De Chinese overheid zet de rem op “irrationele” investeringen in het buitenland. Maar dat betekent niet dat de Chinese investeringsgolf voorbij is. Nu die ook het westen heeft bereikt, nemen de zorgen over de invloed van China toe. Een paar spelregels zijn noodzakelijk.

STEUN RO

De Chinese overheid stelt paal en perk aan ‘irrationele’ investeringen buiten de landsgrenzen. De buitenlandse directe investeringen daalden in de eerste helft van dit jaar gemeten in yuans met 42,9 procent ten aanzien van dezelfde periode in 2016. Dat maakte het Chinese ministerie van handel onlangs bekend.

“Er was vorig jaar een hardnekkig probleem van irrationele investeringen in het buitenland door een aantal bedrijven, daarom hebben wij samen met toezichthouders gekeken of deze deals wel deugden. Irrationele investeringen zijn nu effectief beteugeld”, aldus vice-minister Qian Keming.

Chinese bedrijven werden lange tijd aangemoedigd geld in het buitenland te investeren om zo China’s honger naar voedsel, technologische kennis en grondstoffen te voeden. Drie jaar geleden kreeg China’s financiële sector toestemming om een deel van zijn vermogen in het buitenland te beleggen.

Sindsdien stroomde zoveel Chinees geld de wereld over dat het in eigen land pijn begon te doen. De koers van de yuan kwam door het grote aanbod onder druk en de centrale bank moest zijn buitenlandse reserves aanspreken om de munt te ondersteunen. Ook ziet de overheid liever dat geld in eigen land wordt geïnvesteerd om de haperende economie rugwind te geven.

Vice-minister van handel Qian benadrukte dat China’s beleid ten aanzien van investeringen in het buitenland in de kern niet is veranderd. Hij zei dat “gekwalificeerde bedrijven onder de juiste condities” nog steeds worden aangemoedigd buitenlandse investeringen te doen. Hij doelt dan op het verkrijgen van hoogwaardige technologische kennis en investeringen die het overheidsbeleid ondersteunen, zoals in het Chinese Gordel- en Weginitiatief. Met andere woorden: de Chinese geldstroom naar het buitenland is nog lang niet opgedroogd, maar het investeren in prestigeprojecten zoals het Waldorf Astoria Hotel in New York of Europese voetbalclubs is voorlopig voorbij.

Rollende yuans

Chinese bedrijven hebben vorig jaar 1,12 biljoen yuan (161 miljard dollar) besteed aan fusies, deelnames en overnames in het buitenland. Een stijging met meer dan de helft ten aanzien van 2015. Daarmee is China na de Verenigde Staten nu de grootste investeerder ter wereld. Maar de werkelijke mijlpaal is deze: voor het eerst was dat bedrag hoger dan de investeringen door de rest van de wereld in China. Buitenlandse ondernemingen investeerden vorig jaar 785 miljard yuan (112 miljard dollar) in de Volksrepubliek. Dat betekent dat China voor het eerst een netto-exporteur van investeringskapitaal is.

Chinees investeringsgeld vindt vooral zijn weg naar Zuidoost-Azië, Japan, de VS en de Europese Unie. Het snelst groeien de investeringen in industriële bedrijven, zoals autofabrikanten, metaalindustrie, farmacie en de productie van transportmaterieel.

Een klein deel van die stroom yuans vloeit naar Nederland. 2,5 Miljard dollar in 2015 om precies te zijn, blijkt uit cijfers over China’s buitenlandse directe investeringen door advocatenkantoor Baker & McKenzie. Dat is 9 procent meer dan het jaar ervoor.

Chinese ondernemingen waren vooral geïnteresseerd in de ict-sector; daar werd 1,8 miljard dollar geïnvesteerd. De overige 0,7 miljard kwam terecht in de zakelijke- en financiële sectoren, de zorg en de biotechindustrie. Opvallend is dat nauwelijks in Nederlands onroerend goed werd geïnvesteerd.

Daarmee staat Nederland nu vierde op de lijst met Europese landen waar China het meeste geld in steekt, achter Italië (7,8 miljard dollar), Frankrijk (3,4 miljard) en het Verenigd Koninkrijk (3,3 miljard). In totaal bedroegen de Chinese directe investeringen in Europa in 2015 zo’n 23 miljard dollar; het hoogste bedrag tot nu toe. In de VS investeerden Chinese bedrijven in totaal 15 miljard dollar.

Landjepik

De afgelopen jaren zien we een kentering in de manier waarop Chinese bedrijven geld in het buitenland investeren. Aanvankelijk waren ze vooral geïnteresseerd in grondstoffen en voedsel. De Chinese overheid stimuleerde dat; energie- en voedselzekerheid waren lang topprioriteit voor Beijing. Vandaar ook dat Chinees investeringskapitaal begin deze eeuw vooral in Zuidoost-Azië, Afrika en Zuid-Amerika landde.

