In de serie Kort van Stof publiceren toonaangevende schrijvers een nieuw, ongepubliceerd kort verhaal. Roman Helinski debuteerde afgelopen lente succesvol met de roman ‘Bloemkool uit Tsjernobyl’. In deze Kort van Stof een fragment uit zijn novelle ‘De wereld volgens mijn moeder’, die voorlopig op de plank blijft liggen.

STEUN RO

Roman Helinski (1983) debuteerde afgelopen lente met de goed ontvangen roman 'Bloemkool uit Tsjernobyl'.  Momenteel werkt hij aan zijn tweede roman. Roman Helinski publiceert regelmatig korte verhalen in onder meer 'Hollands Maandblad' en 'Hard Gras'. Ook schrijft hij reisreportages.

Dit is een fragment uit de novelle 'De wereld volgens mijn moeder', die voorlopig op de plank blijft liggen.

DE WERELD VOLGENS MIJN MOEDER

*

Een paar minuten over twee haalden we haar op van het station. Mijn moeder zei: ‘Er komt een heel bijzonder meisje bij ons wonen, een schat van een kind en zo mooi.’ Ik begreep niet waar ze vandaan kwam en dat werd me ook niet verteld. Toen ik ernaar vroeg, zuchtte mijn moeder. Ouders stimuleren vaak het stellen van vragen, maar dan kende je mijn moeder nog niet.

Met een felroze koffer in haar hand stond het meisje ons op te wachten op het perron. Voor hetzelfde geld zou ze elk moment op een trein kunnen stappen die haar ver bij ons vandaan zou voeren. Ze had blond haar dat meedanste met elke windvlaag. Toen we dichterbij kwamen, zag ik dat het eigenlijk wel meeviel, zo knap was ze niet, haar neus stond hartstikke scheef. Ze droeg een blauwe jurk en was een jaar of zestien. Ikzelf was veertien en een half. Ze heette Frankrijk, en dat vond ik een gekke naam, een gek meisje moest dat haast wel zijn. Maar toen ze voor het eerst naar me lachte, begon de muziek van verliefdheid te spelen in mijn hoofd, een deuntje dat nog lang aan zou houden.

‘Kind,’ vroeg mijn moeder. ‘Heb je het niet koud?’ Tegen mij zei ze: ‘Wat sta je daar nu weer te lanterfanteren, wees een heer. Neem haar koffer over en geef haar je jas.’

Frankrijk giebelde even, toen zei ze: ‘Ja, ik heb het koud.’ Het verraste me dat ze dezelfde taal sprak. Ze zag eruit alsof ze van ver kwam, veel mee had gemaakt, alsof ze uit een andere wereld afkomstig was dan mijn veilige wereld vol runderen en uitgestrekte weilanden.

De koffer botste tegen mijn benen toen ik ons erf opliep. Frankrijk en mijn moeder liepen voor me. Mijn moeder vroeg: ‘Japan?’

Ik weet het echt niet,’ zei Frankrijk. ‘Sorry.’

‘Dat geeft niet,’ antwoordde mijn moeder. ‘Dat leer ik je nog wel.’

‘Mámá,’ riep ik. ‘Laat haar met rust.’ Ondertussen deed ik mijn best de koffer in één hand te dragen, al kostte dit me veel kracht. Ik wilde sterk zijn. Voor Frankrijk.

‘China dan,’ zei mijn moeder. ‘Die weet je wel, toch?’

‘Beijing,’ zei Frankrijk.

‘Goed zo! Goed zo!’

 

’s Avonds aan de keukentafel werd er weinig gesproken. Buiten was het nog licht, al liep de zomer op zijn einde. We aten aardappels met worst en iets te harde bieten. Frankrijk schepte twee keer op. Misschien was ze zo druk met eten dat ze vergat te praten. Ze neuriede wel af en toe, maar dat had ze zelf volgens mij niet door. Mijn moeder probeerde wat woorden uit haar te krijgen, maar er leken gewoon erg weinig woorden in haar te zitten. Toen mijn moeder dat ook doorhad, keken we maar wat uit het raam.

