Vrouwenkunst bestaat niet. Dat bewijzen zestien vrouwelijke kunstenaars in het Noord-Veluws Museum. Hun werk stamt uit de periode van 1880 tot 1950 en laat zien dat dames geen ander soort kunst maakten dan heren.

STEUN RO

Maken vrouwen andere kunst dan mannen? Historica Margot Jongedijk, conservator van het Noord-Veluws Museum, ontkent het gedecideerd: “Na ons onderzoek voor deze expositie kan ik met stelligheid zeggen: nee.”
Zestien exposanten telt ‘Vrouwen, Uit de kunst!’, zoals de woordspelige titel luidt. Zestien namen, waarbij niet altijd meteen een lichtje gaat branden. Maar dat is begrijpelijk, sust Jongedijk: “Ook voor mij zaten er nieuwe namen tussen. Dat is juist een van de taken van dit museum: minder bekende kunstenaars voor het voetlicht brengen. Het was een hele ontdekkingstocht om namen en werk te vinden van vrouwen die in deze omgeving hebben gewoond en geschilderd.”

De meesten kwamen naar de Noord-Veluwe om de natuur en een geïdealiseerd beeld van het eenvoudige, harde landleven te schilderen. Rondom Nunspeet was een kunstenaarskolonie ontstaan, vergelijkbaar met Barbizon, Worpswede of – dichter bij huis – Laren.
‘Autochtone’ Veluwse kunstenaressen zitten er niet bij. “Die had je vroeger niet”, meent Jongedijk. “Rond 1900 bestond de bevolking uit boeren, bosarbeiders en enkele notabelen. Alleen Hedwig van Osselen zou je een Veluwse kunnen noemen. Zij is hier niet geboren, maar wel getogen en groeide als notarisdochter op in huize De Bunterhoek in Nunspeet. In 1898 is ze naar de academie in Den Haag gegaan. Haar oom was daar directeur, dus dat kwam ook mooi uit. Vervolgens studeerde ze in Amsterdam en kwam terecht in de klas van de Amsterdamse Joffers, een groep schilderessen waar ook Suze Robertson bij hoorde.”

Allochtoon

Blanche Douglas Hamilton is wel een uitgesproken ‘allochtoon’. De Britse kolonelsdochter woonde van 1897 tot 1927 in Elspeet. Ze werkte vooral op papier. Opvallend is haar feeëriek belichte aquarel ‘Schapen met lammeren op een weide met vruchtbomen’. Op het affiche voor de expositie prijkt haar portret, geschilderd door collega jonkvrouw Ima van Eysinga, die eveneens in Elspeet woonde. Blanche draagt hierop een lange blauwe schilderskiel en houdt vastberaden haar penseel in de aanslag.

Hedwig Kleintjes-van Osselen (1871-1936), Zinnia’s, 1934. Olieverf op doek, ca. 50 x 60 cm (Collectie Gemeente Heerde)

In de negentiende eeuw al onderscheidden vrouwelijke kunstenaars zich in niets van hun mannelijke collega’s, benadrukt Margot Jongedijk. “Vaak denkt men dat vrouwen alleen binnenshuis schilderden, maar dat is niet waar. Ze gingen ook naar buiten om en plein air te werken. En op de academie hielden ze zich uiteindelijk net als de mannen bezig met naaktmodellen, portretten en landschappen, al heeft iemand als Suze Robertson daar nog wel een strijd voor moeten voeren. Ze werden lid van kunstenaarsverenigingen als Arti et Amicitiae of Sint-Lucas in Amsterdam en deden volop mee met exposities.
Hooguit zou je kunnen zeggen dat Suze Robertson wel extra met vrouwen begaan lijkt, gezien de manier waarop ze plattelandsvrouwen uitbeeldt. Kunsthandelaren vroegen haar soms: ‘Waarom schilder je geen lieftallige gezichtjes?’ Maar Suze wilde juist het harde werken van die vrouwen laten zien; niet uit medelijden, maar uit respect. En toch had zij wel succes met haar grove, donkere werk.”

Bijzonder is de bijdrage van twee nog levende exposanten: Guusje Sundermeijer-Rincker (1923), die lange tijd in Nunspeet woonde, en Gaby Bovelander (1931) die in de jaren zestig naar de omgeving van Apeldoorn kwam. Laatstgenoemde zat als kind met haar moeder drie jaar gevangen in interneringskamp Banjoe Biroe in Indonesië; het kampthema keert steeds terug in haar werk.

Sandberg

Vanaf 1948 woonde Gaby met haar familie op Kasteel Staverden bij Elspeet. Het was de legendarische Willem Sandberg himself, destijds directeur van het Stedelijk in Amsterdam, die haar talent ontdekte. Veel later maakte reuma haar het schilderen onmogelijk. Maar ze sloot een modus vivendi met haar ziekte: via diverse computerprogramma’s realiseert ze alsnog haar artistieke ideeën.

De dames hebben hun afkomst gemeen: alle zijn ze van goeden huize en dan met name in financieel opzicht. De meeste zijn ook professioneel geschoold. Een aantal ging zelfs naar het buitenland om daar extra vakkennis op te doen. Jo Koster bijvoorbeeld studeerde eerst in Parijs en later in Brussel, waar ook Jan Toorop woonde en werkte. Via hem kwam ze onder invloed van het pointillisme, zoals te zien is op haar doek ‘Korenveld’.

En aansluitend op de Haagse academie bezocht Kitty van der Mijll Dekker van 1929 tot 1932 het Bauhaus in Dessau waar strakke lijnen, geometrische patronen en functionaliteit hoogtij vierden. Kitty was vooral actief achter het weefgetouw, als industrieel ontwerper. Na haar Bauhaus-opleiding richtte ze in Nunspeet haar eigen ontwerpatelier De Wipstrik op. Zij werd ook het brein achter de modernisering van de beroemde ruitjestheedoeken.
Een aantal van die theedoeken hangt in de vitrine van het Noord-Veluws Museum. Hun aanblik zal bij menige bezoeker nostalgische gevoelens oproepen. Tegelijk met het besef: dus ook de theedoek van oma was in wezen kunst.

‘Vrouwen, Uit de kunst!’ Te zien t/m 4 maart 2018. Zie noord-veluws-museum.nl