Ouderen in verpleeghuizenleiden een mensonwaardig bestaan, zo wil het beeld. Maar klopt dat wel? Een nieuw rapport zegt iets héél anders.

‘IK BEN EEN HEEL gewone vrouw en ik neem mijn eigen stoel mee.’ Kordaat pakt Wilma Bartels (77) haar rollator. Op haar lichtblauwe suède klittenbandschoenen zet ze vanuit de huiskamer van haar afdeling in verpleeghuis Zonnehuis in Amstelveen met korte schuifelpasjes koers naar haar eigen kamer. ‘Ze legt heel wat kilometers af’, zegt haar echtgenoot Jan (76). ‘Ik ben trots op je’, zegt hij tegen zijn vrouw. Dat zal hij die middag nog vaak zeggen. Toen Wilma nog thuis woonde, liep ze niet meer. Ze had pijn en zat alleen nog in een stoel. Jan bracht haar, zo goed en zo kwaad als het ging, naar het toilet. Dan gilde ze het uit, zo hard dat Jan zich schuldig voelde tegenover de buren. Zij hoorden het vast ook. Al jaren waren er nog andere dingen die niet goed gingen. De gordijnen dichtdoen: opeens wist ze niet meer hoe het moest. Vijfenveertig jaar lang had ze het geweten: eerst het ene gordijn dichttrekken en dan het andere. Nu stond ze steeds aan één kant te trekken, wanhopig: ‘Die moet toch helemaal dicht?’ Ze werd onzeker, angstig. Soms zag ze dingen die er helemaal niet waren, zegt Jan. En: haar taalgebruik veranderde. Vroeger was ze altijd beheerst. Ze gebruikte ‘nette, welopgevoede woorden’. Nu schoot ze soms ineens uit haar slof. Dan vloekte ze als een bootwerker. Dat had Wilma nooit eerder gedaan. ‘Dan ga je jezelf achter de oren krabben: dit is niet goed.’

Na onderzoek volgde de diagnose: vasculaire dementie, een ziekte die plotseling begint en stapsgewijs verloopt. Deze vorm van dementie hangt samen met hersenbeschadiging als gevolg van een beroerte of een reeks kleine beroertes, TIA’s. De ziekte verloopt vaak grillig. Een geneesmiddel is er niet. Dat besef kwam hard aan. Op z’n Hollands gezegd: ‘Je wordt er niet vrolijk van’, aldus Jan. Maar ertegen vechten levert ook niks op. ‘Je moet van zo’n situatie maken wat er van te maken valt.’ Begin dit jaar zakte Wilma thuis in de badkamer in elkaar. Ze stond niet meer op. Jan was erbij en belde 112. Besloten werd dat Wilma na de ziekenhuisopname naar het verpleeghuis zou gaan. Daar werd Wilma in het begin met een tillift naar het toilet gebracht. Niemand dacht dat ze ooit nog zou lopen. Maar ze maakte steeds aanstalten om zelf te gaan staan. ‘Doe dat nou niet’, zei Jan, ‘dat wordt vallen.’ Maar zijn vrouw zette door – ‘er zit toch nog een stuk vuur in’ – en ging weer zelf lopen, met de rollator. ‘Een klein wonder’, vindt Jan. ‘De verpleging is echt geweldig. Ik dank God op m’n blote knieën dat dit mogelijk is.’
Aan Wilma vraagt hij hoe ze zich voelt. Ze kijkt hem aan, onderzoekend. Dan schiet ze in de lach en blijft giechelen. ‘Ik voel me wel lekker’, zegt ze. Weer giechelt ze. Ze strekt haar hand uit en aait met haar vingertoppen over de wang van haar man. ‘Je hebt vanmorgen ook zo goed gegeten. Ik ben trots op je’, zegt Jan.