Frankrijk was meteen na aankomst naar de kamer gegaan die we voor haar vrij hadden gemaakt. Mijn moeder had witte rozen op het bed gelegd, en zonnebloemen aan de raamkozijnen gehangen.

Tot het eten was Frankrijk op haar kamer gebleven. Tevergeefs had ik heel de middag in de keuken op haar zitten wachten. Het was alsof haar huid speciaal voor mij gloeide, zo mooi vond ik haar. Die scheve neus stond kaarsrecht.

‘Ze moet wennen,’ zei mijn moeder tegen mij.  ‘Jij zou ook moeten wennen in een nieuw huis, en ik misschien ook.’

Na het eten wilde Frankrijk meteen weer naar haar kamer gaan, zonder te informeren of ze bijvoorbeeld met de afwas kon helpen.

‘Kind,’ zei mijn moeder. ‘Loop een rondje over de boerderij, leer de dieren kennen, dan leren ze jou kennen.’

 

‘Dit zijn ze,’ zei ik. Frankrijk liep naast me. Ze keek de hele tijd naar haar schoenen. Gele gympen. Ze neuriede weer. Zelf droeg ik veel te grote laarzen, al viel het vandaag mee met de modder.

Ik liet haar de runderen zien, de pronkstukken van mijn vader. Japanse runderen, met vlees zo duur als goud. Ik vond het prachtige beesten, omdat ze iets kalms uitstraalden, en iets van geluk.

Mijn vader zei altijd dat ze boven alles stonden voor wijsheid. Hij kon uren naar die beesten kijken, daar bespotte mijn moeder hem dan om.

‘Jij kijkt hele middagen naar een wereldkaart,’ zei hij. ‘Dan is het een boel normaler om af en toe eens bij de pracht van de natuur stil te staan.’

 

De pracht van de natuur deed Frankrijk weinig, al trilde haar onderlip een beetje.

‘Leuk, ‘ zei ze en ze keerde zich alweer om.

‘Wil je de stallen niet zien?’ vroeg ik.

‘Een andere keer, vind je dat goed?’

Ze wachtte mijn antwoord niet af en verdween naar binnen.

Toen ik binnenkwam, was ze alweer naar haar kamer. Mijn moeder was aan het afwassen in de keuken.

 ‘Het is een bijzonder meisje, vind je niet?’ vroeg ze. ‘Zo eigengereid.’

‘Ja, ‘ antwoordde ik. ‘Heel bijzonder.’

Ik wilde meteen mijn bed in duiken, om aan haar te denken. Aan de geur van haar haren, aan haar blauwe jurk, aan haar gele gympen en hoe dichtbij ze had gestaan toen ik haar de runderen had laten zien. Veel dichterbij dan nodig was. Ik had haar adem langs mijn gezicht voelen strijken.

Ik liep snel naar boven, maar mijn moeder zei: ‘Oeganda?’

‘Mam…’

‘Kom op, je weet het best.

‘Nee.’

‘Toe….’

‘Kampala.’

‘Correct!’ Ze glom en zei: ‘Nu, hup. Naar bed. Morgen is een belangrijke dag.’

**

Mist hing de volgende morgen vlak boven onze weilanden en boven het erf.

Vanuit die mist kwam een rode tractor aangereden.

‘Daar zal de eerste zijn,’ zei mijn moeder. Met haar ochtendjas nog aan snelde ze het erf op. Ze klemde haar jas dicht met één hand.

Een grote man, onmiskenbaar een boer, stapte uit. Ongemakkelijk schudde mijn moeder en hij elkaar de hand. Daarna vroeg ze hem binnen. Hij klopte zijn laarzen met veel tamtam uit tegen de muur en moest bukken bij onze deur.

‘Mooi keukentje,’ zei hij.

Hij had lef, die vent.

Een keukentje. Het was een keuken, mijn vader had hem goeddeels zelf getimmerd. Op voorspraak van mijn moeder waren de muren mintgroen geverfd. Boven de eettafel hing een kleurrijke wereldkaart waarop Rusland en Canada belachelijk groot waren afgebeeld.

Ik zat erbij toen mijn moeder en de man spraken, maar met mijn hoofd was ik bij Frankrijk, die ik de hele morgen nog niet had gezien.