Dat leidde nogal eens tot internationale kritiek. China zou aan ‘landjepik’ doen. Recent onderzoek van The Land Matrix Initiative relativeert dat beeld. Chinese bedrijven hebben wereldwijd een miljoen hectare landbouwgrond aangekocht. Dat plaatst dit land op plaats negen van een top-10 internationale grootgrondbezitters. Een rijtje dat verrassend genoeg door Maleisië wordt aangevoerd. Ter vergelijking: Nederland staat nog boven China op plaats zes, met 1,2 miljoen hectare grond in den vreemde, een oppervlak zo groot als een derde van ons land.

En anders dan vaak gesuggereerd lijken de inwoners van de landen waar China zijn geld insteekt daar helemaal niet ontevreden over te zijn: 63 procent van alle Afrikanen denkt dat Chinese investeringen een positieve invloed hebben, blijkt uit onderzoek van Afrobarometer. Met name bewoners van Mali (92 procent), Niger (84 procent) en Liberia (81 procent) denken er zo over.

Chinese investeringen in Afrikaanse infrastructuur zijn de belangrijkste reden voor dit positieve beeld. Maar ook de instroom van goedkope Chinese producten vallen in de smaak. Chinese auto’s, mobiele telefoons en andere elektronica hebben dan misschien niet altijd dezelfde kwaliteit of status als hun westerse concurrenten; dankzij Made in China zijn ze nu voor veel gewone Afrikanen in ieder geval bereikbaar geworden. Crappy but happy, noemen ze dat in de internationale handel.

Kennis kopen

Naarmate China zijn honger naar voedsel en grondstoffen in de eerste investeringsgolf had veiliggesteld, verschoof de aandacht. Gestuurd door de overheid (die kapitaaluitstroom nog steeds reguleert) gingen Chinese bedrijven geld steken in buitenlandse industriële bedrijven om zo technologische kennis te verwerven.

China wil in 2025 zijn achterstand met belangrijke industrielanden als Duitsland, Japan en Zuid-Korea zodanig hebben verkleind, dat het daarna de sprong kan maken om ze in de jaren erna in te halen. Het kopen van technologie door middel van overnames is een daarbij een effectief middel. Inlopen door kopen.

Daarbij toonde Chinezen zich echte koopjesjagers. Denk bijvoorbeeld aan de acquisitie van Volvo door de Chinese autofabrikant Geely. Volvo was dan misschien niet meer zelfstandig in staat voldoende consumenten voor zijn producten te interesseren, het geldt nog steeds als een van de veiligste automerken ter wereld. Terwijl Chinese autofabrikanten juist een slecht veiligheidsimago hebben. Tel uit je winst.

In Nederland zagen we iets soortgelijks met GINAF. De Veenendaalse vrachtwagenfabrikant is geen reus in zijn sector, maar blinkt juist uit in zeer specialistische vrachtwagens in kleine series. Het bedrijf heeft veel patenten op zijn naam staan. Door de malaise in de bouw ging GINAF in 2011 failliet. Maar het Chinese CHTC Heavy Industries schoot te hulp en maakte een doorstart mogelijk. Vrachtwagens die in Veenendaal worden gemaakt vinden tegenwoordig hun weg naar China, waar het wel goed gaat in de bouw.

Derde fase

De tweede Chinese investeringsgolf is nog maar net goed op stoom gekomen, of inmiddels heeft de derde fase zich aangekondigd. Veel Chinese bedrijven beschikken door de langdurige economische groei in eigen land over een goed gevulde kas. Investeringen binnen China die voldoende rendement opleveren zijn steeds lastiger te vinden. Daarom zoeken zij beleggingen op vreemde bodem die een gestage stroom inkomsten opleveren.

Die vinden ze in relatief stabiele landen en in sectoren waar altijd vraag naar is, zoals energievoorziening, afvalverwerking, transport en onroerend goed. Ook hier zien we koopjesjagers; denk aan de haven van Piraeus, die door de Chinese staatsrederij Cosco is gekocht. De haven moest worden geprivatiseerd omdat de Griekse overheid dringend geld behoefde. Het is een risicoloze investering, want Cosco brengt zijn eigen containers mee en weet dus zeker dat de haven zal renderen.

De aanhoudende crisis in Europa, de gestegen koers van de yuan ten aanzien van de euro, de Brexit. Het zijn allemaal redenen waarom Chinese bedrijven in toenemende mate hun oog op Europa laten vallen. Er is hier momenteel veel te koop en tegen aantrekkelijke prijzen. De Chinezen willen zo graag, dat ze vaak bereid zijn een bonus op de werkelijke waarde te betalen. Verkopende partijen kunnen daar geen weerstand aan bieden.

