Traditiegetrouw luidt op 1 januari het ‘Neujahrspringen’ in Garmisch-Partenkirchen het nieuwe sportjaar in. Het is de enige skispringwedstrijd die live wordt uitgezonden op de Nederlandse televisie en de tweede wedstrijd van de befaamde vierschansentournee. Het is pas één Nederlander ooit gelukt om aan deze ‘hoogmis’ van het schansspringen mee te doen: Jeroen Nikkel was er 15 jaar geleden bij. Nikkel hoeft voorlopig niet te vrezen dat hij zijn unieke prestatie met een landgenoot hoeft te delen. Nederlands laatste skispringer Lars Antonissen zette vorige week een streep onder zijn carrière.

STEUN RO

“Ik heb nooit in Garmisch gesprongen, nee.  Dat vind ik wel ontzettend jammer. Het stond afgelopen twee jaar op de planning maar kwam er toch niet van omdat ik op dat moment niet goed genoeg was. Ik zou niet door de kwalificatie komen en dan is het zonde om er heen te gaan.” Lars Antonissen, halflang bruin haar en een hipsterbaardje, legt aan de keukentafel van zijn ouderlijk huis in Driebergen uit dat meedoen aan een wereldbekerwedstrijd veel geld kost voor een schansspringer uit de subtop. “Zolang je nog geen punten hebt gehaald in het World Cup circuit, moet je bijvoorbeeld zelf je hotel betalen. Dat moet van de organisatie wel een officieel World Cup hotel zijn en die zijn erg prijzig. Als je dan al van te voren weet dat je de kwalificatie niet haalt en dus zeker ook geen punten, dan is de beslissing snel gemaakt.”

Antonissen staat op om zijn tweede kop koffie van de ochtend in te schenken. Hij heeft een donkere spijkerbroek en sponsorsweater aan. Aan zijn voeten zitten twee verschillende bontgekleurde sokken. Dat hij nu in december thuis zit, voelt heel raar. “Ik weet niet beter dan dat ik in de winter in het buitenland ben. Alle jongens waar ik de afgelopen zes jaar intensief mee opgetrokken ben, zijn aan het springen en ik niet. Op tv zie ik ze dan voorbijkomen. Als iemand het heel goed doet, stuur ik die na afloop van de wedstijd een appje van ‘hé, ik zag je net, dat was een goeie sprong’.”

Een Nederlander bij het skispringen, dat doet een beetje denken aan ‘Eddy the Eagle’?

“Nee, zo voelde het niet voor me. Ik zat al zo lang in het circuit, ik was geen buitenbeentje of zo. Wel in de zin dat ik uit een land kwam dat geen eigen schans had en dat ik op een gegeven moment geen teamleden meer had. Toen dat gebeurde, ging ik bewust de andere teams opzoeken en na een tijdje kwamen zij ook naar mij toe. Vorig seizoen zat ik elke avond bij de Noren of de Oostenrijkers op de kamer. Ik organiseerde meestal wel wat, gingen we uit eten met een groep. Dat gaan ze missen, ha.”

In de hal staan twee paar ski’s tegen de muur. Nadere inspectie leert dat het om ‘gewone’ alpine ski’s gaat, niet de bredere ski’s waarmee de waaghalzen van het skispringen van de torenhoge schans af denderen. Die avond zal Antonissen met twaalf man familie naar de sneeuw afreizen. Naar het vakantiehuis in Oostenrijk waar de wintersport hem met de paplepel werd ingegoten. Zijn vader skiede op wedstrijdniveau, zijn tante was skilerares, Antonissen weet niet beter dan dat hij als kleine Lars met zijn drie neven en zijn oudere broer Kay ‘s winters van de Oostenrijkse sneeuwhellingen af roetsjte.

Waarom ben je gestopt?

“Het is een optelsom van dingen. Toen mijn teammaatje Ruben de Wit vorig jaar er noodgedwongen mee op hield vanwege een heftige val kwam ik er alleen voor te staan. Ik miste iemand om me aan op te trekken. Ik had gehoopt op steun van de Nederlandse Ski Vereniging maar die liet niks van zich horen. En uiteindelijk ging ik minder hard vooruit dan ik hoopte.

