Waar de romans van schrijver Karl Ove Knausgård in de boekenkast een ruime halve meter beslaan, vraagt het werk van zijn vrouw Linda Boström nog geen tien centimeter. Wat betreft intensiteit doet haar schrijfstijl echter niet voor de zijne onder, maakt haar prachtige debuutroman ‘De val van de Helios’ duidelijk. Gesprek over geestelijke kwetsbaarheid en de genade van het schrijven.

STEUN RO

Linda Boström Knausgård – ‘De val van de Helios’, World Editions, €15,95/€13,- (e-book)

Haar vingers tasten naar een kleine uitgave van ‘Het licht’ van landgenoot Torgny Lindgren, een van de grote schrijvers van Zweden en lid van de Zweedse Academie, die de Nobelprijs voor de Literatuur toekent. ‘Och, hij is zó goed,’ zegt Linda Boström Knausgård (1972), terwijl haar hand het omslag streelt. ‘Hij kan over alles schijven, zijn taal is heel krachtig en heeft een geweldige melodie. Van een muzikant zeg je dan dat hij een absoluut gehoor heeft. Sommige Zweedse schrijvers hebben dat, een absoluut gehoor. Per Olov Enquist heeft dat ook. Maar Lindgren vind ik nóg beter, hij is wat rauwer. Enquist heeft altijd een geschiedenis die geweldig is om te lezen, maar Torgny Lindgren maalt daar minder om, hij grijpt de lezer zelfs zonder een fantastische plot. Is hij bekend hier, wordt hij veel gelezen? Niet zo?’ Boström valt even stil, een tikkeltje bedremmeld. ‘Het voelt wel vreemd om geïnterviewd te worden, terwijl je uit hetzelfde land komt als Torgny Lindgren.’

Toch gaan we het over haar en haar debuutroman hebben, ‘De val van de Helios’, een compacte, indrukwekkende roman over een meisje van twaalf – ze wordt Anna genoemd – dat haar vader verliest aan een psychiatrische instelling en zelf uiteindelijk ook moet worden opgenomen. ‘De val van de Helios’ is een bijzonder verhaal en voor velerlei interpretaties vatbaar. Het heeft iets weg van een mythe, met een meisje dat uit het hoofd van haar vader wordt geboren en daarbij zijn hoofd in tweeën splijt. Het heeft iets weg van een koortsdroom of nachtmerrie, in de passages over haar verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis of de zondagen dat ze, als ze nog bij het pleeggezin verblijft waarin ze is opgenomen, voor de Pinkstergemeente in tongen moet komen spreken en daardoor steeds volkomen van de kaart raakt. Het heeft soms zelfs iets sprookjesachtigs door de op momenten dromerige innerlijke beleving van Anna en de scènes waarvan je niet precies weet of ze werkelijk plaatsvinden of alleen maar in haar verbeelding, of ze letterlijk of figuurlijk moeten worden opgevat. Desondanks is het een zeer realistische vertelling, met heldere taal die raakt, juist omdat elke sentimentaliteit ontbreekt.

De media mogen dan over Linda Boström heen vallen – vooral omdat ze de echtgenote is van de inmiddels wereldberoemde Karl Ove Knausgård, schrijver van onder meer de zesdelige autobiografische romanreeks ‘Mijn strijd’, die in deel twee uitgebreid over haar en hun huwelijk heeft geschreven – de roman ‘De val van de Helios’ maakt duidelijk dat Boströms schrijverschap op zichzelf kan staan. Hoewel het haar eerste boek is dat in België en Nederland verschijnt, debuteerde Boström in eigen land al in 1998 met de dichtbundel ‘Gör mig behaglig för såret’ (‘Maak me behaaglijk voor de wond’) en verscheen in 2011 haar verhalenbundel ‘Grand Mal’, met twintig verhalen over hallucinaties en epilepsie. ‘De val van de Helios’ werd bekroond met de Mare Kandre Prijs en lijkt Boströms internationale doorbraak te worden. Boström maakte ook documentaires voor de radio, onder meer over haar vaders psychiatrische verleden en haar eigen bipolaire stoornis. Aan Anna’s gewaarwordingen in ‘De val van de Helios’ is te merken dat Boström weet hoe het is, die staat van zijn.

