De serie DICHTER BIJ biedt eigenzinnige dichters uit Nederland en Vlaanderen een platform voor nieuw en uniek werk. Deze keer: drie nieuwe gedichten van de Vlaamse Delphine Lecompte, dichteres en prozaschrijfster met een heel eigen geluid.

STEUN RO

Delphine Lecompte (1978) ontving voor haar debuutbundel De dieren in mij de C. Buddingh’-prijs 2010 en de Prijs voor Letterkunde van de Provincie West-Vlaanderen 2011. Haar derde bundel Blinde gedichten werd genomineerd voor de Herman de Coninckprijs. Op gedichtendag 2013 verscheen haar bundel Schachten en amuletten.  Eind januari 2014 wordt bij De Bezige Bij Antwerpen de nieuwe bundel De Baldadige Walvis van Delphine Lecompte verwacht.
Speciaal voor A•Quattro•Mani stelde zij drie nieuwe gedichten ter beschikking.

 

Al draag ik een gouden ring

Al lees ik Het Oude Testament ik ben en blijf een zondares
Ik lig in mijn bed zonder walvisjager om op te beuren
En ik heb een hartsgrondige hekel aan de voorbije 520 weken
Ik sta op en red geen hond, geen raaf, geen vader
Starend naar het loze kippenhok van mijn blinde buurvrouw eet ik.

Eerst een intelligent ontbijt, en daarna tien marsepeinen brandweerhouwelen
Al draag ik een gouden ring ik ben en blijf trouweloos
Terwijl mijn man de hoofdvogel van een staande wip schiet koop ik
Een kersttrui voor de enige vrouw die mijn voornaam mag verkleinen
Maar ze doet het niet, ze neemt de trui aan en zegt: ‘Je bent verdikt!’

Ik vermoord de vrouw die mijn voornaam mocht verkleinen
Ze was mijn moeder niet
Ik ga naar de keuken en spoel het aambeeld af in haar gootsteen
Ik ga terug naar de woonkamer en merk nu pas de emmer op
Naast het televisietoestel staat een emmer gevuld met palingen.

Misschien stroop ik mijn mouwen op
Waarschijnlijk geniet ik van de kronkelende schepsels om mijn armen
Ik verlaat de woning en ik heb kloppende wroeging
Ik neem de bus en ik mis mijn gouden ring
Te voet keer ik terug naar de woning van mijn oudste zus.

Ze leeft nog, maar ze wil mijn naam niet meer verkleinen
Het aambeeld was slechts een pluchen jachthond
Met een spookfazant in zijn muil
De grootste paling draagt mijn ring als ketting, het is en blijft een waardeloos ding.

 

 

 

 

Bijna iedere woensdagavond zijn we niet onder de indruk van koraalriffen

Bijna iedere woensdagavond bekijken we een documentaire over koraalriffen
De oude kruisboogschutter draagt een grijze kamerjas
Die ruikt naar de asfaltverbrande pootkussens van onze spookspaniël
En naar de circusstelten van mijn vader die in een plas olifantenurine zwemmen
Ik klaag bloot over mijn nakende sollicitatiegesprek.

Morgenmiddag zal ik zeggen dat ik al heel mijn leven treintickets wil perforeren
Het zal de waarheid zijn
Maar ze zullen mij niet geloven
Ik zal de sepia foto’s tonen van mijn perforerende spoorwegvoorouders
Niemand zal wankelen, achteraf zal ik de foto’s in de muil van een fonteinbietebauw gooien.

De documentaire eindigt in olijkheid met het farmacologische nut van doodskwallen
Ik toon de foto’s van mijn perforerende spoorwegvoorouders aan de oude kruisboogschutter
Hij is niet onder de indruk, niets is indrukwekkend
Behalve het litteken van mijn grootoom Oscar
Vooral als je weet dat het eigenhandig gekerfd is, en dat het langer dan een ukelelesteel is.

Het slingerende litteken eindigt naast zijn verontwaardigde linkerneusgat
Waar het begint is privé of schaamtevol, de drie andere broers zijn gaver maar dikker
De oude kruisboogschutter vraagt of het te laat is
Te laat voor cunnilingus, wil hij weten?!
Ik haal mijn schouders op, ik voel dat ik niet klop.

Ik trek mijn kleren aan en haal de rest van de slagroomtaart uit de keuken
We eten redelijk fatsoenlijk de rest van de taart op
De oude kruisboogschutter vraagt of het te vroeg is
Om de koraalriffen opnieuw te bekijken, we kunnen stoppen net voor de kwallen
We kijken opnieuw en hij valt in slaap, de avond eindigt met hartverlammende tentakels.

 

God is de sigaar niet

De oude kruisboogschutter denkt terug aan zijn geëlektrocuteerde schoonheidskoningin
Hij denkt leunend terug, leunend tegen zijn bizonachtige ijskast
Ik vraag: ‘Waar denk je zo gepijnigd aan?’
Hij antwoordt: ‘Ik denk gepijnigd aan de pot mosterd in mijn bizonachtige ijskast.
Het is zo’n verspilling. Ik heb mij laten vangen door een kortingsbon…’

De oude kruisboogschutter stopt met leunen en geeft mij een pleister
Ik heb mijzelf gesneden met een palingmes, op de pleister staan geruststellende stieren
Ze dragen horlogemakerkleren en ze zijn nooit stotig geweest
Toen de dochter van de oude kruisboogschutter een kind was viel ze vaak
En altijd moest er plaaster aan te pas komen, vaak viel ze uit platanen.

Ook ik ben ooit uit een plataan gevallen
Mijn grootvader riep: ‘Ik heb een lam voor je meegebracht!’
Ik viel niet voor het lam, ik viel voor mijn grootvader
Hij was drie maanden in Turkije geweest, ik had hem gemist
Er was geen lam, er was geen breuk, mijn grootvader liet mij de ganse avond schilderen.

Terwijl hij zijn normale sigaar rookte schilderde ik abnormale marktaferelen
Abnormaal was de blootheid van de sponzenverkoper
Nog vreemder was de gulheid van de kaarsenmaker
Het vreemdst van al waren de hoofden van de marktbezoekers: woeste hondenkoppen
En de grond bezaaid met kapotte koortsthermometers en onbruikbare misthoorns.

De oude kruisboogschutter zegt: ‘Ik verdwaal in je gedichten.
Gisteren bijvoorbeeld, dat gedicht over je sollicitatiegesprek in een speelgoedfabriek;
Waarom moeten daar plots gekwelde okapi’s en pesterige penseelaapjes opdoemen?’
Ze doemen niet op, ze zijn pesterig noch gekweld, je vindt nooit de weg
Maar ik zwijg en maak mij klaar om vernederd te worden in een plastieken orchideeënbedrijf.

Geef een antwoord