Antonissen’s gedachten terug naar zijn laatste sprong, begin oktober in Klingenthal. Een wedstrijd voor de Continental Cup, zeg maar de eerste divisie van het schansspringen. “Tijdens de zomertrainingen had ik goede progressie gemaakt maar in de wedstrijden was dat er nog niet uitgekomen. Juist in Klingenthal wilde ik toen zo graag laten zien wat ik kon…maar het ging beroerd. Ik ben bijna twee keer gevallen in de training en in de wedstrijd maakte ik daardoor een gecontroleerde sprong met de handrem erop.” Het resultaat: een teleurstellende vijftigste plek. “In eerste instantie was ik heel boos op mezelf, ik dacht ‘ik ga een maand pauze nemen’. Maar na de wedstrijd kwamen de trainers naar me toe en zeiden: ‘We moeten goed met je praten. We moeten eerlijk zijn nu. Is ‘t het nog waard?’”

En, dat is het niet meer?

“Nee. Het zat de hele zomer eigenlijk al in mijn hoofd en dat neem je onbewust toch mee bij de sprongen. De trainers waarschuwden me dat als ik op deze manier zou doorgaan, ik mezelf toch een beetje kapot zou maken omdat je niet eruit haalt wat je wilt. Ik ben nu 21, misschien zou ik in drie jaar bij de wereldtop zitten maar dat weet je nooit zeker.”

Heb je lang getwijfeld?

“Ja, maar dat komt vooral omdat ik nog niet iets nieuws heb, niks concreets waar ik mee bezig kan zijn. Ik heb altijd skispringer willen worden en nooit hoeven nadenken over een alternatief. Na Klingenthal negeerde ik het de eerste weken ook, ik wilde er niet mee bezig zijn.”

Op je website staat dat je fysiotherapie studeert?

“Van mijn ouders moest ik na mijn eindexamen HAVO een studie erbij doen. Dat is toen fysiotherapie geworden maar eerlijk gezegd heb ik daarvoor gekozen omdat ik dan in een topsportklas kwam en nog vol voor het skispringen kon gaan. Het was wel goed van mijn ouders dat ze die voorwaarde stelden want anders had ik nu helemaal niks.”

Hoever ben je met de studie?

“Ik moet nog één toets doen en dan heb ik mijn propedeuse. Na vier jaar. Die propedeuse wil ik nog wel halen maar ik zie mezelf toch geen fysiotherapeut worden. Ik moet gaan uitzoeken wat me wel ligt. Dat is nu de werkelijkheid. Ik moet terug naar het middelbare schoolmoment, open dagen bezoeken. Kom ik daar met mijn 21 jaar.”

Voor Antonissen’s hoogtepunt in zijn carrière moet hij anderhalf jaar terug gaan. Het weekend van 14 en 15 maart 2015 om precies te zijn. Dat weekend schreef hij een stukje Nederlandse historie door zich te plaatsen voor een wereldbekerwedstrijd, een prestatie waar ons land sinds 2003 op had moeten wachten. Op de Holmenkollen in Oslo haalde hij bij de kwalificatie een afstand van 116 en een halve meter en de 35e plek die dat opleverde was ruim voldoende om ook in de finale te mogen springen. ‘Nederlandse skispringer stunt in Oslo’, kopte de Telegraaf. Het is Antonissen’s beste herinnering. “Mijn ouders stonden beneden aan de schans, dat hadden ze niet gezegd. Ook Oslo was natuurlijk duur maar we hadden bewust gekozen om mee te doen omdat ik die winter flinke progressie had gemaakt. En dat het dan lukt. Fantastisch.”

Wat vinden je ouders ervan dat je stopt?

“Mijn moeder vindt het nog erger dan ik zelf, voor haar kwam het als een klap terwijl ik zelf er de afgelopen zomer al mee bezig was. Mijn vader vindt het ook jammer maar staat er misschien iets anders in. Hij heeft me, deels via zijn bedrijf, twaalf jaar gefinancierd in mijn droom maar ook te kennen gegeven dat dat op een gegeven moment ophoudt.”