‘Wat vind jij?’ vroeg mijn moeder toen de boer in zijn rode tractor vertrok.

Ik vond hem stom, omdat hij zo lomp bewoog en hard praatte. Omdat hij de motor van zijn tractor nog even had laten ronken, alsof het een formule 1-wagen was.

Hij leek in niets op mijn vader.

 

Nummer twee kwam niet opdagen. Mijn moeder en ik keken om elf uur hoopvol naar buiten en ook om kwart over elf en zelfs tegen twaalven, maar van nummer twee geen spoor.

 ‘Heel jammer,’ zei mijn moeder. ‘Hij klonk beloftevol.’

 

De derde man kwam op de fiets, in een keurig, zwart pak. Als een minister in tijden van crisis. Zodat ik dacht dat hij de runderen kwam controleren, dat gebeurde nogal eens, omdat er strenge eisen waren verbonden aan het houden van Japanse runderen.

De man was een Aziaat.

Mijn moeder zei: ‘Ah, u bent hier precies aan het goede adres. Wij houden Japanse runderen.’

‘Ik ben Chinees,’ zei de man.

Verder liep het gesprek goed, maar erg serieus kon ik deze snuiter niet nemen.

Hij heette Changdong en had geen enkele ervaring met werken op een boerderij.

‘Maar ik ben leergierig,’ beloofde hij.

Hij maakte een hupje op zijn plaats, een hupje dat heel energiek was. Ik kreeg meteen zin om naar het bos achter onze boerderij te rennen en daar in de bomen te klimmen of een hut te maken.

 

Mijn moeder liet Changdong de hele boerderij zien en legde ondertussen van alles uit. In tegenstelling tot Frankrijk wilde de Chinees wél de stallen bezoeken.

Hij pakte meteen een hooivork vast toen hij er was en begon het hooi aan de kant te scheppen.

‘Wat doe je?’ vroeg mijn moeder geamuseerd.

‘Ik werk,’ zei hij ernstig.

Hij had zijn jasje uitgetrokken en de mouwen van zijn hemd opgestroopt.

Aan de keukentafel spraken ze een hele poos, terwijl ze koffie dronken. Het blik met koekjes stond midden op tafel. Ik verdween naar het bos en toen ik minstens een uur later terugkwam was Changdong er nog steeds, bijna alle koekjes waren op.

Changdong riep: ‘Santiago!’

En daarna: ‘Skopje!’

Mijn moeder schaterde het uit, en even was ik gelukkig, want die lach had ik al een poos niet gehoord.

Toen hij weg was, zei mijn moeder: ‘Dit is hem, we nemen hem.’

‘Maar hij weet niets van een boerderij onderhouden…’ bracht ik uit. ‘Hij deinsde terug toen de koeien dichterbij kwamen.’

‘Zijn hart zit op de goede plek,’ antwoordde ze. ‘Dat heb ik al gezien. Daar begint het allemaal mee. Met dat hart.’

***

Na een week nam ik Frankrijk mee het bos in. Ze had niet zoveel zin, maar ze volgde me wel.

‘Als je me maar niet gaat zoenen,’ zei ze.

‘Dat zou ik nooit doen!’ riep ik uit.

Maar ik wilde niets liever.  En zij wilde het ook – haar lip had getrild toen ik haar  die eerste keer de runderen had laten zien. Wanneer de lippen van een meisje trillen, moet de jongen toeslaan.

Op de badkamer pakte ik vaak even vlug haar bh uit de wasmand en rook eraan. Frankrijk droeg in het bos geen bh onder haar hemdje, dat kon ik zien. Ze had wel een spijkerbroek aan die heel strak zat bij haar billen.

‘Trek toch eens wat warmers aan,’ had mijn moeder zich al een paar keer laten ontvallen. Maar Frankrijk hield stug vast aan haar kleding.

In het bos zei ze: ‘Je moeder is een beetje raar.’

Ik wist niet of ik boos moest zijn of dat ik moest lachen. Ik wist niet of ik boos kón zijn op Frankrijk. Ze volgde me overal in het bos. Ik voelde me machtig, alsof ik alles met haar kon doen.

Ik keek naar haar lippen, die glinsterden maar niet trilden.

