De voortdurende koppeling van topsport aan volksgezondheid en leefstijl zorgt voor een bedenkelijk collectivistisch sfeertje.

STEUN RO

Ik ben een geoefend lezer, maar bij het zoeken in het gloednieuwe rapport Een sportiever Nederland (SCP/RIVM) raakte ik bijna geblesseerd door het vele klikken met de muis. Het SCP verpakte zijn rapporten altijd in een keurig PDF-document, met een inhoudsopgave, literatuurlijst en alle andere attributen die je het gevoel gaven in een wetenschappelijke publicatie te bladeren. Maar sinds kort moet je je op een speciale website een weg banen door een labyrint aan hoofdonderwerpen, subthema’s, uitklapmenu’s, scenario’s en perspectieven. Hopelijk blijft het bij een eenmalig experiment en mogen we straks weer gewoon verwijzen naar pagina zo- en zoveel.

Gelukkig stonden her en der op de website behulpzame oranje kadertjes. “Doordat Nederland op het gebied van economische groei en bevolkingsgroei achterblijft bij de concurrentie zal het lastig zijn om de top 10-positie te behalen en te behouden.” Het gaat dan om de top 10 van succesvolle sportlanden. Andere journalisten hebben die kadertjes kennelijk ook gezien, want overal las ik onheilstijdingen. Er is “meer geld en aandacht nodig” (de Volkskrant) anders “dreigt Nederland weg te zakken” (NOS) en dan “keldert Nederland in 2030 op medailleladder” (RTL Nieuws).

Ondanks de aanhalingstekens kon ik deze ronkende citaten niet in het rapport vinden. Hier wreekt zich dus het gebrek aan paginanummers, hoewel de collega’s van bovenstaande nieuwsorganisaties natuurlijk ook een linkje hadden kunnen plaatsen. Maar goed, ik wil geen zuurpruim zijn en bovendien gaat dit stukje over gefnuikte sportieve ambities en niet over journalistieke normen.

Medaille-megalomanie

In de reacties valt mij op dat niemand vraagtekens plaatst bij de top 10-ambitie als zodanig. Waar komt die ambitie eigenlijk vandaan? Voor zover ik weet, wordt die megalomane doelstelling voor het eerst genoemd in een rapport van NOC*NSF uit 2010, getiteld Nederland in de top 10.

In 2010 mikte NOC*NSF op 37 medailles voor de Olympische Zomerspelen in 2012 en maar liefst 57 plakken in 2016. Voor wie het vergeten is: in Londen behaalde Nederland 20 medailles en in Rio de Janeiro 19. Als NOC*NSF de doelstelling voor Tokio wil halen (82) en de eerder opgelopen achterstand ongedaan wil maken, dan moet Nederland daar 137 medailles winnen. Dat lukt alleen als Kim Jong-un een nucleaire oorlog begint en Nederland als enige Westerse land zo gek is om naar Tokio af te reizen.

Maar NOC*NSF laat zich niet verblinden door het eremetaal. Omdat de sportkoepel dit voorjaar onmogelijk de signatuur van het nieuwe kabinet kon voorspellen, wordt het medaillestreven in dienst gesteld van een eclectische mix hogere doelen die zo uit de verkiezingsprogramma’s van politieke partijen lijken te komen: “Topsporters inspireren Nederlanders om het beste uit zichzelf zelf te halen. Zorgen voor trots en verbinding in de samenleving en topsporters dragen Nederland op een positieve manier uit in de wereld. (…) Als iedereen geniet van sport zorgt dat voor een sterker Nederland. Een fysiek, mentaal, economisch en sociaal sterk Nederland met alle voordelen van dien, zoals sociale cohesie, gezondheid, tolerantie, een vitale samenleving en internationaal aanzien.”