Hoewel zijzelf opgroeide in Stockholm, kwamen Boströms ouders uit het donkere, verlaten noorden, uit Västerbotten, waar generaties schrijvers vandaan zijn gekomen – Torgny Lindgren, Per Olov Enquist –, de streek ook waar ‘De val van de Helios’ zich afspeelt.

Wat is er zo speciaal aan die streek? Wakkert de afgelegenheid de verbeelding aan?

‘Dat zou kunnen. Er is iets met dat landschap, maar wat precies… Schrijfster Sara Lidman kwam er ook vandaan. Västerbotten brengt veel schrijvers voort. Mijn neef, die dichter is, is in Västerbotten opgegroeid. Ik herinner me de mensen als… trots. Mensen leefden daar in de natuur, volgden de seizoenen. Ze waren trots op hun landschap, als het herfst was en ze gingen jagen, of als de vissers kaviaar bereidden. Grote bossen. Grote afstanden. Als mijn neef een hotdog wilde halen, moest hij kilometers door het bos op zijn scooter. Heel anders dan mijn jarenzeventigjeugd in Stockholm.

Mijn vader was erg gelukkig toen hij met mijn moeder in het noorden woonde. Ze hadden een goede baan; mijn vader was ingenieur en mijn moeder secretaresse. Maar zij kreeg op een gegeven moment een paniekaanval: ik ben twintig, ben secretaresse, getrouwd en woon in een dorp in Noord-Zweden. Is dit mijn leven? Zo klein? Ze besloot dat ze actrice wilde worden en kreeg mijn vader zover dat ze naar Stockholm zouden verhuizen als ze zou worden aangenomen op de Theaterschool aldaar, de beste van Zweden. Hij dacht waarschijnlijk dat ze niet zou worden aangenomen.’

Dat werd ze wel.

‘Dat werd ze wel. En dus belandden ze in Stockholm. Mijn moeder moest als de wiedeweerga haar accent kwijtraken: noordelijk Zweeds klinkt als zingen. Mijn vader nam een baan in Stockholm. Voor hem was het beter geweest als hij in het noorden was gebleven. Hij was vaak ziek, en werd daar meer geaccepteerd dan in de stad. Hij had er betere vrienden gehad, denk ik. En hij hield van het soort leven, het vissen en alles. Ik denk bovendien dat hij een beetje jaloers was op mijn moeder.

De jaren zeventig waren het decennium van het kind. Veel kinderen gingen met hun ouders mee naar het theater. We mochten er spelen en ik voelde me daar gelukkig. We zagen voorstellingen, voor kinderen maar ook voor volwassenen, en het grote gebouw prikkelde je fantasie. Ik was er elke avond. Ik wilde niet thuis zijn.’

Wat voor invloed had dat op je verbeelding?

‘Ik denk dat veel invloed heeft gehad. Keer op keer zag ik mijn moeder op het podium en ik kende de teksten uit mijn hoofd. Ik begon al heel jong met schrijven, las m’n moeder mijn verhalen voor als ze in haar kleedkamer was. Ze gaf me een boek over Griekse mythologie. Het verhaal over Pallas Athene, waar ‘De val van de Helios’ naar verwijst, las ik toen ik een jaar of negen was.’

Pallas Athene werd geboren uit het hoofd van Zeus, waarbij zijn hoofd in tweeën splijt. Zo begint ook ‘De val van de Helios’.

‘Ik was al een tijd met ‘De val van de Helios’ bezig en wat ik geschreven had was wel oké, maar het boeide me nog niet erg. Op een dag schreef ik de eerste paar zinnen: ‘Ik word geboren uit een vader. Ik splijt zijn hoofd. Een ogenblik zo lang als het leven zelf staan wij tegenover elkaar en zien elkaar in de ogen.’ Dit is anders, voelde ik, dit ís iets. De zinnen spraken tot mij, wakkerden mijn interesse aan.

