuur en ruimtelijke ordening. Was in het verleden verslaggever bij het AD, criticus voor de GPD-bladen en won de Jan Hanlo Essay Prijs Klein 2007. Auteur van de boekenŒ 'GrondŒ' enŒ 'Welkom in Megapolis'.