Mijn hut, onder twee omgevallen bomen, vond ze heel mooi.

‘Hier kunnen we stiekem roken,’ zei ze. ‘En drinken.’

‘Ik rook niet.’

Ze zweeg even.

‘Wedden dat ik je binnen een week aan het roken krijg?’

‘Echt niet.’

 ‘Nu wil ik terug,’ zei ze. ‘Ik heb het koud.’

****

‘Ze valt me gewoon wat tegen,’ zei mijn moeder. ‘Ze sluit zich op in haar kamer, slaapt veel te lang, zegt weinig. Ze waagt zich niet aan de geografie, zelfs niet een beetje.’

Mijn moeder was er de vrouw niet naar om om haar mening heen te draaien.

‘Volgens mij is ze gewoon niet gelukkig,’ bracht ik uit.

‘Gelukkig?’ vroeg mijn moeder. ‘Nee, zeker niet! Dat ziet een kind.’  

 ‘Dan moeten wij daar toch voor zorgen? Iets voor haar kopen, of zo.’

Ze schudde haar hoofd. ‘Geluk koop je niet, schatje. En je kan er iemand niet aan helpen. Het zit in je of niet, en zo niet, dan heb je gewoon pech.’

 

Een paar dagen na dit gesprek zat Frankrijk zachttjes te huilen op het grasveld naast de stallen. De zon was al onder, maar de kleuren van de dag dansten nog in de lucht. Het was een koele avond.

Zodra ze me opmerkte, riep ze: ‘Ga weg!’

Ik bleef, ging na een poosje zelfs naast haar zitten.

Wat me bezielde weet ik niet, maar ik sloeg mijn arm om haar heen.

Ik voelde dat ze zich even verzette, heel even maar. Toen legde ze haar hoofd op mijn schouder.  

Ze zuchtte diep.

‘Ik vind het hier zo mooi,’ zei ze. ‘Ik krijg er tranen van in mijn ogen. En het is gezellig, zo gezellig.’

We zwegen een tijdje, roerloos bleef ik zitten omdat ik als de dood was dat ze haar hoofd van mijn schouder zou halen. Haar warme hoofd.

‘Hoor je de muziek?’ vroeg ze toen.

Op wat speelse vogels en de wind na, was het doodstil op de boerderij.

‘Als je goed luistert, heel goed,’ fluisterde ze en ze tilde haar hoofd op. ‘Iemand speelt viool, hoor je het?’ Ze fluisterde: ‘Ik mis mijn viool.’

Ik hoorde de muziek van verliefdheid in mijn hoofd, diezelfde muziek als bij onze eerste ontmoeting. Hoorde zij die melodie ook?

*****

Ik hoopte ik dat het een grap was van mijn moeder, dat gedoe met Changdong. Dat ze op een middag zou zeggen: ‘Hij is onze nieuwe belastingadviseur.  Die komt niet op de boerderij werken, ben je gek.’ Maar dat gebeurde niet. Sterker nog: Changdong kreeg van de één op de andere dag de dagelijkse leiding van de boerderij in handen. Zijn nette pak ruilde hij in voor een blauwe overall. Als je niet beter wist, zou je zeggen dat het een gewone boer was. Maar de koeien kwamen ’s morgens niet meer uit de stallen en wilden er ’s avonds niet in.

Een paar avonden op rij nam Changdong zijn fiets vlak voor zonsondergang mee het veld op en cirkelde rondjes om de koeien heen, om ze richting de stallen te krijgen. Ze sloegen hem apathisch gade, niet het minst onder de indruk.

Mijn moeder keek ernaar vanuit de keuken, met een rood hoofd van het lachen.

‘Mama!’ riep ik tegen haar. ‘Hij kan er niets van!’

 ‘Nee, helemaal niets, geweldig he!’ proestte ze uit.

Alles wat mijn vader in jaren op had gebouwd, zou binnen de kortste keren naar de verdoemenis gaan.

Ik beende boos de keuken uit. ‘Het komt wel goed, schat,’ riep mijn moeder me na. ‘Dat beloof ik je.’

En ik, stommerd, geloofde haar. Natuurlijk geloofde ik haar. Zij was mijn moeder en ze wist hoe de wereld in elkaar zat.