In de estafetteserie LEESLINT interviewt de ene schrijver de andere. Vandaag een speciale aflevering: culinair historica Claudia Vandepoel interviewt een van haar literaire helden, Jan van Aken, bekend van onder meer zijn lovend ontvangen roman ‘De afvallige’. ‘Ik denk dat veel ideeën nooit het levenslicht zullen zien. Of ik moet honderdtwintig jaar oud worden.’

STEUN RO

Jan van Aken (1961) is schrijver van historische romans. Hij werd geboren in de gemeente Herwen-en-Aerdt bij Lobith, die nu Rijnwaarden heet, maar groeide op op Aruba, waar zijn vader onderwijzer was. In 2000 debuteerde Van Aken met ‘Het oog van de Basilisk’. Daarna volgden ‘De valse dageraad’ (2001), ‘De dwaas van Palmyra’ (2003), ‘Het fluwelen labyrint’ (2005) en ‘Koning voor een dag’ (2008). Zijn meest recente roman is het veelgeprezen ‘De afvallige’, die op de longlist stond van zowel de Libris- als de AKO Literatuurprijs. 

Jan van Aken – De afvallige (608 p.), Querido, €22,50.

Door Claudia Vandepoel

Wat deed je voordat je schreef? Welk leven had je gedacht te krijgen?

‘Ik heb eventjes MO-Nederlands gedaan, ik heb daarna twee jaar op de Sociale Academie gezeten en ik heb veel levenservaring opgedaan. ‘Het fluwelen labyrinth’ is daar voor een deel op gebaseerd, het gaat over de onkenbaarheid van de eigen tijd en de werkelijkheid – in feite is het een uitdieping van mijn idee over geschiedenis.  Later heb ik ook de Schrijversvakschool gedeeltelijk gedaan. Nu geef ik daar les. In 1989 bedacht ik: ik wil schrijver worden. Schrijven is mijn passie.’

Wanneer begon je met schrijven?

‘Moeilijk te zeggen. Ik was als kind al steeds bezig met het verzinnen van verhalen en schreef daar ook al gauw wat van op. Soms schreef ik ook jaren niet, om het dan steeds weer op te pakken; dat is eigenlijk wat ik nog steeds doe. Ik denk dat ik eind jaren tachtig echt gericht ging lezen en onderzoeken om een en ander te kunnen gebruiken in verhalen.’

Je schrijft romans over verschillende historische periodes. Hoe kom je achter lastig vindbare bronnen?

‘Ik begin altijd met bekende populaire werken en ga van daaruit steeds dieper. Voor ‘De valse dageraad’ bijvoorbeeld kwam ik terecht bij de Monumenta Germaniae Historia, die in de bronnenkamer van de UBA staan. Die vormen een schat aan teksten uit de Duitse Middeleeuwen. Dat is natuurlijk een ruim begrip: Merovingen, Karolingen, het hoorde er allemaal bij.

Ik zoek ook veel op internet, voor mijn boek ‘De dwaas van Palmyra’ vond ik een zeilgids uit de eerste eeuw, de Periplus Maris Erythreae, die ooit is vertaald door een Engelse officier in India. Het is een interessant boek, dat tussen de Hoorn van Afrika, via het huidige Jemen, tot aan India, van stad tot stad aangeeft wat je er kunt vinden aan handelswaar, waar je moet oppassen voor piraten, dat soort zaken. Voor een boek dat ik nog wil schrijven, heb ik een puntgaaf exemplaar bemachtigd van de Baedeker voor Constantinopel, 1914. Echt een schat aan gegevens: reistijden, restaurants, vervoer, de zaken van alledag.’

Hoe lang bereid je je voor, voordat je begint met schrijven?

‘Jaren. Soms decennia. Ik denk dat veel ideeën nooit het levenslicht zullen zien. Of ik moet honderdtwintig jaar oud worden.’

Doe je research op de locatie zélf? Ben jij bijvoorbeeld bij de eik van Granit in Bulgarije geweest, die een rol speelt in ‘De afvallige’?

‘In dit geval ben ik niet ter plaatse geweest. Locaties als Pobiti Kamani, het versteende woud, ontdek ik bij onderzoek, en soms ook op internet. Andere locaties heb ik wel bezocht, soms meermalen, zoals Klein-Azië, Constantinopel en Trier. Ik wilde altijd graag het slagveld bij Edirne bezoeken, maar dat is er niet van gekomen. Ik ken Griekenland wel vrij goed en ik was vroeger ook regelmatig in Joegoslavië. Helaas kon ik de Donau niet bezoeken.’