Van mij krijgt NOC*NSF alvast een medaille voor de prestatie om in slechts een paar zinnen iedere politieke partij een veer in de kont te steken. Je moet als politicus wel een hart van steen hebben als je niet week wordt van zo veel maatschappelijke betrokkenheid. Maar ik krijg er een ongemakkelijk gevoel van. Als individu ben ik graag gezond, vitaal en sterk, maar als de hele samenleving daarnaar streeft, vind ik dat opeens een beetje eng. Mag je nog dik zijn in die sportieve heilstaat, en ongezond eten als je dat wilt? Door het gehamer op het verband tussen topsport, bewegen, nationale trots, volksgezondheid en leefstijl ontstaat er een collectivistisch sfeertje dat mij niet aanspreekt. Dat Een sportiever Nederland telkens mijn keuzevrijheid benadrukt, doet daar niets aan af. In het zogenaamde Voel je fit-perspectief “sport je en beweeg je vaak, met wie en wanneer jij wilt. Ook welke activiteit je kiest kan per dag verschillen.” Dat ik niet per se dagelijks met mijn overburen op bootcamp hoef, is een hele opluchting. Toch vind ik dat Voel je fit-perspectief niet zo aantrekkelijk. Ik wil graag zelf weten hoe ik me voel.

Landverraad

Voor een positief verband tussen nationale trots en sportieve prestaties bestaat overigens nauwelijks bewijs. Sport is eerder een uitlaatklep dan een vliegwiel voor nationale gevoelens. En schiet onze internationale reputatie echt wat op met de zoveelste schaatsmedaille? Zijn de Britten en de Brazilianen meer gaan bewegen? Ik heb mij laten vertellen dat ‘Londen’ de beste Olympische Spelen sinds mensenheugenis heeft georganiseerd. Maar als ik nu aan Groot-Brittannië denk, dan schiet mij als eerste de Brexit te binnen en niet de wapenfeiten van Team GB.

Bovendien vind ik het nogal sneu als iemand zijn identiteit en trots ontleent aan het succes van derden. Waarom zou ik mij beter voelen als een wildvreemde persoon, die toevallig binnen de grenzen van hetzelfde land is geboren, aan de andere kant van de aardkloot een fractie sneller is dan de concurrentie? Ik heb geen enkele bijdrage geleverd aan het succes van Ranomi Kromowidjojo en Daphne Schippers. Als zij winnen, ben ik blij voor ze; niet omdat ze Nederlander zijn maar omdat ze sympathiek op mij overkomen en ik ze die medaille van harte gun. Om precies dezelfde reden kan ik mij verheugen in het verlies van sporters die bij mij een minder gunstige indruk hebben achtergelaten. Vindt NOC*NSF dat een vorm van landverraad?

Omgekeerd lijkt het mij voor de sporters ook niet prettig om rücksichtslos geïnstrumentaliseerd te worden. Het wel en wee van de hele natie wordt opgehangen aan de Olympische equipe. Natuurlijk probeert Daphne Schippers haar hoofd leeg te maken als ze aan het startblok staat. Even niet denken aan de obesogene samenleving, zwarte scholen, religieuze onverdraagzaamheid, structureel lage economische groei en andere onsportieve kwalen.

Dociele politici

Eigenlijk kan ik NOC*NSF niet kwalijk nemen dat het voor zijn zaak staat. Pas echt ergerlijk is de slaafse houding van politici, die de top 10-ambitie klakkeloos omarmen en subsidiëren. Het maakbaarheidsdenken is op bijna elk beleidsterrein in het defensief gedrongen, maar op het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport viert het nog hoogtij. Ik ben dus bang dat door het gesomber over de Nederlandse medaillekansen het achterlijke plan om de Olympische Spelen naar ons land te halen weer uit de la wordt getrokken.

Hoe absurd de top 10-ambitie is, staat met zoveel woorden in Een sportiever Nederland (SCP/RIVM): “De spreiding van de medaillekansen van een land wordt voor ongeveer 50% bepaald door de omvang van de bevolking en het bruto nationaal product (bnp).” Nederland staat qua bevolkingsomvang op de 66ste plaats. Je hoeft geen demograaf te zijn om te kunnen voorspellen dat Nederland op die ranglijst gaat zakken, tenzij massa-immigratie opeens salonfähig worden. Goed of slecht kabinetsbeleid kan een procentje economische groei schelen, maar we mogen al blij zijn als we de huidige 18de plaats op de wereldranglijst van economieën nog een paar jaar kunnen handhaven.

In een rijk en vergrijzend land als het onze is de economische en demografische rek er domweg wel zo’n beetje uit. Als we ons daarmee verzoenen, kunnen we rustig genieten van de Olympische Spelen in Tokio. Een flinke dosis gemoedsrust is ook goed voor je gezondheid.