Maar in de publieke opinie klinken steeds vaker zorgen over de Chinese kooplust. Dat China flink investeerde in Afrika, Zuid-Amerika en Azië, dat was ver van ons bed. Maar nu ze steeds vaker westerse bedrijven overnemen is dat blijkbaar iets om wel wakker van te liggen. Politici reageren op dit sentiment, zeker als het om high tech bedrijven of nutsvoorzieningen gaat. Vrije markt en privatiseringen, daar zijn ze uiteraard voor. Totdat Chinezen zich als koper melden.

Verhitte discussie

Toen het Chinese Midea in mei vorig jaar een openbaar bod uitbracht op de aandelen van de Duitse robotbouwer Kuka, leidde dat tot veel gefronste wenkbrauwen. Veel Duitsers vonden het maar niets dat een van de meest innovatieve hightech bedrijven ter wereld, het paradepaardje van de Duitse maakindustrie, in Chinese handen terecht kwam. Het leidde tot een verhitte discussie, maar uiteindelijk besloot de Duitse regering zich er niet mee te bemoeien.

Dat was anders toen Fujian Grand Chip Investment Fund de sukkelende Duitse chipmachinemaker Aixtron wilde overnemen. De deal leek in kannen in kruiken, toen het Duitse ministerie van economische zaken plotseling zijn goedkeuring introk. Volgens de Duitse regering kunnen de chips die met Aixtron-machines worden gemaakt ook worden gebruikt voor militaire en nucleaire doeleinden en is verkoop aan een Chinees bedrijf daarom niet wenselijk. Volgens het Handelsblatt zette Duitsland deze stap nadat het een waarschuwing had ontvangen van de Amerikaanse geheime dienst.

Ook in het Verenigd Koninkrijk leidde de Chinese investering in een nieuw te bouwen kerncentrale bij Hinkley Point tot discussie. De nieuwe regering van Theresa May schortte het besluit enige tijd op, maar ging uiteindelijk toch door de bocht. Het Verenigd Koninkrijk heeft sinds de Brexit zijn vrienden niet meer voor het uitkiezen.

In België leidde de voorgenomen verkoop van Eandis, die het Vlaamse stroomnet beheert, aan het Chinese State Grid tot ophef. De overname van 800 miljoen euro liep uiteindelijk mis omdat de stad Antwerpen zijn aandelen niet wilde verkopen. Dat was in meerdere opzichten een afgang, maar veel Belgen waren stiekem blij dat hun elektriciteitsnetwerk niet in Chinese handen viel. In Australië greep State Grid opnieuw mis. De Australische regering blokkeerde de verkoop van het Ausgrid-netwerk in de provincie New South Wales met een beroep op de nationale veiligheid.

Chinafobie

De grote vraag is of die zorgen terecht zijn. Het is waar dat veel van de Chinese bedrijven die hier inkopen komen doen staatsbedrijven zijn. En het klopt dat de Chinese overheid het laatste woord heeft welke investeringen wel of geen doorgang vinden. Maar het betekent niet dat China erop uit is hier zich de mogelijkheid te verschaffen ‘het licht uit te doen’. In tegendeel.

Veel van die zorgen zijn ingegeven door Chinafobie; angst voor het grote, bij de meeste mensen goeddeels onbekende land dat in 35 jaar tijd een wereldmacht is geworden die de westerse hegemonie in toenemende mate uitdaagt. Nederlanders moeten beseffen dat China inmiddels de tweede economie ter wereld is en dat het juist gek is als onze economieën niet met elkaar verknopen. Naarmate Chinese bedrijven hier belangen opbouwen, neemt ook het belang voor China toe dat het aan de andere kant van de wereld goed gaat. Dat is in het belang van zijn export, maar ook om de Chinese investeringen hier te laten renderen.

Betekent dit dan dat we grote uitverkoop moeten houden? Nee, dat ook weer niet. Nationale veiligheid speelt zeker een rol, dus defensie-industrie, nucleaire toeleveranciers en telecomnetwerken komen bij voorkeur niet in buitenlandse handen. Daar moeten we dan wel met zijn allen de consequenties van aanvaarden en de rekening oppakken.

Het wordt hoog tijd dat de Nederlandse overheid, al dan niet Europa-breed, een beleid ontwikkelt hoe om te gaan met Chinese investeringen. En ik zou willen voorstellen daarbij een uitgangspunt te gebruiken dat de Chinezen ook graag toepassen: wederkerigheid. Zolang het voor westerse bedrijven onmogelijk is om in bepaalde bedrijfstakken in China te investeren, kunnen wij met droge ogen hetzelfde van Chinese bedrijven verlangen.

Blogaap is de alias van Chinadeskundige Fred Sengers. Hij publiceert op zijn eigen blog en in de media over het moderne China. Daarnaast is hij regelmatig te gast in radio- en tv-programma's en veelgevraagd spreker en dagvoorzitter.