De Olympische Winterspelen kosten gemiddeld vijf keer zoveel als de organisatoren aan het begin voorschotelen. De Japanners voor 1972 met 56 miljoen gulden en eindigden met 2,3 miljard.

STEUN RO

Op 21 februari 1967 begon Sapporo heel bescheiden met de Winterspelen van 1972 met een begroting van 56 miljoen gulden. De Telegraaf schreef die dag: ‘In april 1968 wordt begonnen met de bouw en aanleg van de sportaccommodaties, waarmee men in oktober 1969 gereed hoopt te zijn. Met de bouw van het olympisch dorp wordt in april 1969 een aanvang gemaakt.’

Dit lijkt echter een rekenfout te zijn, want een jaar eerder werd nog in dezelfde krant gesproken over 277 miljoen dollar, bijna één miljard gulden. Dat is dus nogal een verschil.

Toch zou ook dat kleine miljard onvoldoende zijn. De Japanners hadden ook wel pech bij de wisselkoersen. Zo meldde De Leeuwarder Courant op 22 december 1971: ‘Het akkoord van Washington, waarbij de dollar gedevalueerd werd en de yen werd opgewaardeerd, kost het organisatiecomité van de Olympische Winterspelen in Sapporo 150 miljoen yen, ongeveer 1,5 miljoen gulden.’

Alleen deze tegenslag kan de uitgaven niet verklaren, wat door Het Limburgsch Dagblad op 15 februari 1972 heel treffend werd samengevat: ‘Het organisatiecomité heeft na elf dagen van de Winterspelen de balans opgemaakt en is tot de conclusie gekomen dat er nog nimmer in de geschiedenis zoveel geld is uitgegeven om zo weinig mensen hun sport te laten beoefenen.’
HET COMPLETE OVERZICHT 1924 – 2014

Bouwen om af te breken

De bouw van de bobsleebaan bijvoorbeeld kostte twee miljoen dollar, de sloop opnieuw één miljoen dollar. Na de Spelen was er geen behoefte meer aan, omdat de gemiddelde toerist of wintersporter niet zo snel met zijn kinderen van twee en vier jaar oud een ritje met de bob gaat maken. Hiervoor bestaan nu eenmaal geen reis- of levensverzekeringen.

Daarmee zien we een structureel probleem van de Winterspelen: na afloop zit niemand te wachten op een bobsleebaan of springschans, omdat die nooit voor recreatief gebruik worden ingezet. Deze faciliteiten verdienen zich na afloop simpelweg nooit meer terug. Eerst kost het geld om ze aan te leggen en daarna moet er weer worden betaald om er zo snel mogelijk vanaf te komen.

Met de infrastructurele projecten erbij was er uiteindelijk voor Sapporo 1972 23 miljard yen uitgetrokken, ofwel 2,3 miljard gulden. In het officiële rapport werd overigens gesproken over 17,3 miljard yen, waarbij het verschil hoogstwaarschijnlijk zit in het wel of niet meerekenen van infrastructurele kosten.

Nog nimmer in de geschiedenis van de Winterspelen was er zoveel geld uitgegeven om zo weinig mensen hun sport te laten beoefenen.

Sporthistoricus. Auteur van de Bosatlas van het Nederlandse voetbal. De enige Amsterdammer, die is afgestudeerd op Feyenoord.