Ik begon het verhaal… te volgen. Het kwam tot mij en ik probeerde het bij te houden. Alsof ik het niet verzón, maar alleen maar hoefde te volgen wat zich aandiende. Ik hoorde de stemmen van de personages, hoe ze tegen elkaar praatten.

Het tweede deel van het boek was aanvankelijk heel anders. Ik heb het allemaal weggegooid. Drie maanden werk. Hoppakee. Het verhaal over Anna in het ziekenhuis diende zich heel krachtig aan. Schrijven, schrijven, schrijven, moest ik. Karl Ove zat in het buitenland, en ik was thuis met de kinderen en mijn moeder verbleef bij ons. Zij herkende wat er met mij gebeurde – zij kende dat uit haar eigen carrière – en nam mij vervolgens alles uit handen. Ik hoefde nog geen boterham te maken, ik kon dag en nacht doorwerken. Ik durfde het niet los te laten, bang dat het de volgende dag verdwenen zou zijn. Dat maakt schrijven ook heel onzeker, want gaat zoiets nog een keer gebeuren?’

Heeft dit een verandering in jouw schrijverschap teweeggebracht?

‘Het schrijven van ‘De val van de Helios’ voelde als een geschenk. Ik heb sterk het verschil ervaren tussen schrijven om te schrijven en schrijven terwijl het gewoon komt. Ik denk dat het me heeft laten zien dat ik meer op dit proces mag durven vertrouwen. Je kunt het niet afdwingen, het gebeurt of het gebeurt niet en dat moment moet je afwachten. Nou ja, wachten is niet het juiste woord, want je moet wel altijd blijven doorschrijven, ook als het er niet is. Misschien is die voorbereiding nodig om het te laten gebeuren. Ik weet ook niet precies hoe het werkt. Het lijkt wel iets magisch, alsof je niet zelf aan het roer staat. Toen ik het teruglas, herkende ik mezelf er op een bepaalde manier wel in, maar ik was ook verrast.

Veel lezers vragen me: hoe zit het nou? Is het echt wat er aan het einde gebeurt, wordt Anna herenigd met haar vader, of niet? Ik ga niet duiden of het een mythologisch of realistisch verhaal is. Ik wil dat de lezers woord voor woord de taal volgen. Die is voor iedereen hetzelfde en toch kun je het verhaal op veel verschillende manieren lezen. Dat is aan de lezer.’

Geestelijke kwetsbaarheid komt niet zelden voor bij kunstenaars. Je hebt zelf een bipolaire stoornis. In hoeverre hebben creativiteit en waanzin met elkaar te maken?

‘Schrijven is voor mijn gevoel nauw verbonden met de gezonde Linda, sterk en bij zinnen. Als je aan het werk bent, een krachtige focus hebt, kun je ver gaan en dat is dan niet gevaarlijk. Waanzin – wat een rotwoord – ligt op de loer als je niet aan het werk bent, of tussen twee projecten in zit. Dan raak je eerder van je pad af.’

Is schrijven een manier om in het midden te blijven of angsten te bedwingen?

‘Bedwingen is niet het juiste woord, maar ik denk wel dat het helpt om te gaan met bepaalde aspecten van jezelf en dat het creativiteit een uitweg biedt.’

‘De val van de Helios’ is een verhaal over een meisje dat in een pleeggezin belandt, zich steeds meer terugtrekt in zichzelf, en vanwege haar depressiviteit uiteindelijk wordt opgenomen in een psychiatrische inrichting. Meer nog is het een verhaal over een vader en een dochter. De vader, Conrad, wordt met acute schizofrenie opgenomen. Wat er met Anna is gebeurd is onduidelijk. Ze wil niets liever dan met haar vader herenigd worden, zó erg zelfs dat ze, ondanks haar onvoorstelbare eenzaamheid, in haar hart en hoofd voor niemand anders ruimte wil maken. Uiteindelijk belandt ze op dezelfde psychiatrische afdeling als hij. De brieven die Conrad aan Anna schrijft, zijn als de brieven die Linda ooit van haar eigen vader ontving.’

