Jan Guillou. Auteur. Journalist. Jager. De man van het Zweedse Watergate. Maar bovenal rasschrijver. Hij werkt aan zijn magnum opus, een romancyclus over de 20e eeuw. Drie delen zijn inmiddels verschenen. Het verhaal, dat moet eindigen op 11 september 2001, is gevorderd tot 1939. Een interview.

STEUN RO

Ik ontmoet Jan Guillou (1944) in een uitspanning in het Gooi. De Zweedse successchrijver – 44 titels, miljoenen verkochte boeken (alleen in Zweden al 11 miljoen), vertalingen in 15 landen – is in Nederland om deel drie van zijn romancyclus ‘De Grote Eeuw’ te promoten. Voor mij is het een weerzien met een van de markanste personen die ik de afgelopen jaren sprak. In 2013 interviewde ik Guillou in zijn riante buitenhuis in de bossen rond Uppsala, midden-Zweden. Ik vergaapte me aan zijn vele jachttroffeeën, eigenhandig geschoten in Afrika, en liet me meevoeren door Guillou’s spannende levensverhaal. Maar het meest herinnerde ik me hoe het interview afliep. De schrijver zou me per auto afzetten bij de bus. Zo gezegd zo gedaan. Helaas reed de bus voor onze neus weg. Dat liet Guillou zich niet gebeuren. Wat volgde was een kolderieke inhaalrace, waarbij de schrijver met onverantwoorde manoevres de bus passeerde, plankgas gaf om bij de volgende halte mij eruit te gooien. Terwijl ik mijn tas en jas greep en gedag zei, zagen we lijndienst 273 met een gangetje van 80 km/uur aan ons voorbij zoeven. Dit scenario herhaalde zich een keer of drie. Uiteindelijk lukte het na twintig minuut om de bus te doen laten stoppen.

‘Hunting for busses’ in de bossen van Uppsala, herinnert u het zich nog?

‘Vaag. Ik heb de gewoonte om elk interview en elke interviewer meteen te vergeten. Op die manier sta ik altijd blanco tegen elk nieuw vraaggesprek en hoef ik niet te denken: ‘Dit heb ik al zo vaak verteld…’. Voor de interviewer is dat ook prettiger. Die kan mij alles vragen alsof het de eerste keer is.’

‘De Grote Eeuw’ is een familieroman over drie Noorse broers in de 20e eeuw. Na ‘Bruggenbouwers’ (2012) en ‘Dandy uit het noorden’ (2013) is er nu ‘Tussen rood en zwart’, dat eindigt in 1939. Hoeveel delen volgen er nog?

‘Ik heb geen idee. Mijn doel is om de cyclus te laten eindigen op 11 september 2001. Hoe ik de geschiedenis van mijn drie Noorse broers verbindt met de terroristische aanslagen in Amerika weet ik nog niet. En ook niet of ik het eind wel zal halen. Dat hangt af van mijn gezondheid. Wie is er sneller: de schrijver of de beroerte die van mij een kasplant zal maken?’

Het is in elk geval een gigantisch project. Hoe kwam u op het idee van een ouderwetse familiekroniek?

‘Ik wilde mezelf uitdagen een traditionele familieroman in meerdere delen te schrijven. Die moest de hele 20e eeuw omvatten. Maar ik had twee problemen waar ik aanvankelijk niet uitkwam. De 20e eeuw is de eeuw van Duitsland, niet van Zweden of Noorwegen. Hoe verplaatste ik mijn verhaal over een Scandinavische familie naar midden-Europa? Het tweede probleem was nog veel groter. Wat moest ik in godsnaam met de Eerste Wereldoorlog? Na Erich Maria Remarque heeft schrijven over de loopgraven geen enkele zin meer. Het kostte me twee jaar om beide problemen op te lossen.’

Na Erich Maria Remarque heeft schrijven over de loopgraven geen enkele zin meer

Duitsland kwam in beeld via uw grootvader van moederskant, een Noor die rond 1900 in Dresden tot ingenieur werd opgeleid. De oplossing voor het tweede probleem, dat van de Eerste Wereldoorlog, vind ik nog ingenieuzer.

‘Ik jaag graag en reis daarvoor soms naar Afrika. In Tanzania stuitte ik op restanten van Duitse kerken. Ik verdiepte me in de geschiedenis van Duits Oost-Afrika in de jaren 1914-1918. Niet alleen is het verhaal over de Eerste Wereldoorlog in Afrika veel minder bekend, ik kwam tot de ontdekking dat de Duitsers in Oost-Afrika de good guys waren geweest en de Engelsen de bad guys. Zo kon ik een nieuw perspectief op de Eerste Wereldoorlog bieden.’

U brak begin jaren tachtig door als schrijver met de autobiografische roman ‘Woede’, over uw jaren op een strenge Zweedse kostschool. Een rauw boek met veel geweld tegen kinderen. Ook in ‘De Grote Eeuw’ is dat een thema. Waarom?