Antonissen beseft dat hij zonder de steun van zijn ouders en broer nooit zover gekomen was. Want nadat de kleine Lars op achtjarige leeftijd zijn eerste sprong had gemaakt, stond het gezinsleven grotendeels in het teken van zijn schansspringen. “In Soesterberg is het begonnen. Het was een open dag, mijn neefjes en broer waren er ook bij. Ze hadden een klein schansje op de borstelbaan gemaakt waar je gewoon op alpine ski’s vanaf sprong. Wie talent had, werd uitgenodigd om in Duitsland te komen trainen.” En Antonissen werd uitgenodigd. In Meinerzhagen, waar zich de Hollandse ‘thuisschans’ bevond. Het dorp in het Sauerland, op drie uur rijden van Driebergen, werd al snel de weekendbestemming van de familie Antonissen. “Vier jaar lang gingen we met de caravan, die parkeerden we op de straat. We deden aan wedstrijdjes mee waar ik er veel van won. Daar heb ik écht geleefd”, blikt hij geestdriftig terug.

Waar zijn neefjes en zijn broer afhaakten, kreeg Lars steeds meer de kick van het springen te pakken.  Hij kwam in het talententeam van de Nederlandse Ski Vereniging terecht, met drie andere jonge talenten. De toekomst zag er rooskleurig uit voor ze. In 2010 haalden de vier in het Tsjechische Liberec de 8e plaats in het landenklassement bij de Jeugd Olympische Spelen, vóór de traditionele wintersportlanden Zwitserland en Italië. Het had weinig gescheeld of Antonissen had het niet meegemaakt. “Drie weken eerder was ik hard gevallen. Ik had een zware hersenschudding en een flinke kneuzing in mijn been vanwege een ski die er tegenaan geknald was bij mijn val, ik kon nauwelijks lopen. Ik had een paar dagen voor het ongeluk van de NOC*NSF gehoord dat ik mocht meedoen, toen ik dus naar het ziekenhuis moest, dacht ik meteen: ‘Fuck, heb ik dit helemaal  verpest.’ Maar ik wilde per se gaan. De fysiotherapeute van het NOC*NSF zag het niet zitten, maar ik heb haar overtuigd om mee naar Tsjechië te gaan. Een paar dagen voor de wedstrijd heb ik weer gesprongen. Maar bij mijn eerste sprong ging het al mis. Omdat ik niet op mijn been durfde te staan, probeerde ik op alleen mijn andere been te landen. Dat kan natuurlijk niet, dus ik scheerde meteen naar de boarding toe en viel. Ik heb toen niet meer gesprongen tot de wedstrijd. Waar het verbazingwekkend goed ging en ik als tweede beste van het team sprong.”

Iedereen van dat team is nu gestopt?

“Ja, ik ben de laatste. Na de Winterspelen van 2014 gaf de Nederlandse Ski Vereniging te kennen geen geld meer te hebben om alle talenten nog te begeleiden en kwamen ze met strengere limieten. Ik ben toen met Ruben de Wit mijn eigen team gestart. Met Jochen Danneberg (zilver op de Spelen van 1976 voor de DDR, twee eindzeges op de vierschansentoernee, JvT) en Piërre Hartman als trainers. Het was een topwinter met als hoogtepunt mijn kwalificatie voor Oslo.”

Schudde die prestatie de Ski Vereniging niet wakker?

“Dat had ik ook verwacht maar er kwam niks van hun kant. Ik vroeg ze ‘hoe zit het nou, ik heb aan de limieten voldaan’. Jochen heeft er achteraan gezeten. Maar er kwam geen antwoord. Net voordat de zomer begon, hoorde ik dat ze de geldkraan voor het skispringen definitief hadden dichtgedraaid. Dat was een stomp in mijn gezicht. Heb je aan je limieten voldaan, smijten ze de deur voor je dicht.”

En je teamgenoot, die was je toen al kwijt?

“Ja, Ruben was in de winter hard gevallen. Het was in Polen, heftig weer, mist en wind. We waren daar aan het trainen. Ik sprong als eerste, behoorlijk ver. Ruben springt na mij, ik zie dat hij net voor de landing zijn spanning los laat maar dat er een windvlaag onder hem komt. Hij komt helemaal verkeerd uit. Zijn ski’s gingen gek genoeg niet uit. Hij scheurde allebei zijn enkelbanden. Toen was de lol er voor hem vanaf, einde carrière.”

Gaf zo’n val jou geen angst?