Werd hij vaak opgenomen?

‘Ja. Ik zag hem vaak een hele tijd niet. Dat begon al toen ik nog klein was. De periodes vóórdat hij werd opgenomen was het altijd een puinhoop. Als je in een manische periode zit, denk je dat je de wereld aankunt, je slaapt niet, koopt van alles en nog wat. Mijn vader ging dan naar de paardenraces, vergokte al zijn geld, werd agressief, opgepakt door de politie, ga zo maar door. Dus als er werd gebeld: Roland is in het ziekenhuis, voelde dat als een opluchting. Gelukkig, er wordt voor hem gezorgd. Hij verstjeert ons leven niet weer voor drie of vier weken. Ik weet niet meer hoe lang hij meestal weg was, maar wel dat het relaxed was dat hij daar verbleef.’

Was je bang voor hem?

‘Als hij ziek was absoluut. Het was beangstigend. Dat maakte me tot een observerend kind. Ik observeerde mijn moeder in het theater, en ik observeerde mijn vader om te zien wat hij aan het doen was, of het verstandiger was om naar een vriendinnetje te gaan of thuis te blijven, hoe hij eraan toe was. In het theater voelde ik me veilig. Daarom wilde ik daar zo graag zijn. Daar waren grotere krachten aan het werk. Mijn vader kon een theatervoorstelling niet in de war schoppen. Dan zou hij worden tegengehouden. The show must go on, dat was een heel sterk gegeven. En dat voelde veilig voor mij. Niemand kon me daar weghalen.’

Wat voor verstandhouding had je met je vader?

‘Ik denk dat ik hem continu probeerde te kalmeren. En dat ik probeerde te doen wat hij graag wilde.’

Je zorgde voor hem.

‘Ja. Als hij niet kon slapen omdat hij manisch was, zaten we de hele nacht te kaarten. Als ik alleen met hem was, of als mijn broer en ik bij hem waren na de scheiding van mijn ouders, probeerde ik hem rustig te krijgen.’

Je hebt niet alleen een documentaire over hem gemaakt, maar ook over jouzelf en je bipolaire structuur.

‘Dat klopt, het was een soort terugkeerproject. Ik had de deur naar wat er destijds met mij gebeurde, in het ziekenhuis en met mijn moeder en vrienden, al lang op slot gedaan. Voor deze documentaire ging ik terug in de tijd en bekeek ik mijn verhaal vanuit verschillende perspectieven. Ik las het ziekenhuisrapport, interviewde mijn beste vriend die destijds bij me was, liet mijn naar mijn moeder aan het woord, sprak de dokter. En ik brak niet in op hun verhaal.’

Heeft dat iets veranderd?

‘Die periode in mijn leven bleef later voor mij altijd een duistere plek waar ik bang voor was. Ik wilde daar niet naartoe. Na het maken van de documentaire voelde ik me vrijer.’

De manier waarop Anna vertelt over haar gevoelens, gedachten en waarnemingen moeten heel dicht bij de werkelijkheid liggen.

‘Mijn roman was genomineerd voor de Zweedse Radio Roman Prijs, en een lid van de jury was verbijsterd dat het zo overeenkwam met wat zijzelf ooit had meegemaakt. Ook van lezers krijg ik die reactie. Het was niet mijn doel om nu eens te gaan vertellen hoe het voelt om in een psychiatrische instelling te verblijven. Ik dacht daar niet over na terwijl ik het schreef. Maar ja… het is een plek die ik op meerdere manieren goed ken.’

Ze glimlacht. ‘Ik hoefde weinig research te doen.’