Nooit naar buiten
Dat het verpleeghuis zo’n zwartgallig imago heeft, komt volgens specialist ouderengeneeskunde Paul van Houten van het Zonnehuis deels doordat de media misstanden en incidenten in de ouderenzorg uitvergroten. Toen een tachtiger, Joop van Rijn, vertelde dat de urine soms langs de enkels van zijn echtgenote liep in een Haags verpleeghuis, was de ophef groot – helemaal toen de klokkenluider de vader van staatssecretaris Martin van Rijn bleek te zijn. Vlak voor de verkiezingen in 2017 volgde het manifest Scherp op ouderenzorg van Hugo Borst en Carin Gaemers waarin ze een bezettingsnorm eisten: minimaal twee verzorgenden op acht ouderen. En recent maakte het Sociaal en  Cultureel Planbureau (SCP) bekend dat een kwart van de ouderen in verpleeghuizen nooit buiten komt. Van Houten vindt dat niet zo gek: ‘Doordat mensen lang thuis moeten blijven wonen, komen ze pas in het verpleeg huis als ze ernstig ziek zijn. Gemiddeld hebben ze dan nog een levensverwachting van acht maanden. Die zieke en vatbare ouderen naar buiten brengen, is in veel gevallen niet zo’n goed idee.’ Dat driekwart van de kwetsbare hoogbejaarden in verpleeg huizen wél naar buiten gaat, is eigenlijk best bijzonder, vindt hij. Misstanden zijn er zeker, erkent Van Houten. Er zijn grote verschillen tussen de instellingen. Maar er is nog een andere kant die we minder vaak horen. ‘Er zijn mensen die juist opknappen in een verpleeghuis. Als ze hulp nodig hebben, is er altijd iemand in de buurt. Dat geeft een gevoel van geborgenheid.’

Elke dag genieten
Wen Han (83) wilde nooit naar een verpleeghuis. Een aanleunwoning wilde ze, zodat ze zelfstandig kon blijven wonen. Het huis in Haarlem, waar ze met haar man en kinderen had gewoond, had ze te koop gezet. Haar man was overleden, de kinderen waren volwassen en woonden in Amsterdam. De aanleunwoning kwam er, in 2013. Geleidelijk aan ging het lichamelijk allemaal wat minder, dat wel. Na drie jaar moest de thuiszorg driemaal daags langs komen. Maar Wen klaagt niet gauw. Met de rollator ging het allemaal nog prima, dacht ze.
Tot ze juli 2016 een delier kreeg: een ernstig ziektebeeld met acute verwardheid, veroorzaakt door een onderliggende aandoening. In het geval van Wen was dat een stoornis in de water- en zouthuishouding. Ze kon niet meer opstaan uit haar stoel. Het calciumgehalte in het bloed bleek veel te hoog en ze was uitgedroogd. ‘Och, ik heb er zelf niks van gemerkt, maar de kinderen waren érg zenuwachtig’, schokschoudert Wen. Haar zoon Yung (57): ‘Mijn moeder was er heel slecht aan toe. Vorig jaar dachten we dat ze misschien wel zou overlijden.’
Maar Wen leeft nog. Wel zijn de spieren in haar benen door het voorval verschrompeld, waardoor ze nu permanent in een rolstoel zit. ‘Ik heb gedroomd dat ik naast een doodskist lag, in een wit bloesje. En toen werd ik wakker en dacht ik (ze spert haar ogen wijd open): ik lééf nog! Ja, natuurlijk ben ik blij dat ik er nog ben. Ik geniet van elke dag.’
En dat komt niet in de laatste plaats door het verpleeghuis, vertelt ze. De vrouw die beslist alleen in een aanleunwoning wilde, vindt het nu allergezelligst met haar nieuwe vrienden en vriendinnen. De dood is altijd dichtbij, maar zelfs dat went: ‘Dan komen ze gewoon niet meer aan tafel om te eten.’ En het is heerlijk, vindt ze, dat ze hier alles op tijd kan krijgen. ‘Het personeel is geweldig. Ik zeg wel eens tegen de meisjes: jullie hebben ook je eigen zorgen thuis, maar je laat niks merken. Dat vind ik knap.’

Aliëtte Jonkers is medisch journalist. Ze schrijft interviews, achtergrondartikelen en columns. De gezondheidszorg is haar specialiteit, maar ze houdt ook érg van human interest. En van katten, natuurlijk.