‘In deel 1 wordt de 7-jarige Harald toegetakeld door leeftijdsgenoten. Ze smeren zijn wonden daarna in met paardenmest. Sadistisch? Dat heeft vooral een verhaaltechnische reden. Deze jongen, die half Noors en half Duits is, wordt in deel 3 een fanatieke nazi. Zijn belagers waren Noors. Ik moest aannemelijk maken dat Harald een bloedhekel aan Noren zou krijgen en dat dit hem in de armen van de nazi’s dreef.’

U bent in Zweden bekend als schrijver, maar nog meer als journalist. In 1973 onthulde u een spionageschandaal dat het ‘Zweedse Watergate’ is genoemd.

‘Met mijn collega Peter Bratt beschreef ik dat er in een geheim spionagenetwerk bestond dat linkse Zweden in de gaten hield. Toenmalig premier Olof Palme ontkende alles en zei dat wij te veel indianenverhalen hadden gelezen. Maar in een vervolgartikel gaven we zoveel details, dat niemand nog aan het bestaan van het IB (‘Informationsbyrån’) kon twijfelen.’ [Later kwam vast te staan dat de werkelijkheid nog veel erger was dat Bratt en Guillou hadden geschreven, RV].

Maar waar uw Amerikaanse collega’s Bob Woodward en Carl Bernstein de Pulizer-prijs kregen voor hun onthullingen werd u opgepakt.

‘Ik gaf een lezing voor studenten in Lund. Een meisje in de zaal vroeg of ik niet bang was om gearresteerd te worden. Ik lachte die suggestie weg. Journalisten in de bak om wat ze schrijven? In Zweden? Op dat moment had ik nog zeven uur in vrijheid te gaan. In de rechtbank beweerde de aanklager dat wij staatsgeheimen hadden gepubliceerd. En dat ook de Russen konden lezen. Maar uit de straf bleek wel dat de rechter er zelf ook niet echt in geloofde. Ik kreeg tien maanden cel terwijl op spionage normaal gesproken 10 jaar staat.’

Mijn collega Peter Bratt knakte in de gevangenis en werd nooit meer helemaal de oude

Wat deed die detentie met u?

‘Mijn collega Peter Bratt knakte in de gevangenis en werd nooit meer helemaal de oude. Maar voor mij was het een geweldig interessante tijd die ik moeiteloos doorstond. Ik zat in een van de zwaarst beveiligde gevangenissen van Zweden. Tientallen journalisten hadden vergeefs geprobeerd er binnen te komen. Ik kon het gevangenisleven bijna een jaar van dichtbij meemaken. Daarbij zette de gevangenisstraf mij op het spoor van Maj Sjöwall en Per Wahlöö, het schrijversechtpaar dat politieke thrillers schreef. Ik achtte die altijd beneden  mijn stand, maar begon ze in mijn cel te lezen en vond ze geweldig. Sjöwall en Wahlöö lieten zien dat Dirty Harry niet per se een rechtse klootzak hoefde te zijn, maar dat je van hem ook een linkse activist voor de goede zaak kon maken. Toen bedacht ik: wie is er meer specialist op gebied van spionage in Zweden dan ik? Zo werd mijn romanpersonnage Carl Hamilton geboren. Ik schreef tien boeken over hem.’ [Daarvan werden er vijf in het Nederlands vertaald, RV].

U bent een Bekende Zweed. U geeft uw ongezouten linkse mening, maar doet ook mee aan spelletjesprogramma’s. En in 2014 schreef u zelfs een tekst op een melodie van ABBA’s Benny Anderson.

‘Toen ABBA doorbrak, rond 1973, was hun muziek wel het laatste wat mij interesseerde. Ik hield van Brahms en Beethoven. De Zweedse televisie organiseerde een songschrijverswedstrijd en vroeg aan allerlei mensen een liedtekst te schrijven op een mooie melodie van Benny Andersson. Die deed me denken aan ‘Fernando’ en voerde me terug naar de radicale jaren zeventig. In een middag schreef ik op Benny’s liefelijke melodie een steenharde politieke tekst zoals ABBA die nooit en te nimmer zou hebben opgenomen. Hahaha. Nee, ik won niet. Ik werd derde.’

U bent politiek zeer uitgesproken. Zo keert u zich onder meer tegen de angst voor de islam, die ook in Zweden sterk is toegenomen. Is die angst onterecht?

‘Ja. De Zweedse media zoeken zoveel mogelijke gevaarlijke rechtse gekken die vervolgens voor de camera hun onzin mogen laten uitkramen. Doel is dat ze zichzelf belachelijk maken. En vaak lukt dat ook heel goed. Maar het effect is dat het publiek sympathie krijgt voor die losers. En dat de stemming zich tegen de vooringenomen journalistiek keert. De aanpak werkt averechts.’