‘De valse dageraad’, een van je bekendste romans, is een boek met een ingewikkeld historisch reisverhaal, en vele ontmoetingen. Hoe plan je zo’n boek?

‘Niet! Het ontstond als vanzelf, als een reeks losse verhalen, een ruwe kapstok van een verhaal, om mee te oefenen. ik begon ergens in het midden en schoot van de ene kant naar de andere. Uiteindelijk begon ik vanaf het begin te vertellen en nog weer later, twaalf jaar later, bedacht ik een soort overkoepelende structuur en toen was ik ongeveer op de helft. De tweede helft, de moeilijkste, schreef ik toen in een paar maanden. Dat kon omdat ik er al die jaren naartoe had gewerkt, en me flink had ingelezen in de periode.’

Had je de plot en de personages van tevoren uitgewerkt of heb je het verhaal laten ontstaan?

‘De ene keer doe ik dit, de andere keer dat. Ik ga meestal uit van een paar beelden, van een idee, soms zelfs van één woord. Langzamerhand ontstaat alles.’

Laat je mensen meelezen?

‘Doorgaans laat ik het pas lezen als er een levensvatbare eerste versie is. Dan ga ik voorlezen aan vrienden en aan mijn gezin. Zo hoor ik ook zelf hoe het is. Naar aanleiding daarvan herschrijf ik en slijp ik.

Met mijn redacteur en uitgeverij pak ik dat bij ieder boek anders aan. Ik laat het liever niet van tevoren lezen, behalve als het schrijfproces heel lang duurt, dan laat ik het wel lezen zodat ik erover kan praten. Dat helpt vaak om mijn doel scherper te stellen. Maar doorgaans lever ik een boek pas in als het in mijn ogen klaar is voor publicatie.’

Heb je ooit ook weleens een ander genre geprobeerd, een zkv bijvoorbeeld?

‘Jawel. Ik heb weleens kleine verhaaltjes geschreven, alleen wist ik toen nog niet dat het "zkv" heette. Ik vind het wel leuk, maar ik heb liever wat meer armslag. Ik voel me het meest thuis in een grote roman!’

Welke auteur is voor jou een voorbeeld, en waarom?

‘Vladimir Nabokov en Charles Dickens. Nabokov is op alle niveaus superieur. ‘Ada’ is een van mijn lievelingsboeken, ik vind het geniaal. Het is geïnspireerd op de metafysica van Henri Bergson, die de complexe, beweeglijke dynamiek van de werkelijkheid benadrukt, versus het heersende analytische wereldbeeld. Nabokov was wetenschapper en kunstenaar; in dit boek zet hij deze werelden naast en tegenover elkaar. Nabokovs scènes zijn heel zintuiglijk en vloeibaar. Het is het mooiste proza dat ik ken.

Als ik naar een onbewoond eiland zou gaan, zou dit het boek zijn dat ik meenam, omdat ik er nooit in uitgelezen raak. Twintig jaar geleden las ik het voor het eerst, en nog altijd doe ik ontdekkingen. Van ‘Ada’ bestaat er een uitdijende database aan voetnoten op het internet, en sommige van mijn inzichten zijn voor zover ik weet nieuw. Ik wil daar nog eens over schrijven, al denk ik dat er niet meer dan tien lezers voor zijn, laat staan een uitgever.

Bij Charles Dickens bewonder ik, naast zijn grote talent natuurlijk, ook zijn discipline en hoge productiviteit.’

Tot slot: als culinair historica ben ik altijd benieuwd naar iemands smaak, of culinaire herinneringen. Wat is je lievelingsgerecht? En heb je een schrijfknabbel?

‘Vanwege hypoglykemie, waardoor mijn bloedglucosespiegel te laag is, heb ik een ander dieet. Maar als ik zonder restricties zou mogen kiezen: ik ben dol op pasta met zalm en room, of tandoori of allerlei curry’s. Wat ik graag gebruik tijdens het schrijven: sigaren en pruimtabak. Het eerste moet ik nog afschaffen, het tweede heb ik al een paar keer opgegeven. Wat niet zo moeilijk is trouwens, want pruimtabak mag niet geïmporteerd worden in de Europese Unie. Ik eet niet tijdens het schrijven, want van eten word ik moe.’