“Angst heb ik nooit gehad. Hoe skispringers het zeggen: ‘Je hebt gezond respect voor de schans.’ Het klinkt misschien spiritueel, maar dat is het niet. Er zijn schansen waar ik wel tegenop keek omdat ik daar genoeg skiërs op hun plaat heb zien gaan. Maar angst moet je niet hebben. Je moet al het risico nemen wil je een goede skispringer worden. Je gaat de schans af met 85 à 90 km per uur. In de lucht maak je snelheid, kom je neer met bijna 110 km per uur.”

Ben je vaak gevallen? “Oh, vaak zat. En weer opgestaan. Behalve die zware hersenschudding in 2010 en een rug die niet meer lekker loopt, viel het mee. Ik heb bijvoorbeeld nooit wat gebroken. Wel af en toe een paar dagen in het ziekenhuis gelegen. Kwam ik binnen met de ambulance en dachten ze dat ik misschien mijn nek gebroken had. Moest ik meteen door de scan. Gelukkig weet ik daar niks meer van.”

Wie de resultaten van Antonissen bekijkt, valt daarin zijn wisselvalligheid op. Na zijn geweldige kwalificatiesprong van meer dan 115 meter in Oslo, landde hij in de echte wedstrijd niet verder dan een schamele 93 meter van de schans. Samen met een beroerde landing leverde dat Antonissen de 51e en tevens laatste plek op. ‘Deze prestatie hoort bij zijn kwaliteiten. In de training is hij altijd super, in de wedstrijden kreeg hij het nooit bij elkaar’, was destijds het commentaar van de adviseur van de skivereniging Horst Tielmann in de Telegraaf. Antonissen knikt wanneer hem de opmerking van Tielmann ter ore komt. “Het klopt wel, ja. In de trainingen sprong ik met wereldtop mee, soms echt dat ik zelf ook dacht van ‘als ik dit zo in een wedstrijd doe, kan ik met de top 30 mee’. Maar als er 60 duizend man beneden wachten en boven op de schans de camera’s vol op je gericht staan, dan beginnen de zenuwen.” Antonissen schakelde de laatste anderhalf jaar de hulp van een mental coach in maar hij constateert dat hij nooit van de wedstrijdspanning is afgekomen. “Ik heb er alles aan gedaan om het te veranderen maar ik ben nooit een wedstrijdman geworden.”

Toen Matti Nykanen stopte met skispringen raakte hij aan de drank en werd gewelddadig. Niks voor jou?

‘Nee hoor. Matti Nykanen, dat was een Fin, dat zijn van die aparte lui. Het zou kunnen dat ik de adrenaline kick ga missen, die moet ik dan maar in een nieuw avontuur zoeken. Ik drink sowieso niet zo veel. Een feestje vind ik leuk maar door mijn topsportachtergrond hou ik me altijd in. Ook bij het schansspringen was dat zo, het is dan wel wintersport dus je ging gezellig naar de bar met iedereen, maar knetterlam worden was er nooit bij.

Denk je dat er ooit nog een Nederlandse skispringer bij het nieuwjaarspringen in Garmisch meedoet?

“Pfoeh, dat is lastig te zeggen. Ik merk soms wel dat er onbegrip is bij mensen die horen dat ik gestopt ben. Zo van ‘nu laat je de sport dood gaan’. Dat kan ik wel begrijpen want het was eigenlijk ook mijn doel om het schansspringen bekend te maken in Nederland, om kinderen enthousiast te krijgen ervoor. Dat doel heb ik bij lange na niet gehaald, dat besef ik. Ik hoop dat er nieuwe initiatieven ontstaan, dat er een nieuw talententeam komt. Laat kinderen zich maar aanmelden, ik wil wel trainer worden.”

Ga je kijken op Nieuwjaarsdag?

“Natuurlijk, ik volg alle wedstrijden nog. Het zijn toch ook mijn vrienden die daar meespringen.”

Jurgen van Teeffelen (1968) is freelance wetenschapsjournalist sinds 2014. Tot die tijd werkte hij als gepromoveerd fysioloog aan universiteiten in Nederland (AMC, Maastricht) en de Verenigde Staten (Yale). Data in plaats van meningen vormen de basis van zijn artikelen. Jurgen schrijft graag over wetenschap in relatie tot sport en bewegen. Hij is auteur van 'Het maakbare uur - een zoektocht naar de ultieme wielerprestatie' en mede-presentator van de 'Slimmer Presteren Podcast'.