Nederland heeft van alles geprobeerd. Negeren, belachelijk maken, de confrontatie zoeken. Wat is uw advies? Hoe moeten de media omgaan met politici als Geert Wilders?

‘Gewoon, net als met alle andere politici. Neem ze serieus en ondervraag ze kritisch. Doe je journalistieke plicht. Val hun denkbeelden aan met ter zake doende vragen. Gaan moslims de macht overnemen? O ja, hoe dan?’

Waarmee we terug zijn bij ‘De Grote Eeuw’. Een historische roman. Maar ik kan me niet voorstellen dat u geen boodschap voor het heden heeft.

‘Het probleem van de geschiedenis is dat het achteraf altijd makkelijk is om de toekomst te voorspellen. Je hebt hindsight, weet wat er gebeurd is en ziet verbanden die tijdgenoten niet zagen of niet konden zien. Ik probeer me in ‘De Grote Eeuw’ te verplaatsen in de jaren dertig en veertig. Waarom zag men het gevaar van Hitler pas zo laat? Ik kwam erachter dat er in kranten wel degelijk geschreven werd over de verschrikkingen. Ik ontdekte een artikel uit een nazikrant uit 1944 waarin minutieus beschreven werd hoe gevangenen, die in goederentreinen werden vervoerd, tijdens de rit konden worden vermoord zonder dat de  buitenwereld dit kon merken. Maar niemand geloofde dat dit echt waar was. De analogie met het heden is dat er ook nu dingen gebeuren waarvan we denken: ‘Dat kan niet waar zijn’. Ik zie opnieuw een gevaar in de opkomst van extreemrechtse partijen.’

U vond de drie minuten stilte na de aanslagen van 9/11 hypocriet en beschuldigt de Zweedse geheime dienst ervan dat ze alleen nog maar moslims afluisteren. Uw criticasters zeggen: die Guillou heeft makkelijk praten. Hij is rijk, woont in de duurste wijk van Stockholm en gaat, als hij Zweden zat is, op jachtvakantie in Afrika.

‘Zeker. En toch heb ik er geen enkele moeite mee mezelf links en socialist te noemen. Ik had een postadres in het literaire belastingparadijs Ierland kunnen nemen, zoals John le Carré. Maar dat doe ik niet. Ik betaal in Zweden vrijwillig 75 procent belasting, veel meer dan strikt noodzakelijk is. Daarom noem ik mezelf socialist.’

Als jager ben ik deelgenoot van de natuur

Wat is de kick van jagen?

‘Tot mijn dertigste was ik een natuurliefhebber die met verrekijker en notitieblokje het veld introk. Maar ik voelde me altijd een buitenstaander. Als jager ben ik deelgenoot van de natuur. Ga ik met mijn vrouw uit wandelen, dan hoop ik een eland te zien. Ga ik op jacht, dan weet ik zeker dat ik een eland zal zien. Dat is het verschil. Het is een andere state of mind. In Tanzania jaag ik onder begeleiding van een politieagent en opzichters. We mogen alleen oude dieren schieten, die anders zouden worden opgevreten door hyena’s. Nooit op jonge dieren die zich nog kunnen voortplanten. Dat doen stropers wel en daarom richten zij zoveel schade aan in het ecosysteem. Die stropers zijn voor mij trouwens het spannendste aan jagen in Afrika. Zij schieten op alles wat beweegt. Ook op mij.’

Wie in Nederland een tegendraadse mening heeft, zeker over de islam, kan doodsbedreigingen verwachten. Hoe zit dat in Zweden? Hoe zit dat met u?

‘Ik ben de enige bekende Zweed met een mening die nog nooit bedreigd is. Hoe dat kan? Mij bedreigen heeft geen enkele zin. Ik ben voor niemand bang. Daarbij weten mijn tegenstanders waarschijnlijk dat ik geweren in huis heb. En dat ik veel beter kan mikken dan zij.'

Jan Guillou, ‘Tussen rood en zwart’, Prometheus 2014, 339 pag.

Rutger Vahl (1972) is journalist en biograaf. Hij schrijft vooral over boeken, popmuziek, geschiedenis en de combinatie van die drie. Hij publiceerde ‘Cornelis Vreeswijk. De blues tussen Stockholm en IJmuiden’ (Nijgh & Van Ditmar, 2014), ‘Wally Tax. Leven en lijden van een outsider’ (Nijgh & Van Ditmar, 2015), 'Xandra Brood. Rock 'n' roll widow' (Nijgh & Van Ditmar, 2016), 'Laurie Langenbach. Brieven, dagboeken en een geheime liefde' (De Arbeiderspers, 2017) en ' Nu weet ik het zeker, ik hou van George Baker' (Nijgh & Van Ditmar, 2018). Momenteel werkt hij aan de biografie van Herman Brood.